Einde inhoudsopgave
De rol van Nederlandse werknemers(vertegenwoordigers) bij een grensoverschrijdende juridische fusie (VDHI 119) 2013/6.3.5.1
6.3.5.1 Een verwatering van Nederlandse medezeggenschapsrechten
mr. F.G. Laagland, datum 15-07-2013
- Datum
15-07-2013
- Auteur
mr. F.G. Laagland
- JCDI
JCDI:ADS383743:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Het kan zelfs zo zijn dat na de fusie aan de Nederlandse werknemers geen enkel medezeggenschapsrecht wordt toegekend. Dit is het geval indien de Nederlandse werknemers een te gering percentage van het totale werknemersbestand uitmaken. Bij een inbound fusie is het risico hierop overigens gering, omdat art. 1:32 WRW de tweede zetel alsnog aan Nederland toekent indien toepassing van de hoofdregel niet tot de toekenning van een zetel leidt.
De ‘hoogste aantal-doctrine’ bewerkstelligt dat het hoogste aantal medezeggenschapsrechten behouden blijft. De manier van uitoefenen wijzigt wel. De referentievoorschriften verdelen de medezeggenschapsrechten over de lidstaten waar de uit de fusie ontstane vennootschap vestigingen en dochtervennootschappen met werknemers heeft. Vanuit het perspectief van de Nederlandse werknemer kan het voorkomen dat zijn invloed afneemt. Een voorbeeld ter verduidelijking:
Een Belgische BVBA (verkrijgende vennootschap) met 500 werknemers fuseert met een Nederlandse structuur-BV (verdwijnende vennootschap) met 800 werknemers. Van deze 800 werknemers zijn er 300 in Nederland en 500 in Duitsland werkzaam. De Nederlandse vennootschap werkt met een dualistische bestuursstructuur. De ondernemingsraad oefent voorafgaand aan de fusie via het (versterkte) aanbevelingsrecht invloed uit op de samenstelling van de raad van commissarissen in de Nederlandse structuur-BV. De referentievoorschriften wijzen de Nederlandse structuurbevoegdheden aan als het proportioneel hoogste aantal medezeggenschapsrechten. Dit proportionele aantal wordt van toepassing op de uit de fusie ontstane Belgische vennootschap. De Belgische vennootschap werkt met een monistische bestuursstructuur bestaande uit een bestuursorgaan met drie bestuurders. De leidinggevende taken liggen bij een directiecomité. De drie aanbevelingsrechten met betrekking tot het bestuursorgaan worden verdeeld over de lidstaten waar de uit de fusie ontstane vennootschap dochtervennootschappen en vestigingen heeft met werknemers. Dit houdt in dat aan de werknemers werkzaam in Nederland, Duitsland en België ieder één aanbevelingsrecht toekomt. De werknemers uit twee lidstaten krijgen een algemeen aanbevelingsrecht en de werknemers uit één lidstaat krijgen een verstrekt aanbevelingsrecht toegekend.
De Nederlandse werknemers moeten de aanbevelingsrechten na de fusie delen met hun Europese collega’s. Kwantitatief leidt de systematiek niet tot een afname van de medezeggenschap; het aantal aanbevelingsrechten blijft gelijk. Vanuit het perspectief van de Nederlandse werknemers treedt kwalitatief echter wel een verarming van medezeggenschap op. Na de fusie oefenen de Nederlandse werknemers niet langer het gehele scala aan medezeggenschap uit maar nog slechts een fractie daarvan.1 Het valt bovendien te verwachten dat de leden op wier benoeming de medezeggenschap betrekking heeft, zullen handelen vanuit de visies en tradities van het land waaruit zij afkomstig zijn. Dat geldt te meer nu de uitoefening van het medezeggenschapsrecht is overgelaten aan het recht van de lidstaat waar de werknemers (vertegenwoordigers) aan wie het betreffende medezeggenschapsrecht is toegekend, werkzaam zijn. De laatste zin van bijlage 3 (b) derde alinea van de bijlage van de SE-Richtlijn bepaalt dat ‘Elke lidstaat kan bepalen hoe de aan hem toegewezen zetels in het toezichthoudend of het bestuursorgaan worden verdeeld’. Deze zinsnede is ontleend aan de EOR-Richtlijn. Het implementatierecht van iedere lidstaat als zodanig regelt aan wie het actief en passief kiesrecht toekomt bij de uitoefening van het medezeggenschapsrecht door de werknemers die binnen hun landsgrenzen werkzaam zijn. Hieronder valt ook de persoon die wordt benoemd dan wel aanbevolen.
Een ander aspect heeft betrekking op de verdeling van de medezeggenschapsrechten. Welke werknemers krijgen welk medezeggenschapsrecht toegekend? In het bovengenoemde voorbeeld zijn te verdelen: één versterkt en twee algemene aanbevelingsrechten. De werknemers(vertegenwoordigers) uit de betreffende lidstaten zullen doorgaans de voorkeur hebben voor een versterkt aanbevelingsrecht, nu een dergelijk recht hun meer invloed geeft binnen de vennootschap dan een algemeen aanbevelingsrecht. Het lijkt mij redelijk dat voor de verdeling van de medezeggenschapsrechten wordt aangesloten bij de rangorde van de in de Tiende Richtlijn neergelegde verdelingssystematiek. Dit houdt in dat de werknemers (vertegenwoordigers) uit een lidstaat die als eerste een zetel krijgen toegekend, kunnen kiezen welke medezeggenschapsrecht zij prefereren. Vervolgens komen de werknemers(vertegenwoordigers) uit de opvolgende lidstaten aan de beurt, net zolang totdat er geen keuze meer te maken is. Deze uitkomst doet recht aan de gedachte dat de lidstaat waar proportioneel de meeste werknemers werkzaam zijn het grootste belang vertegenwoordigt in de uit de fusie ontstane vennootschap. De uitleg heeft in het bovengenoemde voorbeeld tot gevolg dat aan de Nederlandse werknemers na de fusie nog slechts een algemeen aanbevelingsrecht toekomt. Een mogelijk alternatief is dat het verstrekte aanbevelingsrecht bij toebeurt wisselt. De verdeling geschiedt de eerste keer op de wijze zoals ik hiervoor heb uiteengezet. Nadat de werknemers uit de drie lidstaten hun aanbevelingsrecht hebben uitgeoefend, komt het verstrekte aanbevelingsrecht toe aan de werknemers uit de lidstaat met het op één na hoogste aantal werknemers. Deze systematiek vergt wat gepuzzel, maar leidt tot een billijker uitkomst dan wanneer het verstrekte aanbevelingsrecht structureel aan de werknemers uit één lidstaat wordt toegekend.