Ambtshalve toepassing van EU-recht
Einde inhoudsopgave
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/2.13.1:2.13.1 De partijautonomie
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/2.13.1
2.13.1 De partijautonomie
Documentgegevens:
Mr. A.G.F. Ancery, datum 01-08-2012
- Datum
01-08-2012
- Auteur
Mr. A.G.F. Ancery
- JCDI
JCDI:ADS305841:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
70
De Nederlandse civiele procedure is voor een groot deel gebaseerd op het beginsel van partijautonomie en het daarmee spiegelende lijdelijkheidsbeginsel. In meerdere facetten van de procedure komt dat naar voren. Zo is de rechter gebonden aan de ingediende vordering. De partijen bepalen dus of er wordt geprocedeerd en, zo ja, waarover die procedure handelt. Waar het beginsel van partijautonomie ook tot uitdrukking komt, is in de rechtsstrijd waar de rechter niet buiten mag treden. Alleen de feiten die door partijen aan de rechter worden aangereikt door het aan de vordering of verweer ten grondslag leggen van deze feiten, mogen door de rechter worden gebruikt.
Het is niet vreemd dat het beginsel van partijautonomie een grote rol speelt in het Nederlandse civiele recht. Immers, het materiële burgerlijk recht is gebaseerd op de gedachte dat partijen vrij zijn om met elkaar af te spreken wat zij wensen af te spreken. Als deze materieelrechtelijke partijautonomie (vgl. contracteervrijheid) niet zou worden doorgetrokken naar het burgerlijk procesrecht, dan komt er van de partijautonomie per saldo weinig terecht. Tegelijkertijd betekent dit dat de partijautonomie eindigt waar het materiële recht partijen niet langer de vrijheid laat om de rechtsgevolgen van hun rechtsverhouding naar believen te regelen. Overigens eindigt de autonomie slechts voor een van de partijen, omdat de inperking van de autonomie van die partij juist bijdraagt aan de autonomie van de andere partij.
71
Bij het voorgaande dient te worden aangetekend dat de concrete invulling van het beginsel van partijautonomie de Nederlandse benadering is. In andere landen kent men – zo zal hierna nog blijken – eveneens beginselen als de lijdelijkheid van de rechter en de partijautonomie, maar is de invulling daarvan anders. Het is daarom van belang om te bezien op welke basisgedachte deze beginselen zijn gebaseerd, naar aanleiding waarvan kennelijk een breed palet aan concrete invullingen van het beginsel van partijautonomie en het lijdelijkheidsbeginsel kunnen bestaan. Deze basisgedachte vormt artikel 6 EVRM.