Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/7.3.7.2
7.3.7.2 Bestuursbesluit in het Curaçaose enquêterecht
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS373439:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Gemeenschappelijk Hof 12 december 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:147 (Le Rouge/The Yellow House Jewelry).
Publicatieblad 2011, 66, LANDSVERORDENING van de 15de december 2011 tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (Landsverordening herziening Boek 2 BW), p. 4, verder: ‘Publicatieblad 2011, 66, Landsverordening herziening Boek 2 BW’.
Publicatieblad 2011, 66, LANDSVERORDENING van de tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (Landsverordening herziening Boek 2 BW), MEMORIE VAN TOELICHTING, No. 3, p. 7, sub 4, verder: ‘Publicatieblad 2011, 66, Landsverordening herziening Boek 2 BW, no. 3 (MvT)’.
Publicatieblad 2011, 66, Landsverordening herziening Boek 2 BW, no. 3 (MvT), p. 7, sub 4 en p. 24, sub 17.
Gemeenschappelijk Hof 12 december 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:147 (Le Rouge/The Yellow House Jewelry), r.o. 3.5.
Vgl. OK 15 mei 1997, JOR 1998/166; NJ 1998/517 (Hoffman). Zie Gemeenschappelijk Hof 12 december 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:147 (Le Rouge/The Yellow House Jewelry), r. o. 2.8.
Gemeenschappelijk Hof 12 december 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:147 (Le Rouge/The Yellow House Jewelry), r.o. 2.9.
Gemeenschappelijk Hof 12 december 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:147 (Le Rouge/The Yellow House Jewelry), r.o. 2.10.
Het vereiste van een bestuursbesluit vormt ook het uitgangspunt bij de toepassing van het Curaçaose enquêterecht. In de Le Rouge/The Yellow House Jewelry-zaak verzoekt een van de twee bestuurders van de moedervennootschap een enquête bij de twee Curaçaose dochtervennootschappen.1 Het enquêteverzoek wordt dus gedaan in hoedanigheid van aandeelhouder. De verzoekende bestuurder van de moedervennootschap zit ook in het bestuur van de dochtervennootschappen, maar kan in die hoedanigheid niet rechtstreeks een enquête bij de dochters verzoeken. Anders dan in het Nederlandse enquêterecht, beschikt de vennootschap zelf in het Curaçaose enquêterecht niet over de enquêtebevoegdheid. Niettemin is de redenering van het Hof in deze uitspraak evengoed toepasbaar op de situatie waarin een bestuurder namens de vennootschap waar hij bestuurder is een enquêteverzoek zou indienen.
De meerderheidsaandeelhouder van twee Curaçaose vennootschappen verzoekt zoals gezegd om enquête, maar een geldig bestuursbesluit tot het doen van het enquêteverzoek ontbreekt. De twee Curaçaose dochtervennootschappen betogen dat de moedervennootschap niet ontvankelijk moet worden verklaard, omdat er geen geldig bestuursbesluit tot de indiening van het enquêteverzoek is genomen. De medebestuurder van de moedervennootschap is namelijk tegen de indiening van het enquêteverzoek bij de dochtervennootschappen. Hij is tevens medebestuurder bij die dochters. In die hoedanigheid voert hij (samen met de derde bestuurder van de dochtervennootschappen) verweer tegen het enquêteverzoek.
Het Curaçaose BW bepaalt dat individuele bestuurders hun bevoegdheden uitoefenen met inachtneming van de besluiten van het bestuur (art. 2:8 lid 2 laatste volzin CBW).2 Uit de memorie van toelichting bij dit artikel blijkt dat deze bepaling berust op de gedachte dat het bestuur als college optreedt en uiteindelijk als college verantwoordelijkheid draagt.3Art. 2:10 lid 2 CBW stelt vervolgens buiten twijfel dat beperkingen in de bestuursbevoegdheid doorwerken in de vertegenwoordigingsbevoegdheid, aldus de memorie van toelichting bij dit artikel, waar ook tot uitdrukking komt dat het in Nederland geldende richtlijnstelsel niet is overgenomen.4 In zoverre wijkt het recht van Curaçao dus af van dat van Nederland.
Het Hof is van oordeel dat dit samenstel van Curaçaose wetsbepalingen de bestuursbevoegdheid en vertegenwoordigingsbevoegdheid van de verzoekende bestuurder van de moedervennootschap aldus beperkt dat hij in het algemeen niet bevoegd is tegen de kennelijke wil van zijn medebestuurder de moedervennootschap te besturen of te vertegenwoordigen. Hij is dus ook niet bevoegd om tegen de wil van zijn medebestuurder namens de moedervennootschap een enquêteverzoek in te (laten) dienen.5 Het Hof overweegt voorts dat een beroep op het ontbreken van een geldig bestuursbesluit tot de indiening van een enquêteverzoek onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn, en verwijst daarbij naar de (eerder door mij besproken) Hoffmann-beschikking.6 Daarvan is volgens het Hof in het onderhavige geval echter geen sprake, nu er andere (redelijke) manieren zijn om de impasse tussen de aandeelhouders te doorbreken, de dagelijkse gang van zaken niet zo acuut negatief door de impasse wordt beïnvloed dat ingrijpen noodzakelijk is en de impasse niet overwegend aan één partij te wijten is.7 Het Hof merkt nog op dat als het uitsluitend of in overwegende mate aan de medebestuurder te wijten is dat de impasse is ontstaan, dat in beginsel kan bijdragen aan het oordeel dat een beroep op het ontbreken van een geldig bestuursbesluit, wegens het ontbreken van de medewerking van diezelfde medebestuurder, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.8 Met andere woorden, als het enquêteverzoek zich mede richt op het gedrag van de medebestuurder dan is een beroep van die medebestuurder op het ontbreken van een bestuursbesluit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, omdat die medebestuurder anders de indiening van het enquêteverzoek en daarmee een onderzoek naar zijn eigen handelen kan frustreren. Dit bepleit ik naar Nederlands recht reeds ingeval een bestuurder een enquêteverzoek namens de vennootschap zelf indient (§ 7.3.7.1).
Het uitgangspunt in het Curaçaose enquêterecht is aldus eveneens dat een bestuursbesluit ten grondslag ligt aan een enquêteverzoek (van een moedervennootschap bij een dochtervennootschap). Een uitzondering op dat vereiste is aanvaardbaar wanneer vanwege een misstand bij de (moeder)vennootschap het bestuur niet komt tot besluitvorming over het indienen van het enquêteverzoek bij de (dochter)vennootschap, en die misstand ook aan het enquŒteverzoek ten grondslag wordt gelegd.