Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht
Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/3.9.3:3.9.3 Consumentenorganisaties als belanghebbende bij de NMa
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/3.9.3
3.9.3 Consumentenorganisaties als belanghebbende bij de NMa
Documentgegevens:
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS581195:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De Poorter 2004, p. 53-55, p. 83-87; Tzankova 2005, p. 38. Zie over de belanghebbende ook De Poorter 2003; De Poorter 2000, p. 36-40.
Tzankova 2005, p. 39.
Zie de brief d.d. 23 oktober 2003 van de Minister van Economische Zaken aan de Tweede Kamer met het kabinetsstandpunt naar aanleiding van de evaluatie van de Mededingingswet, Kamerstukken II 2003/04, 29 272, nr. 1.
Kamerstukken II 2005/06, 30 071, nr. 34.
Kamerstukken II 2005/06, 30 071, nr. 34.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoewel de beperking van het beroepsrecht als gevolg van de eisen die gesteld worden aan het zijn van belanghebbende in het bestuursrecht al lange tijd onderhevig is aan kritiek, is er lange tijd niets aan gedaan.1 Gevolg was dat de toegang tot de bestuursrechter voor consumenten op ontoelaatbare wijze werd beperkt door enerzijds in individuele gevallen het belanghebbende-begrip restrictief uit te leggen en anderzijds door een beperking van het beroepsrecht voor belangenorganisaties.2
Het kabinet heeft lange tijd een verruiming van het begrip belanghebbende (bijvoorbeeld door het in de Mededingingswet laten vervallen van het criterium 'bijzonder persoonlijk belang') van de hand gewezen, met een beroep op de lagere effectiviteit van het toezicht als gevolg van de verwachte toename van het aantal Machten. De toename van het aantal klachten zal leiden tot ongewenste congestie en daardoor een lagere effectiviteit van het toezicht.3 Er zal immers geen belemmering meer zijn voor het indienen van klachten en de desbetreffende klachten zullen stuk voor stuk nader moeten worden onderzocht door de NMa.
Het kabinet heeft eerder ook het idee van een zogenaamd super complaint (naar Brits voorbeeld) afgewezen. De Minister van Economische Zaken zou consumentenorganisaties kunnen aanwijzen, die een bepaald consumentenbelang vertegenwoordigen. De NMa zou bij klachten van aangewezen organisaties verplicht zijn om binnen een bepaalde tijd te laten weten op welke wijze ingediende Machten worden behandeld. Het kabinet was (evenals de sER) van mening dat een super complaint de positie van de consument niet wezenlijk zou verbeteren, nu de baten van een super complaint nog niet in de praktijk waren aangetoond. In de Wet marktordening gezondheidszorg en in de Wet handhaving consumentenbescherming was echter wel reeds sprake van de erkenning van een consumentenorganisatie als belanghebbende, die als klager kan optreden.
Onder druk van de Tweede Kamer worden consumentenorganisaties inmiddels wel geacht belanghebbende te zijn. Artikel 93 Mw is met een derde lid en een vierde lid uitgebreid. In het toegevoegde derde lid is neergelegd dat een consumentenorganisatie wordt geacht belanghebbende te zijn bij besluiten genomen op grond van de Mededingingswet. In het toegevoegde vierde lid is neergelegd dat de raad, bij toepassing van artikel 3:11, tweede lid Awb, in zaken waarbij een consumentenorganisatie als bedoeld in het derde lid belanghebbende is, om gewichtige redenen onderscheid kan maken tussen de in artikel 59, derde lid, bedoelde rechtspersonen of natuurlijke personen en genoemde consumentenorganisatie bij de beoordeling van de vraag of op de zaak betrekking hebbende stukken of gedeelten van stukken ter inzage worden gelegd. Aan artikel 1 Mw is een onderdeel toegevoegd waarin consumentenorganisaties worden gedefinieerd als stichtingen of verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid die krachtens hun statuten tot taak hebben het behartigen van de collectieve belangen van consumenten.
De Minister van Economische Zaken heeft bij de toelichting op deze wijziging van de Mededingingswet de kanttekening geplaatst dat consumentenorganisaties, op straffe van niet-ontvankelijkheid, wel moeten kunnen aantonen dat in een bepaalde zaak ook consumentenbelangen direct aan de orde zijn, welke belangen zij op grond van hun statutaire doelstelling behartigen.4
Zoals blijkt uit het toegevoegde vierde lid van artikel 93 Mw is voorts bepaald dat de NMa om gewichtige redenen kan besluiten rapporten, stukken of bepaalde delen van rapporten of stukken voor consumentenorganisaties slechts ter inzage te leggen voor zover deze geen vertrouwelijke gegevens bevatten. Overtreders kunnen bezwaar hebben tegen het ter inzage leggen van stukken (indusief de vertrouwelijke gegevens) in verband met de vertrouwelijkheid van bedrijfsgegevens. In de toelichting wijst de Minister op het feit dat de NMa de stukken anders zou moeten ontdoen van de bedrijfsvertrouwelijke gegevens. Op grond van de op het EVRM gebaseerde jurisprudentie zal volgens de Minister de informatie die niet ter inzage is gelegd tegen de overtreders niet gebruikt mogen worden bij de sanctieoplegging door de NMa. Dat zou weer afbreuk doen aan de effectiviteit van de handhaving en is daarom volgens de Minister onwenselijk.
Op grond van artikel 93 lid 4 Mw is het mogelijk om voor consumentenorganisaties stukken ter inzage te leggen, terwijl voor de sanctieoplegging door de NMa gebruik kan worden gemaakt van stukken met vertrouwelijke gegevens. In de onderlinge verhouding tussen overtreders zijn de vertrouwelijke gegevens meestal reeds bekend. Overtreders van de wet kunnen de stukken dan ook inclusief de vertrouwelijke gegevens inzien. De stukken kunnen ten aanzien van de overtreders ter inzage worden gelegd. De Minister is de mening toegedaan dat met deze wijziging enerzijds een regeling is getroffen die recht doet aan het belang van consumentenorganisaties om als belanghebbenden in de zin van de Mededingingswet te worden gekwalificeerd en anderzijds recht is gedaan aan het belang van een deugdelijke handhaving van de Mededingingswet.5