Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/3.2.1.3.3
3.2.1.3.3 Art. 316 Sr: de zon in het planetenstelsel der relatieve klachtdelicten
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946100:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Smidt & Smidt 1891 (Deel I), p. 493 en Smidt & Smidt 1891 (Deel II), p. 521.
Van Dorst 1989, p. 68 en Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 588.
Dat is niet verwonderlijk, omdat de (uitzonderlijke) situatie zich moet voordoen dat sprake is van een vervolging inzake afdreiging, waarbij de in art. 316 lid 2 Sr beschreven familiaire relatie bestaat tussen het slachtoffer en meerdere daders, waarna de klacht is gericht tegen één van die daders.
Zie hierover meer uitgebreid: Groenhuijsen 2019.
Stb. 2009, 245.
Dit is blijkens de wetsgeschiedenis ingegeven door het Verdrag van Warschau van 16 mei 2005 (Trb. 2006, 34).
Opvallend is dat de Raad van State – ondanks dat een vrij uitvoerige wetswijziging werd beoogd – geen aanleiding zag dit wetsvoorstel van een inhoudelijk advies te voorzien (Kamerstukken II 2007-2008, 31 386, nr. 5).
Verdrag van Warschau van 16 mei 2005 (Trb. 2006, 34). Het wetsvoorstel is nadien enigszins gewijzigd met het oog op de implementatie van het Kaderbesluit inzake terrorismebestrijding. (Kaderbesluit 2002/475/JBZ van 13 juni 2002, PbEU L164/3 en het daaropvolgende Kaderbesluit 2008/919/JBZ van 28 november 2008, PbEU L330/21).
In het kader van het aanwijzen van klachtdelicten verdient art. 316 Sr bijzondere aandacht, nu dit wetsartikel de grondslag vormt voor alle relatieve klachtdelicten. Deze bepaling vormt het slot van titel XXII betreffende diefstal en stroperij. Het artikel vangt in lid 1 aan met een absoluut vervolgingsbeletsel in geval de dader (of medeplichtige) van een van de in deze titel vermelde misdrijven de niet van tafel en bed of van goederen gescheiden echtgenoot is van de persoon jegens wie het misdrijf is gepleegd. Met het oog op klachtdelicten is lid 2 van meer belang. Dit artikellid bepaalt dat vervolging van de dader ter zake de in deze titel vervatte misdrijven uitsluitend plaatsvindt op een tegen hem gerichte klacht van degene tegen wie het delict is gepleegd, indien deze feiten zijn gepleegd tegen de van tafel en bed of van goederen gescheiden echtgenoot, of tegen de bloed- of aanverwant in rechte linie of in de tweede graad van de zijlinie. Dit maakt de artikelen 310 tot en met 315 Sr relatieve klachtdelicten. In het geval dat een zoon van zijn vader steelt, wordt aan het belang van het familiewezen voorrang verleend boven het algemene belang dat bestaat bij het strafrechtelijk ingrijpen naar aanleiding van een dergelijke rechtskrenking.
De reikwijdte van art. 316 Sr strekt zich uit tot ver buiten de titel betreffende diefstal en stroperij vanwege de schakelbepalingen die zijn gelegen in art. 319, 324, 338, 348 lid 3 en 353 Sr. Waar in een planetenstelsel alles om de zon draait, draait binnen het totaal aan relatieve klachtdelicten alles om art. 316 Sr. Dit kan worden geïllustreerd met de hieronder gevoegde afbeelding, waarin het totaal aan relatieve klachtdelicten, alsmede het gebruik van schakelbepalingen, inzichtelijk is gemaakt.
Afbeelding 1: Totaal relatieve klachtdelicten, alsmede gebruik van schakelbepalingen
De veelvuldige verwijzingen naar art. 316 Sr zijn ingegeven vanuit de gedachte dat het relatieve klachtvereiste (en het in het eerste lid vervatte absolute vervolgingsbeletsel) niet alleen op zijn plaats is bij diefstal en stroperij, maar ook in die gevallen waarin een naaste bloedverwant andere misdrijven tegen het eigendom pleegt.1 Het gebruik van schakelbepalingen voorkomt dat de (langere) wettekst van art. 316 Sr veelvuldig in het wetboek is herhaald. De schakelbepalingen dragen echter niet steeds bij aan duidelijke strafwetgeving en leiden ook tot systematische ongerijmdheden.
De hierboven bedoelde onduidelijkheid kan allereerst worden geïllustreerd aan de hand van titel XXIII betreffende afpersing en afdreiging. Art. 319 Sr verklaart art. 316 Sr van overeenkomstige toepassing op art. 317 en 318 Sr waarin respectievelijk afpersing en afdreiging strafbaar zijn gesteld. Dit zijn dus relatieve klachtdelicten. Afdreiging is echter – in art. 318 lid 3 Sr – ook aangewezen als absoluut klachtdelict. Dit leidt tot de vraag hoe dit absolute en dit relatieve klachtvereiste zich tot elkaar verhouden.
