Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/10.4.6.4
10.4.6.4 Zakelijke overwegingen in de jurisprudentie
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491581:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hof Amsterdam, V-N 1995, p. 2303, punt 13. Dit hof heeft prejudiciële vragen gesteld en deze zijn beantwoord in HvJ EG, C-28/95 (Leur-Bloem), BNB 1998/32. De eindbeslissing is Hof Amsterdam, BNB 1998/398.
Eén van de vragen was of aan het Hof van Justitie vragen over de uitleg van de Fusierichtlijn kunnen worden gesteld indien sprake is van een zuiver nationale situatie waarop de Fusierichtlijn geen betrekking heeft, maar die de nationale wetgever hetzelfde wenst te behandelen als gevallen die wel onder de Fusierichtlijn vallen. Zie daarover onderdeel 4.4.2.
Zie punt 36 t/m 47.
Het Hof van Justitie verwijst hierbij naar art. 2 Fusierichtlijn (waarin de Fusierichtlijntransacties zijn opgenomen) en naar het algemene stelsel van de Fusierichtlijn. Deze rechtsoverweging vormde de opmaat voor het oordeel (i) dat de Fusierichtlijn niet eist dat de overnemende (houdster)vennootschap een materiële onderneming drijft en (ii) dat de materiële fusie-eis in strijd was met de Fusierichtlijn.
Zie ook HvJ EG, C-285/07 (A.T.), V-N 2009/5.14, punt 31, HvJ EU, C-352/08 (Zwijnenburg), BNB 2010/257, punt 44, HvJ EU, C-126/10 (Foggia), BNB 2012/5, punt 37 en HvJ EU, C-14/16 (Euro Park Service), V-N 2017/17.12, punt 55.
Vgl. ook HvJ EU, C-14/16 (Euro Park Service), V-N 2017/17.12, punt 24.
Hof Amsterdam, BNB 1998/398, rechtsoverweging 5.3.
In de literatuur is ten onrechte gesteld dat in deze zaak - in Fusierichtlijntermen - een hoofddoel tot belastingontwijking (misbruik) aan de orde was, zodat de aandelenfusiefaciliteit niet gold. Zie Redactionele aantekening, V-N 2012/34.16.
Hof Amsterdam, V-N 2002/20.10. Het ging ook in dit geval over een aandeelhouderssplitsing. Zie onderdeel 2.8.2, onder e. In Hof Den Haag, V-N 2002/42.15 bestond verschil van inzicht tussen twee broers. Ook daar werd de oplossing gezocht in de aandeelhouderssplitsing. De stelling van de inspecteur dat alleen sprake is van zakelijke overwegingen indien de continuïteit van de onderneming van de splitsende rechtspersoon in gevaar is, werd door dit hof verworpen. Deze zaak vertoont enige gelijkenis met HR BNB 2012/261 (zie daarover onderdeel 10.4.5). In dat arrest was de splitsing echter feitelijk een uitkoop van een aandeelhouder. In de zaak van Hof Den Haag achtte het hof onvoldoende feitelijke gronden aanwezig om tot het oordeel te komen dat de splitsing de facto een uitkoop was. Het hof achtte de splitsing zakelijk.
Zie rechtsoverweging 5.2.6.
Het oordeel van het hof over het zodanig uitstellen van belastingheffing is besproken in onderdeel 10.4.5.6.
Rechtsoverweging 5.3.3. De uitspraak is daarmee in lijn met HvJ EG, C-28/95 (Leur-Bloem), BNB 1998/32, punt 39-40. Vgl. ook HR BNB 2000/111, waarin een advocaat een aandelenfusie doorvoerde om te voorkomen dat een BV nog succesvol aansprakelijk kon worden gesteld voor de praktijkuitoefening van een advocatenmaatschap. Zie onderdeel 10.4.8.
Hof Amsterdam, V-N 2004/57.9.
Die verbetering zou volgens X worden veroorzaakt door kostenbesparingen (onder meer lagere provisies) en door een hoger rendement (door meer gespreid te kunnen beleggen).
Zie rechtsoverweging 5.4.
In andere zin Hof Arnhem-Leeuwarden, V-N 2020/7.16, rechtsoverweging 4.7. Zie ook onderdeel 10.4.6.5.
Zie rechtsoverweging 5.5.
De zienswijze van de wetgever is in onderdeel 10.4.6.3 behandeld.
