Einde inhoudsopgave
Omzetting van rechtspersonen (FM nr. 129) 2008/3.5.2
3.5.2 Afwijzingsbevoegdheid
Dr. J.L. van de Streek, datum 01-09-2008
- Datum
01-09-2008
- Auteur
Dr. J.L. van de Streek
- JCDI
JCDI:ADS496413:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Vennootschapsbelasting (V)
Vennootschapsbelasting / Omzettingsregeling
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zo kan de inspecteur een verzoek tot beëindiging van een fiscale eenheid ex art. 15 lid 6 onderdeel d Wet VPB 1969 zelfs niet weigeren indien sprake is van onbedoelde fiscale voordelen. Zie Kamerstukken II 2000/01, 26 854, nr. 6, p. 17.
Richtlijn 90/434/EEG van de Raad van de EG van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor fusies, splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschillende lidstaten en voor de verplaatsing van de statutaire zetel van een SE of SCE van een lidstaat naar een andere lidstaat, laatstelijk gewijzigd 17 februari 2005, PbEU L 58.
De redactie van Vakstudie Nieuws lijkt overigens het discretionaire karakter over het hoofd te zien door in haar aantekening op de voorloper van dit besluit, te weten het Besluit van 9 januari 2002, nr. CPP2002/82M, V-N 2002/12.25 op te merken: ‘Overigens zou men op basis van de wettekst bij iedere omzetting van een rechtspersoon op de voet van art. 2:18 BW een verzoek kunnen doen om dit geruisloos te laten verlopen.’
H.D. van Wijk, W. Konijnenbelt & R.M. van Male, Hoofdstukken van Bestuursrecht, Den Haag: Elsevier 2005, p. 142.
De auteurs plaatsen hier de volgende noot: Deze twee soorten vragen, de of-vraag en de hoe-vraag, vormen een beroemd koppel. In de tijd van Thomas van Aquino, toen het geleerde deel der natiën zich in het Latijn uitdrukte, placht men te spreken van id quod (‘dat wat’) respectievelijk de modus quo (‘wijze waarop’).
De auteurs plaatsen hier de volgende noot: Het meest uitgewerkt: Duk, RMThemis 1988, p. 157. Op zijn voetspoor: Nicolaï & Damen in: Damen e.a., Bestuursrecht 1, p. 288 e.v.
H.D. van Wijk, W. Konijnenbelt & R.M. van Male, Hoofdstukken van Bestuursrecht, Den Haag: Elsevier 2005, p. 143-144.
Opmerkelijk is dat de Staatssecretaris van Financiën niet gehouden lijkt mee te werken aan een fiscale begeleide omzetting. De in art. 28a lid 3 Wet VPB 1969 opgenomen bevoegdheid van de staatssecretaris tot het buiten aanmerking laten van de consequenties voor de heffing van inkomsten-, vennootschaps- en dividendbelasting, heeft blijkens de wettekst een discretionair karakter.1 Art. 28a lid 3 Wet VPB 1969 bevat immers slechts de bevoegdheid van de Staatssecretaris van Financiën tot het geven van een beschikking. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld de beschikkingsplicht ter zake van een verzoek tot een geruisloze inbreng ex art. 3.65 Wet IB 2001, of een verzoek tot de totstandkoming en de beëindiging van een fiscale eenheid ex art. 15 Wet VPB 1969.2 De beschikkingsbevoegdheid bij andere reorganisatiefaciliteiten, zoals bijvoorbeeld de faciliëring van de bedrijfsfusie ex art. 14 lid 2 Wet VPB 1969, de juridische fusie ex art. 14a lid 3 Wet VPB 1969 en juridische splitsing ex art. 14b lid 3 Wet VPB 1969 heeft een gebonden karakter. Slechts indien de bedrijfsfusie, juridische fusie of juridische splitsing in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing, kan de Staatssecretaris van Financiën een verzoek om fiscale begeleiding afwijzen. Hoewel deze weigeringsgrond een Europeesrechtelijke achtergrond heeft, te weten de Fusierichtlijn, komt het mij voor dat de staatssecretaris evenmin zijn medewerking wenst te verlenen aan een omzetting die is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing.3
De staatssecretaris gaat echter (veel) verder. Op grond van het Besluit van 9 maart 2006, nr. CPP2005/2571M, BNB 2006/146, onderdeel 5 wijst hij, ongeacht het aan de omzetting ten grondslag liggende motief, integraal de fiscale begeleiding af van een omzetting van een BV of NV in een coöperatie vanwege het verloren gaan van de claim uit hoofde van de Wet DB 1965 (zie over deze uitsluiting uitgebreid par. 5.4.1).4 Door claimverlies in de dividendbelasting weigert hij dus óók de omzetting overigens in de sfeer van de inkomsten- en vennootschapsbelasting te begeleiden. Uit de praktijk is mij bekend dat de staatssecretaris om dezelfde reden terughoudend is zijn medewerking te verlenen aan een geruisloze omzetting van een BV in een stichting (zie uitgebreid par. 4.3.2 hierna). Vermoedelijk heeft hij moeite met alle verzoeken op de voet van art. 28a lid 3 Wet VPB 1969 die een omzetting betreffen van een voor de heffing van dividendbelasting inhoudingsplichtig lichaam, te weten een BV of een NV, in een niet als zodanig inhoudingsplichtig lichaam, te weten een stichting, vereniging, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij.
