De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen
Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/8.3.3.2:8.3.3.2 Bepaalde adviseurs zijn onafhankelijk op het gebied van planschade en nadeelcompensatie
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/8.3.3.2
8.3.3.2 Bepaalde adviseurs zijn onafhankelijk op het gebied van planschade en nadeelcompensatie
Documentgegevens:
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS701958:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Het betreft dezelfde adviseurs als in § 7.4.3.1. Ik verwijs naar de aldaar genoemde rechtspraak.
S. Schuite, annotatie bij ABRvS 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:374, AB 2021/121.
ABRvS 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4148, r.o. 5.1.
ABRvS 30 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:239.
ABRvS 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:374, AB 2021/121, r.o. 52.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de rechtspraak wordt de beoordeling van de onafhankelijkheid van adviseurs in die zin omzeild dat van bepaalde adviseurs wordt aangenomen dat zij zijn te beschouwen als onafhankelijke deskundigen op het gebied van planschade en nadeelcompensatie.1 Net als bij het kwaliteitsaspect deskundigheid, ontbreekt ook hier iedere kenbare motivering van dat oordeel. Dat zou mijns inziens anders kunnen en moeten. Onafhankelijkheid en deskundigheid (maar ook onpartijdigheid) zijn immers geen onbetwistbare grootheden die zonder meer aan een adviesinstantie in zijn geheel kunnen worden toegeschreven.2 In een planschadezaak uit 2018 wees appellant de Afdeling bestuursrechtspraak hierop. De Afdeling overwoog:
“De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat [X] is te beschouwen als een onafhankelijke deskundige op het gebied van planschade (…). Naar [appellant] evenwel op zich terecht stelt, moet ingeval daartoe aanleiding bestaat worden bezien of de ingeschakelde individuele deskundige onafhankelijk is.”3
Of daarmee een eind is gekomen aan het toeschrijven van ‘onafhankelijkheid’ aan instanties, is nog maar de vraag. Een appellant die in een planschadezaak uit 2019 opnieuw vroeg om een geïndividualiseerde toets, kreeg te horen dat de Afdeling reeds meerdere malen heeft overwogen dat de betreffende adviesinstantie een onafhankelijke deskundige op het gebied van planschade is en dat het feit dat zij een rechtspersoon is daar niet aan af doet.4
Onlangs heeft de Afdeling bestuursrechtspraak in het kader van deskundigenadvisering bij het Instituut Mijnbouwschade Groningen echter nadrukkelijk overwogen dat de omstandigheid dat een adviseur behoort tot een onafhankelijke organisatie, niet zonder meer betekent dat dit ook geldt voor de personen die haar ‘bemensen’.5 Ik hoop dat de Afdeling daarmee definitief afstand heeft genomen van de niet-onderbouwde aanname van onafhankelijkheid en deskundigheid van bepaalde adviesinstanties.