HvJ EU, C-126/10 (Foggia), BNB 2012/5.
Vgl. ook art. 6 Fusierichtlijn.
De kernoverwegingen zijn punt 34 t/m 51.
Vgl. ook HvJ EU, C-352/08 (Zwijnenburg), BNB 2010/257, punt 46.
Zie ook HvJ EG, C-28/95 (Leur-Bloem), BNB 1998/32, punt 47.
HvJ EU, C-14/16 (Euro Park Service), V-N 2017/17.12.
Aan de verhouding tussen de antimisbruikbepaling uit de Fusierichtlijn en het primaire EU-recht is al aandacht besteed in onderdeel 10.4.2. In deze zaak oordeelde het Hof van Justitie ook nog dat de Franse procedurevoorschriften niet voldeden aan het rechtszekerheidsbeginsel zodat het doeltreffendheidsbeginsel niet werd gerespecteerd. Zie punt 46.
Punt 50.
Zie punt 54 t/m 56.
Punt 53.
Aldus ook Boomsluiter, WFR 2018/60.
Deze splitsingsvariant is besproken in onderdeel 2.8.2, onder e.
Art. 15, lid 1, onderdeel h, Wet BRV 1970 jo. art. 5c UB BRV 1971.
Hof Arnhem-Leeuwarden, V-N 2020/7.16, rechtsoverwegingen 4.7 en 4.8. De redenering van het hof lijkt te zijn geïnspireerd op uitlatingen die zijn gedaan in de wetsgeschiedenis. Ik verwijs naar het citaat in onderdeel 10.4.6.3.
Zie Van der Burgt, WPNR 2020/7278 en Van der Velden & Visser, WFR 2020/15, onderdeel 4.1.
De Hoge Raad heeft de zaak verwezen naar Hof ’s-Hertogenbosch.
De eerste zaak die relevant is voor de terminologie zakelijke overwegingen is Leur-Bloem.1 In de uitgangssituatie hield mevrouw Leur-Bloem in privé twee a.b.-pakketten. Zij was van plan de twee a.b.-pakketten door middel van een aandelenfusie in te brengen in een niet-actieve houdstervennootschap. Vervolgens zouden de drie vennootschappen een fiscale eenheid vennootschapsbelasting aangaan, zodat automatisch jaarlijks resultaatsaldering zou plaatsvinden.
Destijds was een fiscaal gefaciliteerde aandelenfusie uitsluitend mogelijk als de ondernemingen van de betrokken vennootschappen in financieel en economisch opzicht duurzaam in een eenheid werden samengebracht; de materiële fusie-eis. Omdat de overnemende vennootschap geen materiële onderneming dreef, maar een niet-actieve houdstervennootschap was, werd hieraan niet voldaan. Hof Amsterdam stelde daarom een reeks prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.2 De belangrijkste materieelrechtelijke rechtsoverwegingen van het Hof van Justitie zijn als volgt:3
De fiscale voordelen uit de Fusierichtlijn zijn zonder onderscheid van toepassing op elke transactie uit de Fusierichtlijn, ongeacht om welke redenen de betreffende transactie plaatsvindt en of deze van financiële, economische of zuiver fiscale aard is.4
De lidstaten mogen echter de bepalingen uit de Fusierichtlijn geheel of gedeeltelijk buiten toepassing laten op grond van de antimisbruikbepaling (art. 15 Fusierichtlijn). Daarvoor is vereist dat de Fusierichtlijntransactie als hoofddoel of een van de hoofddoelen belastingfraude of belastingontwijking heeft (misbruik). Daarbij mogen de lidstaten gebruikmaken van een bewijsvermoeden: de transactie wordt geacht een misbruikachtergrond te hebben indien deze niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen. Afwezigheid van zakelijke overwegingen levert dus een vermoeden van misbruik op.
Bij het onderzoek of bij de Fusierichtlijntransactie sprake is van een hoofddoel tot belastingfraude of -ontwijking kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten zich er niet toe beperken vooraf vastgestelde criteria toe te passen. Per concreet geval dient de rechtshandeling in haar geheel onderzocht te worden.5 Een dergelijk onderzoek dient vatbaar te zijn voor rechterlijke toetsing. Dat een herstructurering, in dit geval een aandelenfusie, tot gevolg heeft dat een nieuwe houdstervennootschap ontstaat, sluit niet uit dat de transactie een zakelijke achtergrond heeft. Ook een Fusierichtlijntransactie die wordt gebruikt om voor een beperkte periode en niet duurzaam een bepaalde structuur in het leven te roepen, kan zakelijk zijn. Dit kan evenwel een aanwijzing zijn voor misbruik.