Van Dorst en Remmelink beschrijven dat art. 318 Sr ingevolge het tweede lid een absoluut klachtdelict is, maar via art. 319 (jo. art. 316 lid 2 Sr) tevens een relatief klachtdelict is. Volgens deze auteurs moet dit zo worden begrepen dat – indien twee zoons hun vader afdreigen – de klacht kan worden beperkt tot één van die zoons, waarna de ander niet kan worden vervolgd. Zij stellen dat de wetssystematiek ook met zich brengt dat, indien reeds een klacht is gedaan en het slachtoffer nadien verneemt dat een van de in art. 316 lid 2 Sr vermelde familieleden verantwoordelijk is voor de daad, het slachtoffer opnieuw een (specifieke tegen dat familielid gerichte) klacht moet indienen.2 In deze visie betreft het dus een absoluut klachtdelict, totdat blijkt dat sprake is van de in art. 316 lid 2 Sr beschreven familiaire relatie en het relatieve klachtvereiste zijn opgeld doet. Vanaf dat moment zal invulling moeten worden gegeven aan de processuele bijzonderheden die uitsluitend gelden voor relatieve klachtdelicten. Zo zal de klacht gericht moeten zijn tegen een bepaald persoon en ontstaat de mogelijkheid de klacht tot een of meerdere daders te beperken.
Het is niet zeker dat deze uitleg van Van Dorst en Remmelink juist is. Het standpunt is niet gestaafd met literatuur of verwijzingen naar jurisprudentie. Het roept tevens de vraag op waarom de processuele bijzonderheden die zijn verbonden aan relatieve klachtdelicten alleen aan dit absolute klachtdelict zijn verbonden en aan geen enkel ander absoluut klachtdelict. Dit voedt de gedachte dat de wet mogelijk anders dient te worden geïnterpreteerd. Zo is het verdedigbaar dat art. 318 Sr simpelweg een absoluut klachtdelict betreft, waarbij meer gewicht toekomt aan het absolute klachtvereiste dat in het artikel zelf (in het derde lid) is vermeld, dan aan het relatieve klachtvereiste dat via een bepaling aan het einde van de titel, waarin wordt verwezen naar een bepaling aan het einde van een andere titel, voorrang wordt verleend. Bij deze uitleg van de wet vindt het relatieve klachtvereiste simpelweg geen toepassing, omdat reeds in alle gevallen een klacht is vereist en de wet niet voorschrijft dat die (ingevolge art. 318 lid 3 Sr vereiste) klacht tegen een specifiek persoon moet zijn gericht en de wet evenmin gelegenheid biedt die klacht tot een of meerdere daders te beperken. In deze visie is het belang van de schakelbepaling in art. 319 Sr ten aanzien van de in art. 318 Sr strafbaar gestelde afdreiging slechts gelegen in het in art. 316 lid 1 Sr neergelegde absolute vervolgingsbeletsel voor de gevallen waarin dader en slachtoffer nog steeds zijn gehuwd. Het in het tweede lid van art. 316 Sr gelegen relatieve klachtvereiste doet, vanwege het absolute klachtvereiste in art. 318 lid 3 Sr, niet ter zake.
Het is onbekend welke van beide lezingen in de rechtspraktijk als heersende leer wordt aangehangen. Er heeft zich immers (voor zover ik heb kunnen nagaan) nog geen rechtszaak voorgedaan waarin is uitgemaakt hoe het absolute en relatieve klachtvereiste bij art. 318 Sr zich tot elkaar verhouden.3 Het gebrek aan rechtspraak op dit punt maakt duidelijk dat dit vraagstuk voor de rechtspraktijk niet van groot belang is. Het feit dat onduidelijkheid bestaat over de verhouding tussen het absolute en relatieve klachtvereiste bij art. 318 Sr voedt echter wel de gedachte dat het gebruik van vele schakelbepalingen bij de aanwijzing van relatieve klachtdelicten – en het brede bereik van art. 316 lid 2 Sr dat daaruit volgt – niet steeds bijdraagt aan duidelijke strafwetgeving.
