Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/3.2.5.3
3.2.5.3 De concernwerknemer en aanpalende rechtsgebieden
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS483770:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
SER-advies 198/21. Ik verwijs in het bijzonder naar p. 12 e.v.
Kamerstukken II 1991-1992, 22 400, nr 3, p, 9.
Ktr. Utrecht 15 maart 2006, JAR 2006/80; Hof Amsterdam 29 mei 2008, JAR 2008/218; HvJ EU 21 oktober 2010, JAR 2010/298; en Hof Amsterdam 25 oktober 2011, JAR 2011/292, m.nt. Witteveen. Zie voor een kritische bespreking van het vonnis van de kantonrechter en nadien van het arrest van het Hof van Justitie Grapperhaus 2006, p. 291 e.v. resp. Grapperhaus 2011, p. 33 e.v.
Richtlijn van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten betreffende het behoud van rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen (PbEG 2001, L 82/16).
R.o. 31 in het arrest luidt als volgt: ‘In deze omstandigheden kan, indien binnen een concern twee werkgevers naast elkaar bestaan, waarvan de één contractuele betrekkingen en de ander nietcontractuele betrekkingen heeft met de werknemers van dat concern, als een ‘vervreemder’ in de zin van richtlijn 2001/23 ook worden beschouwd de werkgever die verantwoordelijk is voor de economische activiteiten van de overgedragen eenheid die uit dien hoofde arbeidsbetrekkingen heeft met de werknemers in die eenheid, eventueel niettegenstaande het ontbreken van contractuele relaties met die werknemers’.
Zie ook Knipschild/Van Fenema 2011, p. 4.
Een term die ontleend moet zijn aan de voorloper van Richtlijn 2001/23 (Richtlijn 77/187/EEG), waarin werd gesproken van arbeidsovereenkomst en arbeidsverhouding. Materieel gezien lijkt het verschil tussen de arbeidsbetrekking in Richtlijn 2001/23 en de arbeidsverhouding in Richtlijn 77/187 van belang ontbloot voor het oordeel van het Hof van Justitie.
De richtlijn heeft geen horizontale werking.
De werkzaamheden van de onderneming die de uitlener in stand houdt bestaan in het uitlenen van personeel.
Ik maak deze vergelijking omdat ik uitzendkrachten voorshands niet wil rekenen tot de in de onderneming werkzame personen.
Onderscheidend verschil tussen uitzendkrachten en gedetacheerde concernwerknemer is dat de uitzendkracht minstens zo belangrijk is voor de uitzendonderneming als voor de inlenende onderneming. Gedetacheerde concernwerknemers zijn dat niet voor de uitlenende maar zijn dat hoofdzakelijk voor de inlenende onderneming. Zie ook HvJ 13 september 2007, JAR 2008/252 (Jouini).
Art. 2:347 BW kent vakverenigingen die ‘in de onderneming werkzame personen’ onder haar leden tellen de bevoegdheid toe een verzoek in te dienen tot het instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon (art. 2:346 lid 1 BW). In 1989 bracht de SER een (aanvullend) advies uit met betrekking tot onder meer de vraag wat voor de toepassing van art. 2:347 BW moet worden verstaan onder ‘in de onderneming werkzame personen’ in de situatie waarin één tot een concern behorende rechtspersoon fungeert als de formele werkgever van alle werknemers van het concern, ongeacht de vraag waar zij feitelijk werkzaam zijn.1 We herkennen hier de concernwerknemer. Gelet op doel en strekking van het enquêterecht bepleit de SER een ruime uitleg van het begrip ‘in de onderneming werkzaam’. Een dergelijke uitleg acht de SER mogelijk, omdat art. 2:347 BW niet als voorwaarde stelt dat de vakbondsleden in de onderneming werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst met de rechtspersoon die de onderneming in stand houdt. Voldoende is dat de leden hun werkzaamheden in de betreffende onderneming verrichten. Daarbij zal doorgaans wel een zekere duurzaamheid van de werkzaamheden mogen worden verlangd; eerst en vooral personeel dat langere tijd in een onderneming werkzaam is, wordt immers geraakt door het gevoerde beleid. De staatssecretaris van Justitie onderschrijft, in de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel tot wijziging en aanvulling van het recht van enquête, de opvatting van de SER.2 Hij acht dan ook een wetswijziging niet noodzakelijk. Volstaan kan worden met de uiteenzetting en standpuntbepaling in de Memorie van Toelichting. De conclusie moet zijn dat concernwerknemers in het kader van het enquêterecht volwaardig meetellen binnen de onderneming waar zij feitelijk werkzaam zijn.
