De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board
Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/VII.3.2.1:VII.3.2.1 Inleiding
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/VII.3.2.1
VII.3.2.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242719:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie § VII.2.4. Hiermee bedoel ik overigens niet te zeggen dat onbehoorlijke taakvervulling door een bestuurder een voorwaarde voor aansprakelijkheid van een commissaris is, al zal aansprakelijkheid van een commissaris in de regel slechts aan de orde zijn indien bestuurdersaansprakelijkheid is vastgesteld. Aldus ook Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 52.9, p. 1200-1201.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 2:9 BW betreft een interne aansprakelijkheid. Dit betekent dat slechts de vennootschap – of de curator in geval van faillissement – hier een beroep op kan doen. Omdat de aansprakelijkheid van art. 2:9 BW collectief van aard is, behoeft de vennootschap niet voor elke bestuurder afzonderlijk te stellen en bewijzen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan onbehoorlijk bestuur. Zodra vaststaat dat ten minste één bestuurder onbehoorlijk heeft bestuurd, is de niet-uitvoerende bestuurder in beginsel hoofdelijk aansprakelijk jegens de vennootschap. In beginsel, want de niet-uitvoerende bestuurder kan de aansprakelijkheidsdans ontspringen. Hij dient daartoe aan te tonen dat hem, mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken, geen ernstig verwijt valt te maken. Wist of behoorde de niet-uitvoerende bestuurder te weten dat een medebestuurder zijn taak onbehoorlijk vervulde, dan moet hij daarnaast aantonen dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van het onbehoorlijke bestuur af te wenden of te beperken.
Hetgeen ik in het vervolg van deze paragraaf schrijf, geldt mutatis mutandis voor een commissaris, met dien verstande dat hij niet zonder meer aansprakelijk is wanneer een bestuurder zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld.1 Een commissaris is op de voet van art. 2:149/259 jo. 2:9 BW slechts aansprakelijk indien ten minste één commissaris is tekortgeschoten in het vervullen van de hem opgedragen taak. Hij kan zich vervolgens aan aansprakelijkheid onttrekken indien hij aantoont dat hem geen ernstig verwijt valt te maken en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden of te beperken.