Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/2.4.1.4
2.4.1.4 Discretionaire bevoegdheid en belangenafweging
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955546:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie echter HR 6 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2570, IER 1998/17, m.nt. F.W. Grosheide, BIE 1998/56, m.nt. P.J.M. Steinhauser (BMW/Blok), rov. 3.20 (“BMW heeft niet gesteld welk specifiek, van haar belang bij handhaving van haar merkrecht te onderscheiden, belang zij heeft bij handhaving – bij wijze van uitzondering – van dat auteursrecht”). Betwijfeld kan worden of dit nog tot het geldende recht behoort; zie Geerts & Verschuur 2022, nr. 374.
HR 28 juni 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC8976, BR 1986, p. 121, m.nt. N.S.J. Koeman, NJ 1986/356, m.nt. M. Scheltema (Claas/Van Tongeren), rov. 3.4.
Van Nispen 2018, nr. 15; Jongbloed, GS Vermogensrecht, art. 3:296 BW, aant. 5. Zie ook H. Drion 1962, p. 102.
Aldus ook: Rb. Den Haag 18 juli 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:8777 (Nikon/ASML), rov. 4.43.
Als is voldaan aan de voorwaarden die hiervoor zijn behandeld, dient het verbod te worden toegewezen.1 De rechter heeft geen discretionaire bevoegdheid om op basis van een belangenafweging te besluiten het verbod af te wijzen. Dit gold reeds onder het oude recht op grond van het arrest Claas/Van Tongeren, waarin de Hoge Raad het navolgende overwoog:
“Als eenmaal de onrechtmatigheid van de gedragingen ter zake waarvan een verbod wordt gevraagd, vaststaat, is dit verbod (…) in beginsel zonder meer toewijsbaar en is deze toewijzing, behoudens hier niet ter zake doende uitzonderingen, niet afhankelijk van een nadere belangenafweging, waarbij aantekening verdient dat het hier niet om een kort geding gaat.”2
Art. 3:296 BW stelt buiten twijfel dat de hierboven weergegeven overweging nog steeds tot het geldende recht behoort.3 Daarmee volgt het Nederlandse recht het klassieke continentale uitgangspunt dat het verbod toewijsbaar is zodra is vastgesteld dat inbreuk is gemaakt op een geldig intellectueel-eigendomsrecht.4