Er bestaan geen bepalingen in het Unierecht die de toepassing van het vermoeden dat sprake is van belastingfraude of -ontwijking nader preciseren. Daarom moeten de lidstaten met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel de hiertoe noodzakelijk nadere bepalingen vaststellen.6 Die bepalingen mogen niet van algemene strekking zijn, in die zin dat zij bepaalde categorieën van rechtshandelingen automatisch van het belastingvoordeel uitsluiten op basis van algemene criteria. Dit geldt ongeacht of werkelijk sprake is van misbruik. Nadere bepalingen van algemene strekking (in de hiervóór bedoelde betekenis) zouden verder gaan dan noodzakelijk is om misbruik te voorkomen. Bovendien zou het afbreuk doen aan het doel van de Fusierichtlijn.
De terminologie zakelijke overwegingen uit het bewijsvermoeden van (nu) art. 15 Fusierichtlijn is ruimer dan het louter nastreven van een fiscaal voordeel. Het tot stand brengen van een aandelenfusie om daarmee resultaatsaldering mogelijk te maken (via het fiscale-eenheidsregime), kwalificeert niet als een zakelijke overweging.
Met deze antwoorden van het Hof van Justitie kon Hof Amsterdam de zaak afdoen. De aandelenfusie werd in deze zaak tot stand gebracht om een fiscale eenheid mogelijk te maken, zodat de resultaten van de drie vennootschappen konden worden gesaldeerd. Hof Amsterdam oordeelde dat daarmee sprake is van een zuiver fiscaal voordeel, maar niet van belastingontwijking in de zin van (nu) art. 15 Fusierichtlijn, zelfs niet als de beoogde resultaatsaldering het enige oogmerk van de aandelenfusie is.7 De conclusie was dat sprake was van een fiscaal te faciliteren aandelenfusie.8 In meer algemene zin betekent dit oordeel dat een fiscaal motief weliswaar niet kwalificeert als een zakelijke overweging, maar dat daarmee nog niet vaststaat dat sprake is van belastingontwijking.
Begin 2002 moest Hof Amsterdam oordelen over een splitsing.9 In de uitgangssituatie vormde de belanghebbende (X BV) een fiscale eenheid met haar dochtervennootschap (Y BV). De aandelen in X BV waren in handen van drie broers (A, B en C), ieder voor 1/3e-deel. In de dochtervennootschap (Y BV) waren de pensioenverplichtingen ten aanzien van de drie broers ondergebracht. De bezittingen van Y BV bestonden daarnaast uit beleggingen en een onroerende zaak. De bedoeling was dat Y BV eerst de pensioenverplichtingen en beleggingen binnen de fiscale eenheid zou overdragen aan X BV. Vervolgens zou een zuivere splitsing tot stand worden gebracht met X BV als de splitsende rechtspersoon en drie nieuwe BV’s als de verkrijgende rechtspersonen. Als gevolg van deze splitsing zou iedere broer 100% van de aandelen houden in een eigen persoonlijke holdingvennootschap met daarin een deel van de beleggingen en de pensioenverplichting ten aanzien van de betreffende broer.
Het hof overwoog dat de splitsing niet in overwegende mate was ingegeven door zakelijke overwegingen.10 X BV had namelijk aangevoerd dat de splitsing plaatsvond in verband met verschil van inzicht tussen de drie broers (pensioengerechtigden). Dat verschil van inzicht zag concreet op het beleid met betrekking tot de in Y BV aanwezige beleggingen, die werden aangehouden als dekking voor de pensioenverplichtingen. Daarnaast zou eventuele sterftewinst, in de situatie zoals die bestond vóór de splitsing, ten goede komen aan een van de andere pensioengerechtigde broers en niet aan de erven van de overleden aandeelhouder. Hoewel het in deze casus gaat over aandeelhoudersmotieven, oordeelde het hof dat de splitsing niet in overwegende mate was gericht op het ontgaan van belastingheffing en evenmin op het zodanig uitstellen van belastingheffing dat strijd met doel en strekking van de Fusierichtlijn ontstaat.11 Deze uitspraak onderstreept dat de afwezigheid van zakelijke overwegingen (sinds 2001; zie hiervóór) slechts een misbruikvermoeden oplevert. Het zorgt daarmee voor een verschuiving van de bewijslast.12 De vaststelling dat sprake is van aandeelhoudersmotieven is dus uitdrukkelijk geen sluitstuk van de beoordeling of sprake is van misbruik.
