Einde inhoudsopgave
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/4.2.1.8
4.2.1.8 Een ‘los’ agenderingsrecht?
mr. E.J. Breukink, datum 15-04-2022
- Datum
15-04-2022
- Auteur
mr. E.J. Breukink
- JCDI
JCDI:ADS649748:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Dorhout Mees 1933, p. 145. Zie ook Gabriels 1938-1939, p. 332.
Okma 1932, p. 258, Weststrate 1935, p. 60 (en ook Grosheide 1957, p. 78).
Grosheide 1957, p. 78-79.
Gabriels 1938-1939, p. 332.
Dorhout Mees 1933, p. 145. Volgens Dorhout Mees zouden de statuten van een NV onder het WvK 1928 dus moeten voorzien in een agenderingsrecht voor iedere aandeelhouder. De aandeelhouders zouden bovendien door de vennootschap op hun agenderingsrecht gewezen moeten worden door middel van een ‘voorlopige aankondiging’. Vgl. in dit verband de Duitse Erklärungspflicht. Gabriels 1938-1939, p. 332 betoogt hetzelfde als Dorhout Mees.
Okma 1932, p. 258.
Uit de paragrafen 4.2.1.4 en 4.2.1.5 is naar voren gekomen dat in het WvK 1928 als uitgangspunt is gekozen dat degene die een algemene vergadering bijeenroept, de agenda voor de betreffende vergadering vaststelt. Wanneer een of meer aandeelhouders op grond van de wet of de statuten tot bijeenroeping bevoegd zijn, mogen zij onderwerpen op de agenda voor de bijeen te roepen vergadering plaatsen. Een ‘los’ agenderingsrecht (dat wil zeggen: los van de bevoegdheid om ex. art. 43c en art. 43d of art. 43e Wvk 1928 een vergadering bijeen te (doen) roepen) bevat het WvK 1928 niet. Eerste Kamerlid De Jong noemde dit destijds ‘een ernstige lacune’.1 Dorhout Mees schrijft dat de statuten aan de aandeelhouders wel een agenderingsrecht behoren te geven.2 Volgens Okma en ook Westrate gebeurt dat ook. Zij stellen dat veel statuten van NV’s uit die tijd een agenderingsrecht voor aandeelhouders bevatten.3 Grosheide stelt zich verder op het standpunt dat zelfs wanneer de statuten niet voorzien in een agenderingsrecht voor aandeelhouders, de redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat het bestuur redelijke, tijdig ingediende agenderingsverzoeken honoreert.4 Gabriels merkt op dat de behoefte aan een statutaire bepaling slechts bestaat bij open NV’s. Bij besloten NV’s wordt de agenda volgens hem in overeenstemming tussen het bestuur en de aandeelhouders vastgesteld.5
In de visie van Dorhout Mees zou een afdoende regeling moeten voorschrijven eerst een voorlopige aankondiging met mededeling dat aandeelhouders tot zeker tijdstip voor de vergadering voorstellen kunnen indienen, en dan, na dat tijdstip, de definitieve oproeping met de agenda.6 Een dergelijke statutaire regeling lijkt van een concept-agenda uit te gaan.7 Okma constateert dat statutaire bepalingen waarin een agenderingsrecht is vastgelegd veelal voorschrijven dat voorstellen van aandeelhouders een x-aantal dagen voor de vergadering bij de vennootschap moeten zijn ingediend, maar rept niet over voorgeschreven concept-agenda’s. Over de indieningstermijnen die ten aanzien van statutaire agenderingsrechten gelden merkt hij op:
“Gaat men uit van het standpunt, dat een dergelijk statutair voorschrift niets anders beoogt dan de Wet nu in art. 43g heeft bepaald en dus slechts voorstellen buiten de agenda om wil verhinderen, dan is deze clausule thans overbodig geworden. Dit standpunt lijkt mij echter min juist. Wet en Statuten mogen hier schijnbaar elkander dekken, de bedoeling is in beide gevallen juist omgekeerd. Art. 43g wil den aandeelhouder voor verrassingen behouden, de bovengenoemde statutaire bepaling daarentegen beoogt, het Bestuur tegen onvoorziene oppositie te beschermen. Dat wil niet zeggen dat nu alle voorstellen van aandeelhouderszijde zonder voorafgaand depôt zouden zijn uitgesloten. Men zal hier moeten onderscheiden met de onderscheiding door den Minister gemaakt ten aanzien van art. 45b K. (waar immers in geval van statutenwijziging door de wet voorafgaand depôt wordt verlangd) n.l. tusschen ‘amendementen’ en ‘feitelijk geheel nieuwe voorstellen’.”8
Een los agenderingsrecht voor aandeelhouders bestond aldus niet op grond van de wet, maar veelal wel in enigszins geclausuleerde vorm (in die zin dat een indieningstermijn voor agenderingsverzoeken was opgenomen) op grond van de statuten.