De vraag rijst onder welke omstandigheden gesteld kan worden dat de Staatssecretaris van Financiën de fiscale begeleiding (on)terecht afwijst in het licht van de beginselen van behoorlijk bestuur. In het bijzonder kan een afwijzende beschikking worden getoetst aan het in art. 3:4 AWB opgenomen evenredigheidsbeginsel en de in art. 3:46 AWB opgenomen motiveringsverplichting. In dit verband moet een onderscheid worden gemaakt tussen (i) beoordelingsruimte en (ii) beleidsruimte. Het komt erop neer dat een afwijzende beschikking ex art. 28a lid 3 Wet VPB 1969 de uitoefening van beoordelingsruimte betreft die slechts marginaal aan deze twee beginselen kan worden getoetst. Van Wijk, Konijnenbelt en Van Male merken het volgende op:5
‘Bij nader toezien blijkt echter dat er op zijn minst sprake is van twee typen mogelijke beslissingsruimte: in de eerste plaats ruimte om te beslissen óf een bestuursbevoegdheid überhaupt zal worden gebruikt, en in de tweede plaats – aangenomen dat het antwoord op de eerste vraag bevestigend luidt – hóe de bevoegdheid dan zal worden gehanteerd, welk gebruik ervan zal worden gemaakt.6 In een spraakgebruik dat teruggaat op Duk,7 kan hier worden onderscheiden tussen beoordelingsruimte en beleidsruimte. Beoordelingsruimte betreft de vraag hoe nauwkeurig de wetgever de condities heeft omschreven waaronder een bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid moet of mag gebruiken; de of-vraag derhalve. Hoe preciezer deze voorwaarden zijn omschreven, des te geringer is de beoordelingsruimte die voor het bestuursorgaan overblijft.
Beleidsruimte treffen we dan aan als er ruimte is om de bevoegdheid, aangenomen dat ervan gebruik kan of moet worden gemaakt, op verschillende wijzen te hanteren, kortom wanneer de inhoud van het te nemen besluit niet geheel door de wetgever wordt gedicteerd; de hoe-vraag dus. Bijvoorbeeld hoe de bouwverordening zal luiden, of een aangevraagde vergunning krachtens de Drank- en Horecawet om een café te drijven zal worden verleend, en zo ja welke voorschriften eraan zullen worden verbonden.’
Of een afwijzende beschikking ex art. 28a lid 3 Wet VPB 1969 rechtmatig is, hangt af van de mate van de zogenoemde ‘beoordelingsruimte’ die de wetgever aan de Staatssecretaris van Financiën heeft gegeven. De tekst van art. 28a lid 3 Wet VPB 1969 suggereert totale beoordelingsvrijheid. Van Wijk, Konijnenbelt, en Van Male merken over de beoordelingsvrijheid het volgende op:8
‘Soms heeft deze beoordelingsruimte het karakter van beoordelingsvrijheid; dat wil zeggen dat de beantwoording van de vraag of de toepasselijkheidscondities aanwezig zijn, bewust aan het inzicht van het bestuursorgaan is overgelaten, met als consequentie dat een rechter die het op basis van de bevoegdheid genomen besluit moet toetsen, dat slechts marginaal mag doen. Dat wil zeggen dat de rechter het oordeel van het bestuursorgaan dat aan de toepassingscondities is voldaan (of dat er niet aan is voldaan), niet reeds mag vernietigen als de rechter anders zou hebben beslist wanneer hij in plaats van het bestuursorgaan de beslissing had moeten nemen. Tot vernietiging mag de rechter pas overgaan wanneer hij de opvatting van het bestuursorgaan over de toepasselijkheidscondities kennelijk onredelijk vindt, indien hij meent dat het bestuursorgaan in redelijkheid niet tot zijn oordeel heeft kunnen komen.’