In een andere zaak van Hof Amsterdam hield een natuurlijke persoon (X) alle aandelen in B BV en in C BV.13 B BV vormde met haar dochtervennootschap D BV een fiscale eenheid vennootschapsbelasting. De bezittingen van de drie vennootschappen bestonden vrijwel geheel uit effecten en liquide middelen. X wilde zijn aandelen in C BV inbrengen in B BV, tegen uitreiking van aandelen. Vervolgens zou C BV worden gevoegd in de fiscale eenheid. Als sluitstuk zouden D BV en C BV worden geliquideerd. De aandelenfusie was dus een eerste stap om uiteindelijk de beleggingsportefeuilles van de drie BV’s samen te kunnen voegen, wat tot verbetering van de beleggingsresultaten zou moeten leiden.14
De inspecteur had onder meer gesteld dat in dit geval zakelijke overwegingen ontbraken. Hij onderbouwde dit door erop te wijzen dat de betrokken vennootschappen geen materiële onderneming dreven. De aandelenfusiefaciliteit van art. 3.55 Wet IB 2001 was volgens de inspecteur niet bedoeld voor het reorganiseren van beleggingen. Bovendien zou de aandelenfusie op zichzelf bezien niet leiden tot het samenvoegen van de beleggingsportefeuilles. Het hof stelde voorop dat het Hof van Justitie in de zaak Leur-Bloem al had beslist dat de verwervende vennootschap (in dit geval B BV) geen onderneming hoeft te drijven. Het Hof van Justitie heeft echter geen beschrijving gegeven van het begrip onderneming. Ook de Fusierichtlijn bevat geen definitie van dat begrip. Evenmin komt de term ‘actieve werkzaamheden’, zoals opgenomen in het misbruikvermoeden van de nationale antimisbruikbepaling, als zodanig in de Fusierichtlijn voor. Het hof is van oordeel dat uit de zaak Leur-Bloem volgt dat het Hof van Justitie een zo ruim mogelijk toepassingsbereik van de bij de richtlijn ingevoerde faciliteit voorstaat. Daarom valt volgens het hof niet in te zien om welke reden geëist zou mogen worden dat de betrokken vennootschappen een onderneming in materiële zin dienen te drijven. Het hof is van mening dat de aandelenfusiefaciliteit niet kan worden uitgesloten op de enkele grond dat het vermogen van de betrokken vennootschappen ter belegging wordt aangewend. Dat de aandelenfusiefaciliteit niet zou zijn bedoeld voor het reorganiseren van beleggingen kan, aldus nog steeds het hof, op geen enkele wijze uit de (tekst van de) Fusierichtlijn of de rechtspraak van het Hof van Justitie worden opgemaakt. Het uitsluiten van de aandelenfusiefaciliteit voor vennootschappen die zich bezighouden met beleggen zou naar de mening van het hof betekenen dat bepaalde categorieën van rechtshandelingen op basis van algemene criteria worden uitgesloten.15 En dat is in strijd met het door het Hof van Justitie omarmde evenredigheidsbeginsel. Volgens het hof kan uit de aard en de omvang van de activiteiten van de betrokken vennootschappen op zichzelf niet worden afgeleid dat aan de aandelenfusie geen zakelijke overwegingen ten grondslag liggen.16 Gelet op dit alles achtte het hof aannemelijk dat de aandelenfusie is gebaseerd op zakelijke overwegingen. De omstandigheid dat het samenvoegen van de beleggingsportefeuilles niet uitsluitend met de voorgenomen aandelenruil kan worden bereikt maar dat daarvoor meerdere stappen nodig zijn, doet daaraan niet af.17 In deze uitspraak maakt Hof Amsterdam in feite korte metten met de term actieve werkzaamheden (als vertaling van de Fusierichtlijnterm activiteiten) en met de uitleg die de wetgever daar in de wetsgeschiedenis aan heeft gegeven.18
In de zaak Foggia is het Hof van Justitie nader ingegaan op het begrip zakelijke overwegingen uit het bewijsvermoeden van art. 15 Fusierichtlijn in relatie tot de meeromvattende beoordeling of – in Fusierichtlijnterminologie – sprake is van een hoofddoel tot belastingfraude of -ontwijking.19 Het ging in deze Portugese zaak om een zuiver binnenlandse juridische fusie met drie verdwijnende rechtspersonen en één verkrijgende rechtspersoon.
