Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/VII.3.2.2
VII.3.2.2 De norm van art. 2:9 BW
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242793:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 8 (MvT); en Kamerstukken I 2010/11, 31 763, C, p. 5-6 en 15 (MvA).
Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 13.1, p. 217. Vele situaties van onbehoorlijk bestuur zijn denkbaar. Zie ook Strik in: Sdu Commentaar Ondernemingsrecht, art. 2:9 BW, aant. C7. Strik geeft de volgende negen voorbeelden van situaties waarin sprake is van onbehoorlijk bestuur als bedoeld in art. 2:9 lid 2 BW: (1) het aanwenden van middelen van de rechtspersoon voor privédoeleinden; (2) het in privé aangaan van transacties die tot het werkterrein van de rechtspersoon behoren; (3) het aangaan van transacties die het doel van de rechtspersoon overschrijden; (4) het handelen in strijd met de wet of statuten; (5) het nemen van te grote of onnodig grote financiële risico’s; (6) het nemen van beslissingen over het aangaan van rechtshandelingen met vergaande financiële consequenties zonder behoorlijke voorbereiding; (7) het verstrekken van leningen aan insolvente partijen of zonder verwerving van adequate zekerheid; (8) het verzuimen om adequate verzekeringen af te sluiten ten behoeve van de rechtspersoon; (9) het zonder redelijke grond stilleggen van de door de rechtspersoon gedreven onderneming.
Idem Hanegraaf, MvO 2019, afl. 1-2, p. 21; en Wezeman, TvJ 2009/4.
Zie hierover Van Ginneken 2017, p. 203-207; en Verboom 2017, p. 233.
Dit speelde bijvoorbeeld in Rb. Utrecht 12 december 2007, JOR 2008, 10 m.nt. Bartman (Ceteco); Rb. Midden-Nederland 19 juni 2013, JOR 2013/237 m.nt. Verboom (Landis); en Rb. Amsterdam 30 september 2015, JOR 2016/182 m.nt. Van Bekkum (Fairstar/Dockwise).
Zie bijvoorbeeld Rb. Utrecht 12 december 2007, JOR 2008, 10 (Ceteco); en Rb. Midden-Nederland 19 juni 2013, JOR 2013/237 (Landis).
Zie § VI.3.4.
Rb. Amsterdam 30 september 2015, JOR 2016/182 (Fairstar/Dockwise).
Op grond van art. 2:9 lid 1 BW is iedere bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Tot die taak behoren alle bestuurstaken die niet bij of krachtens de wet of de statuten aan een of meer andere bestuurders zijn toebedeeld. Het tweede lid van art. 2:9 BW bepaalt vervolgens dat ieder van de bestuurders in beginsel hoofdelijk aansprakelijk is ter zake van onbehoorlijk bestuur door ten minste één van hen.1
Tegen deze achtergrond is het zaak te bezien wat onder de term ‘onbehoorlijk bestuur’ moet worden verstaan. De term houdt verband met de norm die in art. 2:9 lid 1 BW is neergelegd.2 Op grond van die norm behoort iedere bestuurder zich jegens de vennootschap in het kader van zijn taakopdracht op verantwoorde wijze te gedragen. Volgens Assink vereist verantwoord bestuurlijk gedrag in de eerste plaats dat de bestuurder de vennootschap daadwerkelijk bestuurt. Hij mag zijn taak – met andere woorden – niet onvervuld laten. Daarnaast moet de bestuurder bij zijn taakvervulling binnen de grenzen van zijn bevoegdheden opereren, zijn bevoegdheden deugdelijk uitoefenen in het belang van de vennootschap en aan de voor hem geldende plichten voldoen.3
Hoewel art. 2:9 lid 2 BW voorziet in een disculpatiemogelijkheid, loopt een niet-uitvoerend bestuurder een aanzienlijk groter aansprakelijkheidsrisico dan een commissaris.4 Zoals ik al schreef, is een commissaris slechts ‘afgeleid’ aansprakelijk.5 Vervult een bestuurder zijn taak onbehoorlijk, dan brengt dat niet automatisch de aansprakelijkheid van een commissaris met zich mee. Een commissaris is op grond van art. 2:149/259 jo. 2:9 BW slechts hoofdelijk aansprakelijk indien ten minste één commissaris de hem opgedragen (toezichts)taak onbehoorlijk heeft vervuld en hij zich niet met succes kan disculperen. Wanneer is nu precies sprake van onbehoorlijke taakvervulling door een commissaris?
De jurisprudentie inzake de aansprakelijkheid van commissarissen ex art. 2:149/259 jo. 2:9 lid 2 BW is schaars. Uit deze schaarse jurisprudentie komt niettemin het beeld naar voren dat een commissaris zich actiever moet opstellen indien de vennootschap in zwaar weer komt te verkeren en/of de continuïteit van de vennootschap in gevaar komt.6 Hetzelfde geldt in de tegenovergestelde situatie waarin sprake is van een snelle en omvangrijke expansie van de onderneming.7 De commissaris behoort in voornoemde gevallen zijn toezicht te intensiveren.8 Doet hij dat niet, dan kan riskeert hij aansprakelijkheid. Illustratief is de Fairstar/Dockwise-casus.9
De bestuurders van Fairstar sloten in mei 2011 een overeenkomst met een derde zonder dat zij de daarvoor vereiste statutaire goedkeuring van de raad van commissarissen hadden. Voor deze overeenkomst was geen financiering voorhanden. Bovendien was duidelijk dat de vennootschap de aan de overeenkomst verbonden lasten niet zou kunnen dragen. Nog geen jaar later beging het bestuur van Fairstar dezelfde fout. De commissarissen stelden dat zij geen wetenschap droegen van het onzorgvuldige handelen van het bestuur. Medio april 2012 behoorden zij daar niettemin van op de hoogte te zijn. De commissarissen lieten na zich kritisch op te stellen, het bestuur om nadere informatie te vragen en in te grijpen. In plaats daarvan bleven de commissarissen achter het bestuur staan. Commissaris Van Riet vervulde een grote rol in de hierboven beschreven gang van zaken. De rechtbank oordeelt dat hij zijn taak onbehoorlijk vervulde en derhalve aansprakelijk is. Hoewel de rol van commissaris Verhagen minder expliciet naar voren komt, oordeelt de rechtbank dat ook hij aansprakelijk is. “Hij stond erbij en keek ernaar”, aldus de rechtbank.