In art. 28a lid 3 Wet VPB 1969 heeft de wetgever géén toepasselijkheidscondities opgenomen. In plaats daarvan mag de Staatssecretaris van Financiën zelf bepalen of hij gebruikmaakt van de bevoegdheid om een omzetting op verzoek fiscaal te begeleiden. Dit leid ik af uit het feit dat de beschikkingsbevoegdheid ex art. 28a lid 3 Wet VPB 1969 in de zogenoemde ‘kan-vorm’ is gegoten. Uit de (summiere) wetsgeschiedenis valt mijns inziens (ook) niet af te leiden dat de Staatssecretaris van Financiën gehouden zou zijn om zonder meer te voldoen aan een verzoek om fiscale begeleiding (zie over de wetsgeschiedenis par. 3.4 hiervóór). Wellicht is nog verdedigbaar dat uit de aard van art. 28a Wet VPB 196 voortvloeit dat de Staatssecretaris van Financiën geen of een zeer beperkte beoordelingsvrijheid toekomt gelet op de ingrijpende gevolgen die optreden indien de omzetting niet fiscaal wordt gefacilieerd, te weten een fictieve liquidatie van de omzettende rechtspersoon. Maar dat argument acht ik niet (erg) sterk. Een en ander betekent dat een afwijzende beschikking ex art. 28a lid 3 Wet VPB 1969 slechts door de rechter kan worden vernietigd indien de afwijzing van het verzoek om fiscale begeleiding kennelijk onredelijk is. In paragraaf 4.3.2 en paragraaf 5.4.1 hierna verdedig ik dat de Staatssecretaris van Financiën onder omstandigheden de fiscale begeleiding van de omzetting van een BV of NV in een stichting respectievelijk in een coöperatie in redelijkheid niet kan afwijzen.
Voor de goede orde wijs ik er nog op dat als de Minister van Financiën eenmaal gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid ex art. 28a lid 3 Wet VPB 1969 om een omzetting fiscaal te begeleiden, de voorwaarden die hij in dit verband stelt niet slechts marginaal door de rechter kunnen worden getoetst. De te stellen voorwaarden moeten binnen de in art. 28a lid 3 Wet VPB 1969 opgenomen beleidsruimte blijven: zij mogen niet verder gaan dan de verzekering van de heffing en de invordering van de belastingen. Voorts moeten de voorwaarden integraal voldoen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals art. 3:3 AWB en art. 3:4 AWB, alsmede aan ongeschreven rechtsregels en algemene rechtsbeginselen (vergelijk het voor art. 15 (oud) Wet VPB 1969 gewezen arrest HR 21 maart 2001, nr. 35.425, BNB 2001/ 329c*, zie ook par. 3.5.4.4).
Uit niets blijkt dat als voorwaarde voor een geslaagd verzoek om fiscale begeleiding ex art. 28a lid 3 Wet VPB 1969 geldt dat de omzettende rechtspersoon een materiële onderneming ex art. 3.4 Wet IB 2001 dient te drijven. Het feit dat de Staatssecretaris van Financiën in het Besluit van 9 maart 2006, nr. CPP2005/2571M, BNB 20062006/146, onderdeel 7 met betrekking tot de omzetting van een stichting of een vereniging in een BV of NV slechts een mandaat aan inspecteurs heeft verleend om de omzetting zelf af te doen indien de desbetreffende stichting of vereniging ‘volledig is belast’, komt ook niet de facto neer op een ‘materiële ondernemingseis’. In andere gevallen is fiscale begeleiding namelijk geenszins uitgesloten. Wél is het zo dat als een BV, NV, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij geen materiële onderneming drijft of niet in concurrentie treedt, de omzetting in een stichting of vereniging de facto voor de heffing van vennootschapsbelasting niet kan worden begeleid. Dit omdat de boekwaarden niet kunnen worden doorgeschoven wegens het niet-belastingplichtig zijn van de stichting of vereniging (art. 2 lid 1 onderdeel e juncto art. 4 onderdeel a Wet VPB 1969). In zoverre is het drijven van een materiële onderneming een voorwaarde voor het fiscaal (kunnen) begeleiden van de omzetting.