Het Portugese nationale recht bood daarbij de mogelijkheid om op verzoek verliezen van de verdwijners (F1, F2 en F3) te laten overgaan naar de verkrijger (Foggia SGPS).20 Daarvoor was echter vereist dat de juridische fusie was ingegeven door zakelijke overwegingen, zoals de herstructurering of rationalisering van de activiteiten van de betrokken vennootschappen. De juridische fusie moest bovendien onderdeel vormen van een strategie van economische herstructurering en ontwikkeling van de onderneming op middellange of lange termijn, met positieve gevolgen voor de productiestructuur. De Portugese belastingautoriteiten hadden het verzoek voor twee verdwijnende rechtspersonen ingewilligd, maar voor de derde verdwijnende rechtspersoon afgewezen. De reden was dat de juridische fusie met die rechtspersoon geen enkel economisch belang had. Deze verdwijner hield geen participaties aan, behaalde met zijn activiteiten nauwelijks inkomsten en belegde slechts in effecten. Voorts was de herkomst van de verliezen onduidelijk. Foggia voerde in deze zaak aan dat de juridische fusie plaatsvond om daarmee een kostenbesparing te realiseren, zodat sprake was van een zakelijke overweging. Het Hof van Justitie oordeelde samengevat als volgt:21
Aan een juridische fusie kunnen verschillende doelstellingen ten grondslag kunnen liggen, waaronder eventueel ook fiscale overwegingen. Het is in die gevallen niet uitgesloten dat de juridische fusie toch op grond van zakelijke overwegingen plaatsvindt, mits de fiscale overwegingen in het kader van de voorgenomen transactie niet doorslaggevend zijn.
De omstandigheid dat een verdwijnende rechtspersoon geen activiteiten uitoefent en geen eigen activa inbrengt terwijl bij de juridische fusie wel verliezen overgaan naar de verkrijger sluit niet uit dat de juridische fusie op grond van zakelijke overwegingen plaatsvindt. Het feit dat de fiscale verliezen erg groot zijn en dat de herkomst ervan onduidelijk is, kan daarentegen wel een aanwijzing voor belastingfraude of -ontwijking zijn, wanneer de juridische fusie slechts tot doel heeft een zuiver fiscaal voordeel te verkrijgen.
De antimisbruikbepaling van (nu) art. 15 Fusierichtlijn is een uitzonderingsbepaling die strikt moet worden uitgelegd, rekening houdend met de bewoordingen en de doelstelling ervan en met de context waarin deze bepaling moet worden geplaatst.22 De begrippen herstructurering en rationalisering, die onderdeel zijn van het bewijsvermoeden van art. 15 Fusierichtlijn, hebben een ruimere invulling dan louter het nastreven van een zuiver fiscaal voordeel.23
In beginsel verzet niets zich ertegen dat een juridische fusie, door middel waarvan een groep wordt geherstructureerd of gerationaliseerd zodat de administratieve en beheerskosten ervan kunnen worden verminderd, is ingegeven door zakelijke overwegingen. Dat is echter niet het geval bij de juridische fusie van Foggia, aangezien het erop lijkt dat de structurele kostenbesparing binnen de betrokken groep volstrekt marginaal is in vergelijking met het bedrag van het verwachte fiscale voordeel van het overhevelen van de verliezen.
Het besparen van kosten is inherent aan elke juridische fusie aangezien die transactie per definitie voor een vereenvoudiging van de groepsstructuur zorgt. Indien stelselmatig zou worden erkend dat een kostenbesparing een zakelijke overweging vormt, zonder rekening te houden met de andere doelstellingen van de voorgenomen transactie zoals de fiscale voordelen ervan, zou de antimisbruikbepaling uit de Fusierichtlijn zijn doel verliezen dat erin bestaat de financiële belangen van de lidstaten te beschermen. Gelet op dit alles moet de verwijzende Portugese rechter met inachtneming van alle omstandigheden van het geval nagaan of alle bestanddelen van het vermoeden van belastingfraude of -ontwijking zijn vervuld.
