Medezeggenschap en de spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht
Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/1.3:1.3 Probleemstelling
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/1.3
1.3 Probleemstelling
Documentgegevens:
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS486211:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zo kunnen de verschillende organen van de ondernemer zich niet achter elkaar verschuilen als het gaat om de medezeggenschapsrechten van de ondernemingsraad en zo kan de ondernemer het vragen van advies niet uitstellen om de enkele reden dat van vennootschappelijke besluitvorming binnen de ondernemer nog geen sprake is.
Niet voor niets spreekt Willems (2012, p. 106) van ‘twee besluiten’.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Door eenvoudigweg te spreken van ‘de ondernemer’ en ‘de onderneming’ en door het advies- en instemmingsrecht toe te spitsen op voorgenomen ‘besluiten van de ondernemer’, lijk de Wet op de ondernemingsraden niet voldoende oog te hebben voor de economische realiteit van vennootschappelijke structuren en daaraan inherente beleids- en besluitvormingsprocessen. Is daarin enerzijds de kracht van de Wet gelegen,1 anderzijds is dat zijn achilleshiel. De zojuist gegeven voorbeelden illustreren dat. Bij besluitvorming inzake de onderneming die in stand wordt gehouden door een rechtspersoon is doorgaans zowel sprake van besluitvorming binnen de structuur van de rechtspersoon als van besluitvorming met medezeggenschapsrechtelijke kanten. Het eerste proces wordt hoofdzakelijk vorm gegeven in Boek 2 BWen de statuten van de rechtspersoon, het tweede hoofdzakelijk in de Wet op de ondernemingsraden.2 Dit zou tot gevolg kunnen hebben dat vennootschapsrechtelijk een besluit nog non-existent is, terwijl op grond van de Wet op de ondernemingsraden medezeggenschapsrechtelijk reeds sprake is van een besluit.
Ik heb mijzelf ten doel gesteld onderzoek te doen naar de volgende hypothese: de Wet op de ondernemingsraden is niet altijd toereikend om de medezeggenschap in volle omvang tot zijn recht te laten komen. Dit is een gevolg van het feit dat de Wet zich er onvoldoende rekenschap van geeft dat de ondernemer die de onderneming in stand houdt een rechtspersoon kan zijn. Daardoor ontstaat een bepaalde spanning tussen de in de Wet op de ondernemingsraden vorm gegeven medezeggenschap aan de ene en de vennootschappelijke structuur en beleids- en besluitvorming aan de andere kant. Van mijn studie maakt ook deel uit een analyse van de spanning tussen de art. 24 lid 1 en 25 lid 1 en onder a WOR en de relevante effectenregelgeving. Het zijn deze onvolkomenheden in de Wet op de ondernemingsraden die ik tot uiting heb willen brengen in de titel van deze studie, ‘Medezeggenschap en de spanning tussen WOR en ondernemingsrecht’. De uitdaging waarvoor ik mij geplaatst heb gezien, is inzichtelijk te maken waarin die onvolkomenheden resp. die spanning bestaan, en hoe daarmee in de praktijk en in de rechtspraak wordt omgegaan of omgegaan zou moeten worden. Dat gebeurt, zal blijken, bijvoorbeeld door nieuwe begrippen te introduceren of door, voor de toepassing van medezeggenschap, het onderscheid tussen de vennootschap en de onderneming te negeren.