Het onderscheid tussen de materiële en de formele werkgever speelde, zij het dan specifiek met betrekking tot de arbeidsrechtelijke aspecten van overgang onderneming, ook in de zogenaamde Albron-zaak.3 Kort gezegd stond daarin de vraag centraal of een werknemer een beroep kan doen op Richtlijn 2001/23,4 indien hij in dienst is van de ene concernvennootschap, maar feitelijk werkzaam is bij een andere concernvennootschap, en deze laatste zijn activiteiten overdraagt aan een derde. Het Hof van justitie beantwoordde deze vraag bevestigend.5 Onder ‘vervreemder’ in de zin van art. 3 lid 1 van de richtlijn moet niet alleen worden verstaan de natuurlijke of de rechtspersoon met wie de werknemer een contractuele band in de vorm van een arbeidsovereenkomst heeft, maar ook diegene met wie een andersoortige arbeidsbetrekking bestaat. Het hof spreekt van de contractuele resp. van de niet-contractuele werkgever. Daarmee krijgt het begrip arbeidsbetrekking in art. 3 lid 1 van de Richtlijn een zelfstandige betekenis naast het daarin ook voorkomende begrip arbeidsovereenkomst.6 De conclusie van A-G Bot, die overigens de aanduiding arbeidsverhouding hanteert,7 biedt aanknopingspunten voor de vraag wat onder een arbeidsbetrekking verstaan moet worden:
‘42. Om te beginnen heeft een werknemer die, in het kader van betrekkingen tussen vennootschappen die tot hetzelfde concern behoren, een vennootschap van dat concern juridisch als werkgever heeft, en permanent is tewerkgesteld bij een andere vennootschap van bedoeld concern, met deze vennootschap een vaste verhouding die grotendeels vergelijkbaar is met die welke zou bestaan indien hij rechtstreeks door deze laatste zou zijn aangeworven.
43. Enerzijds is een dergelijke werknemer immers geïntegreerd in de structuur van deze vennootschap van tewerkstelling en draagt hij bij tot de uitoefening van de economische activiteit van deze laatste. Anderzijds verleent het permanente karakter van zijn tewerkstelling aan de arbeidsverhouding met bedoelde vennootschap dezelfde duur als die welke voortvloeit uit de arbeidsovereenkomst met de werkgevervennootschap. De vennootschap van tewerkstelling kan dus voor onbepaalde tijd beschikken over een werknemer die zij kan opleiden volgens haar behoeften. Zij profiteert ook van de ervaring die deze werknemer heeft opgedaan bij het verrichten van zijn werkzaamheden in haar dienst, in voorkomend geval voor de gehele duur van zijn beroepsleven, zoals zij zou kunnen doen indien zij zijn juridische werkgever was.’.
Dat een concern door zijn opbouw over de mogelijkheid beschikt een constructie in het leven te roepen waarbij werknemers formeel worden ondergebracht in een andere vennootschap dan die waarbinnen de ondernemingsactiviteit plaats vindt, mag geen afbreuk doen aan aanspraken die werknemers (indirect)8 aan Richtlijn 2001/23 kunnen ontlenen. Het Hof drukt zich op dit punt in neutrale bewoordingen uit, A-G Bot laat aan duidelijkheid niet veel te wensen over: ‘Tenslotte ben ik van mening dat de toepassing van richtlijn 2001/23 in de betrokken situatie noodzakelijk is om te voorkomen dat concerns, door hun arbeidsverhoudingen zoals het Heineken-concern te organiseren, de toepassing van de richtlijn zouden kunnen vermijden.’.
Keer ik thans terug naar de medezeggenschapsrechten van de concernwerknemer, de werknemer die de ene concernvennootschap als contractuele, de andere als nietcontractuele werkgever/ondernemer heeft. Slechts bij de eerste vennootschap wordt die werknemer vanaf zijn indiensttreding gerekend tot de in de onderneming werkzame personen (art. 1 lid 2 WOR).9 De werknemer heeft actief en/of passief kiesrecht vanaf het moment dat hij zes maanden resp. een jaar in de onderneming werkzaam is geweest (art. 6 leden 2 en 3 WOR). Juist in die gevallen waarin de keus voor het onderbrengen van werknemers in een specifieke vennootschap door het concern wordt gemaakt, is er aanleiding onder de in de onderneming werkzame personen óók te begrijpen werknemers die daarin niet werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst, maar op basis van een duurzame arbeidsbetrekking met de ondernemer die de onderneming in stand houdt. De concernwerknemer is dan voor toepassing van de Wet op de ondernemingsraden óók werkzaam in de onderneming van de inlener. Waarin de arbeidsbetrekking met de inlener verschilt van uitzendovereenkomsten die de inlener sluit,10 kan men ontlenen aan de conclusie van A-G Bot bij het Albron-arrest:
‘44. Een dergelijke arbeidsverhouding is dus duidelijk onderscheiden van die welke een dergelijke vennootschap met een uitzendkracht zou kunnen hebben. Een uitzendkracht wordt immers slechts tijdelijk ter beschikking van een inlenende vennootschap gesteld. Hij is niet persoonlijk gekozen door deze vennootschap, maar is geselecteerd door het uitzendbureau, dat hem uit zijn werknemers heeft uitgezocht wegens zijn geschiktheid om te voldoen aan de behoeften die de inlenende vennootschap in haar bestelling heeft geformuleerd.’.11