In de zaak Euro Park Service stond een Franse fusieregeling centraal.24 Door een Franse vennootschap werd vermogen ingebracht in een Luxemburgse vennootschap. Om van de Franse fusieregeling gebruik te kunnen maken, moest een procedure van voorafgaande goedkeuring worden gevolgd. Die procedure gold niet bij zuiver nationale fusies. De goedkeuring kon alleen worden verkregen indien aan drie aanvullende voorwaarden was voldaan. Het Hof van Justitie oordeelde dat de Franse regeling zowel in strijd was met de antimisbruikbepaling uit de Fusierichtlijn als met de vrijheid van vestiging.25 Het Hof van Justitie constateerde diverse gebreken. Zo is de benadering in de Fusierichtlijn ‘fiscale facilitering tenzij sprake is van misbruik’, terwijl de Franse regeling fiscale facilitering van een grensoverschrijdende fusie als uitgangspunt weigerde tenzij aan (aanvullende) formele en materiële voorwaarden werd voldaan.26 Ook hanteerde de Franse regeling met haar aanvullende voorwaarden een algemeen vermoeden van belastingfraude of belastingontwijking.27 Het meest interessante oordeel gaat echter over het bewijsvermoeden in (nu) art. 15 Fusierichtlijn. Op grond daarvan geldt (kort gezegd) een misbruikvermoeden ingeval de rechtshandeling (zoals een splitsing) niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen. Het Hof van Justitie oordeelde dat de lidstaten dat bewijsvermoeden slechts mogen hanteren als de voorgenomen transactie er uitsluitend toe strekt een belastingvoordeel te behalen en dus niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen.28 Hiermee lijkt het Hof van Justitie het ontbreken van zakelijke overwegingen gelijk te schakelen met de aanwezigheid van fiscale overwegingen.29 Als dat juist is, onderscheidt het Hof van Justitie slechts twee categorieën overwegingen: zakelijke overwegingen en fiscale overwegingen. Alleen de aanwezigheid van fiscale overwegingen kan zorgen voor een verschuiving van de bewijslast. De belastingplichtige kan vervolgens tegenbewijs leveren, dat wil zeggen aannemelijk maken dat (toch) geen sprake is van belastingontwijking.
In HR BNB 2021/35 was sprake van een aandeelhouderssplitsing in de zin van art. 2:334cc BW.30 Het geschil ging over de splitsingsvrijstelling in de overdrachtsbelasting.31 Die vrijstelling wordt geflankeerd door een antimisbruikbepaling die identiek is aan de antimisbruikbepaling in art. 14a, lid 6, Wet VPB 1969. Een broer en een zus hielden ieder 50% van de aandelen in G BV. Deze BV hield alle aandelen in H BV waarin vastgoed was ondergebracht. Bij de aandeelhouderssplitsing van G BV kwamen onder meer de aandelen in H BV terecht bij een nieuw opgerichte verkrijgende rechtspersoon (X BV) met de zus als enig aandeelhouderster. Ander vermogen van G BV ging bij de ruziesplitsing over naar een nieuw opgerichte verkrijgende rechtspersoon (Y BV), waarvan de broer enig aandeelhouder werd.
De verkrijging van alle aandelen in H BV door X BV was als hoofdregel belast met overdrachtsbelasting omdat H BV kwalificeerde als een onroerendezaakrechtspersoon ex art. 4 Wet BRV 1970. De vraag was of daarop de splitsingsvrijstelling in de overdrachtsbelasting van toepassing was. Het hof oordeelde dat bij alle rechtspersonen die aan de ruziesplitsing deelnamen (G BV, X BV en Y BV) geen sprake was van actieve werkzaamheden, maar van louter passief vermogensbeheer. Volgens het hof was alleen al daarom geen sprake van zakelijke overwegingen. Op basis van het eerste bewijsvermoeden werd de splitsing geacht een misbruikachtergrond te hebben en volgens het hof had belanghebbende dat niet ontkracht. Het hof kwam tot de conclusie dat de antimisbruikbepaling in de weg stond aan de toepassing van de splitsingsvrijstelling in de overdrachtsbelasting.32 De Hoge Raad maakte naar mijn mening terecht korte metten met de redeneerlijn van het hof.33 De enkele omstandigheid dat de bij een splitsing betrokken vennootschappen geen onderneming uitoefenen, sluit volgens de Hoge Raad namelijk niet uit dat de splitsing plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen. Het oordeel van het hof berustte dus op een onjuiste rechtsopvatting.34