Einde inhoudsopgave
Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen (SteR nr. 34) 2017/4.2.9
4.2.9 Conclusie & aanbevelingen
mr. T.J. Thurlings, datum 01-08-2017
- Datum
01-08-2017
- Auteur
mr. T.J. Thurlings
- JCDI
JCDI:ADS610637:1
- Vakgebied(en)
Energierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De beroepstermijn tegen het Nationaal toewijzingsbesluit 2013-2020 is inmiddels verstreken en deze strijdigheid is niet in beroep aangevoerd: ABRvS 11 juni 2014, ECLI:RVS:2014:2130 (uitspraak met prejudiciële vragen in de beroepen tegen het Nationale Toewijzingsbesluit). Weliswaar is Besluit 2013/448/EU waarmee onder meer het Nationaal Toewijzingsbesluit met wijzigingen werd goedgekeurd deels vernietigd (HvJ EU 28 april 2016, gevoegde zaken C‑191/14, C‑192/14, C‑295/14, C‑389/14 en C‑391/14C‑393/14 (Borealis Polyolefine e.a.)), deze vernietiging heeft slechts betrekking op de zogenoemde correctiefactor waarmee de toewijzingsbesluiten van de lidstaten moesten worden aangepast. Wanneer een nieuwe correctiefactor is vastgesteld zal de Minister deze nieuwe correctiefactor moeten toepassen (zie hierover Thurlings 2016d en Thurlings 2016e). De vernietiging van het Hof heeft geen betrekking gehad op de door Nederland vastgestelde installatiegrenzen, waarmee deze grenzen na de definitieve uitspraak van de Afdeling naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie voor wat betreft de toewijzing in het Nationaal Toewijzingsbesluit formele rechtskracht hebben gekregen (ABRvS 8 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2354).
HR 21 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0193 (Maple Tree).
Naar analogie: ABRvS 15 juli 2009, ECLI: NL: RVS: 2009: BJ2611, r.o. 2.5.1, zie tevens: CBb 27 juni 2008, ECLI:NL:CBB:2008:BD5867, r.o. 5.5, waarin wordt overwogen dat niet mag worden verwacht dat appellant beter van het EU-recht op de hoogte is dan de Minister.
Naar analogie: ABRvS 28 juli 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ4389, waarin aanvullende ongeschreven intrekkinggronden niet werden geaccepteerd. Zie ook: De Kam 2016, p. 25-29 en 165.
HvJ EG 7 januari 2004, C-201/02 (Wells), r.o. 62-70.
In deze paragraaf is gebleken dat de Nederlandse uitvoering van de toewijzingsregels uit Richtlijn ETS en Besluit 2011/278/EU in strijd zijn met genoemde regelingen. Deze strijd doet zich met name voor bij het aanleveren van gegevens op het niveau van de inrichting, waarbij de inrichting als installatie wordt beschouwd, ondanks het feit dat de inrichting zelf over meerdere broeikasgasinstallaties kan beschikken. Ook komt de onderverdeling van een inrichting in broeikasgasinstallaties in strijd met genoemde regelingen, voor zover daarbij wordt vereist dat installaties die niet onder het ETS vallen bij een andere broeikasgasinstallatie moeten worden ondergebracht. Artikel 33 resp. artikel 42 Rhe die het mogelijk maken gegevens ten behoeve van de kostenloze toewijzing op het niveau van de inrichting aan te leveren moeten mijns inziens bovendien in strijd worden geacht met artikel 16.24 resp. artikel 16.32 jo artikelen 16.25 en 16.26 Wm. Uit deze bepalingen vloeit immers voort dat de berekening van de kosteloze toe te wijzen emissierechten overeenkomstig Besluit 2011/278/EU dient te geschieden. Hetzelfde geldt voor het beoordelingskader ten aanzien van de opdeling in broeikasgasinstallaties, voor zover hierdoor installaties die niet onder het ETS vallen ten behoeve van de toewijzing bij een andere broeikasgasinstallatie zijn ondergebracht.
De hier geconstateerde gebreken vinden alle hun oorzaak in een gebrekkig tot stand gebrachte Rhe. Indien verplicht zou worden gesteld ten behoeve van een aanvraag altijd een opdeling in broeikasgasinstallaties te maken, worden de in deze paragraaf geconstateerde gebreken grotendeels verholpen. Daarbij zij wel opgemerkt dat dan tevens het beoordelingskader moet worden aangepast: indien zich in de inrichting installaties bevinden die niet onder het ETS vallen, dan dienen deze ook niet bij een andere broeikasgasinstallatie te worden ondergebracht. De betreffende installatie valt dan eenvoudigweg niet onder het ETS.
Vraag blijft wel hoe nu moet worden omgegaan met de reeds tot stand gekomen toewijzingsbesluiten (het Nationaal Toewijzingsbesluit en eventuele nieuwkomerbesluiten) die in strijd moeten worden geacht met de Richtlijn ETS en Besluit 2011/278/EU. Ten aanzien van het Nationaal Toewijzingsbesluit hebben belanghebbenden niet meer de mogelijkheid op grond van genoemde strijdigheden beroep in te stellen.1 Hetzelfde geldt voor nieuwkomerbesluiten waartegen geen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, of waar deze strijdigheid niet in beroep is aangevoerd. Die besluiten hebben immers formele rechtskracht gekregen.2
Kunnen deze toewijzingsbesluiten worden gewijzigd met een beroep op de strijdigheid met de Richtlijn ETS en Besluit 2011/278/EU, dan wel de genoemde wetsbepalingen? Aanknopingspunt voor een dergelijke wijziging is wellicht te vinden in artikel 16.34c Wm, dat bepaalt:
Een overeenkomstig deze afdeling genomen besluit houdende kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten kan tevens worden gewijzigd of ingetrokken, indien:
degene die de inrichting drijft, onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid, of
het besluit anderszins onjuist was en degene die de inrichting drijft, dit wist of behoorde te weten.
De artikelen 16.25 tot en met 16.29 zijn van overeenkomstige toepassing.
Een besluit houdende kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten kan niet meer worden ingetrokken of ten nadele van de betrokken inrichting worden gewijzigd indien acht jaren zijn verstreken sedert de dag waarop het besluit is bekendgemaakt.’
Aangezien deze keuzemogelijkheid echter uitdrukkelijk aan de drijver is geboden door de Staatssecretaris, geeft deze bepaling mijns inziens geen grondslag voor een wijziging van het toewijzingsbesluit.3 Nu de wijzigingsgronden in de Wet milieubeheer zijn vastgelegd, zou de Afdeling mijns inziens ook geen aanvullende ongeschreven wijzigingsgronden moeten accepteren.4 Bovendien bestaat er naar EU-recht geen verplichting tot wijziging van met EU-recht strijdige besluiten indien het nationaal recht hier geen ruimte meer voor biedt.5
Het verdient evenwel aanbeveling de Rhe ten aanzien van de geconstateerde gebreken aan te passen, zodat toekomstige toewijzingsbesluiten in overeenstemming met de EU-regelgeving tot stand kunnen worden gebracht. Wellicht kan, totdat die wijziging heeft plaatsgevonden, een richtlijnconforme interpretatie (deels) uitkomst bieden voor de praktijk door nieuwkomersaanvragen in overeenstemming met Besluit 2011/278/EU, waar artikel 16.32 Wm naar verwijst, alleen nog te beoordelen op het niveau van de broeikasgasinstallaties.