Het veelvuldige gebruik van schakelbepalingen leidt ook tot problemen bij het inpassen van nieuwe strafbepalingen in de titels waarop het relatieve klachtvereiste van overeenkomstige toepassing is verklaard.4 Dit kan goed worden geïllustreerd met de Wet strafbaarstelling van het deelnemen en meewerken aan training voor terrorisme van 12 juni 2009.5 Deze wet heeft ten doel het instrumentarium in het Wetboek van Strafrecht dat dient ter voorkoming van aanslagen te verbeteren. Daarbij stond de invoering van art. 134a Sr centraal, waarin het deelnemen en meewerken aan training voor terrorisme strafbaar is gesteld. Het gaat meer specifiek om het (trachten te) verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen ten behoeve van terroristische misdrijven of ten behoeve van misdrijven ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf. De terroristische misdrijven waren reeds opgesomd in art. 83 Sr. Ten behoeve van de duiding van de (nieuwe) categorie misdrijven ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf is art. 83b Sr ingevoerd. Onder deze categorie misdrijven is een aantal commune strafbaarstellingen begrepen, zoals bijvoorbeeld diefstal, verduistering en vernieling.6 De wetgever meende echter dat het niet voor de hand lag dit soort commune delicten integraal als ‘terrorist offence’ aan te merken en (via art. 134a Sr) elke training ten behoeve van dit soort delicten strafbaar te stellen. De wetgever beoogde die training immers uitsluitend strafbaar te stellen voor zover deze plaatshad met het oog op het plegen van een terroristisch misdrijf of met het oog op het plegen van een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf.7 Dit heeft ertoe geleid dat een aantal commune strafbepalingen is voorzien van een ‘terrorisme-variant’.
Deze wetgevingsoperatie leidde tot een aanzienlijke uitbreiding van het aantal klachtdelicten. De ‘terrorisme-varianten’ van diefstal (al dan niet met geweld), afpersing, verduistering, oplichting en vernieling zijn immers onder het bereik van een relatief klachtvereiste gebracht.8 Zodoende kan het plegen van bovenvermelde commune feiten ook waar het geschiedt in relatie tot terrorisme slechts worden vervolgd op klacht, indien sprake is van de in art. 316 lid 2 Sr vermelde familiare relatie tussen de dader en het slachtoffer. Dergelijke situaties zijn goed voorstelbaar. Dit betreft bijvoorbeeld de situatie dat een zoon het busje van zijn vader steelt, omdat hij van plan is dit busje te gebruiken voor een (bom)aanslag. In het (gelukkige) geval dat tijdig wordt ingegrepen, is die diefstal niet vervolgbaar zonder een klacht van de vader. Indien die zoon het busje (met hetzelfde terroristische oogmerk) van zijn vader leent en het (anders dan beloofd) niet terugbrengt, kan hij evenmin worden vervolgd op grond van art. 322a Sr.
De wetsgeschiedenis doet vermoeden dat de wetgever zich hier niet van bewust is geweest, nu daarin niet één keer is gerept over het klachtvereiste.9 De achtergrond van deze wetgevingsoperatie sluit ook niet aan op het gedachtegoed dat ten grondslag ligt aan (relatieve) klachtdelicten. Het wetsvoorstel geeft immers uitvoering aan het Verdrag van Warschau van 16 mei 2005 dat ziet op de voorkoming van terrorisme.10 In de toelichting op het wetsvoorstel is vermeld dat ‘het voorkomen van terroristische aanslagen centraal staat’.11 Dat geschiedt bij uitstek in het algemeen belang. Tegen deze achtergrond bezien is het onwenselijk dat – in geval van het bestaan van een bepaalde familiaire relatie tussen dader en slachtoffer – via het klachtvereiste voorrang wordt verleend aan het persoonlijke belang van het slachtoffer boven het algemeen belang dat bestaat bij vervolging. De wetgever heeft zich er onvoldoende rekenschap van gegeven dat het bereik van het relatieve klachtvereiste zich via schakelbepalingen ver uitstrekt. Zodoende bevat het Wetboek van Strafrecht een reeks aan strafbepalingen die hoofdzakelijk dienen ter bescherming van algemene belangen, maar die desondanks onder het brede bereik van het relatieve klachtvereiste vallen.
In paragraaf 2.1.2 is – ter verantwoording van het daarin gepresenteerde overzicht met klachtdelicten – reeds benoemd dat formeel ook strafbepalingen onder het bereik van art. 316 lid 2 Sr vallen waarop het relatieve klachtvereiste niet van toepassing kan zijn. Dit betreft die strafbare feiten die uitsluitend tegen (overheids)instanties of tegen niemand in het bijzonder worden gepleegd.12 Tevens blijkt dat het relatieve klachtvereiste raakt aan strafbaarstellingen die hoofdzakelijk dienen ter bescherming van algemene belangen, waardoor het onwenselijk is het relatieve klachtvereiste toepassing vindt. Deze constateringen leiden tot de vraag of het (met het oog op een overzichtelijke wetssystematiek) niet beter is om de relatieve klachtdelicten anders aan te wijzen. Overwogen kan worden in één wetsartikel aan te geven welke strafbepalingen worden beheerst door het absolute vervolgingsbeletsel en het relatieve klachtvereiste die thans in art. 316 Sr zijn opgenomen. In hoofdstuk 7 worden – mede in het licht van de overige bevindingen die volgen uit dit onderzoek – concrete voorstellen gedaan voor aanpassing van de aanwijzingssystematiek van klachtdelicten.