Einde inhoudsopgave
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/7.3.3
7.3.3 Handhaving ter beëindiging van bestaande aantastingen
D.G.J. Sanderink, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
D.G.J. Sanderink
- JCDI
JCDI:ADS449957:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Omgevingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Dit verschil tussen de verplichting tot handhaving bij bestaande aantastingen enerzijds en de verplichting tot handhaving bij toekomstige aantastingen anderzijds laat zich vermoedelijk verklaren doordat het bij handhaving ter voorkoming van toekomstige aantastingen gaat om het aanwenden van capaciteit en middelen voor aantastingen waarvan niet zeker is of ze ooit zullen plaatsvinden. Dergelijke potentiële aantastingen doen zich veel meer voor dan bestaande aantastingen en een onbeperkte plicht om die te voorkomen zou de capaciteit en middelen van de overheid kunnen overvragen (vergelijk hetgeen in paragraaf 4.3.3.4.8 is opgemerkt over de beperkte capaciteit en middelen van de overheid). Vermoedelijk daarom is het EHRM bij toekomstige aantastingen minder veeleisend dan bij bestaande aantastingen.
Bij het welzijn (of de kwaliteit van leven) en het rustige genot van de woning is het vereiste van het ‘minimum level of severity’ van bijzonder belang, omdat art. 8 EVRM alleen van toepassing is als dit minimum bereikt is. Bij een nadelige invloed op de gezondheid in die zin dat een activiteit tot gezondheidsschade of ziekte heeft geleid zal mijns inziens steeds het ‘minimum level of severity’ bereikt zijn. Hetzelfde geldt naar mijn mening bij een beschadiging of verwoesting van de woning.
EHRM 16 november 2004, Moreno Gómez/Spanje, r.o. 61-62 (zaaknr. 4143/02). Zie in dezelfde zin EHRM 20 mei 2010, Oluić/Kroatië, r.o. 63 (zaaknr. 61260/08) en EHRM 25 november 2010, Mileva e.a./Bulgarije, r.o. 99 (zaaknr. 43449/02).
EHRM 18 juni 2013, Bor/Hongarije, r.o. 27-28 (zaaknr. 50474/08).
Zie ook Barkhuysen en Van Emmerik 2011, p. 88-89 en Vermeer 2010, p. 149 en 155. Kennelijk hecht het EHRM hier minder belang aan de ‘margin of appreciation’ op grond waarvan de nationale autoriteiten in beginsel zelf mogen kiezen met welke concrete handeling(en) zij de aantasting beëindigen (zie over deze ‘margin of appreciation’ paragraaf 4.4).
Zie paragrafen 4.3.3.4.6 en 4.3.3.4.8.
Zie over de toepasselijkheid van art. 8 EVRM en het ‘minimum level of severity’ paragraaf 2.5.3. Bij een nadelige invloed op de gezondheid in die zin dat een activiteit tot gezondheidsschade of ziekte heeft geleid zal mijns inziens, zoals gezegd, overigens steeds het ‘minimum level of severity’ bereikt zijn. Hetzelfde geldt bij een beschadiging of verwoesting van de woning.
Dit lijkt goed aan te sluiten bij de rechtspraak van de ABRvS over de beginselplicht tot handhaving. Op grond van die beginselplicht hoeft, gelet op het evenredigheidsbeginsel, immers niet gehandhaafd te worden bij overtredingen van een geringe ernst (zie bijvoorbeeld ABRvS 24 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:455).
EHRM 29 september 2009 (ontvankelijkheidsbeslissing), Galev e.a./Bulgarije (zaaknr. 18324/04).
Zie ook EHRM 18 maart 2008 (ontvankelijkheidsbeslissing), Furlepa/Polen (zaaknr. 62101/00) en EHRM 25 november 2010, Mileva e.a./Bulgarije, r.o. 91 (zaaknr. 43449/02).
Bij bestaande aantastingen van de door artikel 8evrm beschermde belangen ligt de situatie anders dan bij toekomstige aantastingen van die belangen. Uit de rechtspraak van het HRM kan namelijk wel afgeleid worden dat de overheid in beginsel de positieve verplichting heeft om handhavend op te treden tegen overtredingen van omgevingsgerelateerde regelgeving die (mede) ter bescherming van de gezondheid, het welzijn (of de kwaliteit van leven), de woning en/of het rustige genot van de woning is uitgevaardigd, indien de overtreding een bestaande aantasting van een of meer van die belangen tot gevolg heeft.1,2 In paragraaf 4.3.3.4.2 is immers gebleken dat het ehrm in veel zaken een schending van artikel 8 evrm heeft vastgesteld, (mede) omdat de activiteit die de bestaande aantasting veroorzaakte op zichzelf of wat betreft (de ernst van) haar gevolgen in strijd was met nationaal recht. In paragraaf 4.3.3.4.9 is bovendien geconcludeerd dat, indien de activiteit die de bestaande aantasting van een door artikel 8 evrm beschermd belang veroorzaakt op zichzelf of wat betreft (de ernst van) haar gevolgen in strijd is met nationaal recht, de overheid al snel gehouden lijkt een of meer (bepaalde) concrete handeling(en) te verrichten ter beëindiging van die bestaande aantasting.
Daaraan kan hier toegevoegd worden dat het ehrm in het arrest-Moreno Gómez/Spanje in algemene zin heeft overwogen dat regelgeving ter bescherming van de door het evrm beschermde belangen weinig nut heeft, indien zij niet behoorlijk gehandhaafd wordt. Het overwoog als volgt:
‘61. Although the Valencia City Council has used its powers in this sphere to adopt measures (such as the bylaw concerning noise and vibrations) which should in principle have been adequate to secure respect for the guaranteed rights, it tolerated, and thus contributed to, the repeated flouting of the rules which it itself had established during the period concerned. Regulations to protect guaranteed rights serve little purpose if they are not duly enforced and the Court must reiterate that the Convention is intended to protect effective rights, not illusory ones. The facts show that the applicant suffered a serious infringement of her right to respect for her home as a result of the authorities’ failure to take action to deal with the night-time disturbances. 62. In these circumstances, the Court finds that the respondent State has failed to discharge its positive obligation to guarantee the applicant’s right to respect for her home and her private life, in breach of Article 8 of the Convention.’3
Illustratief ten aanzien van de plicht tot handhavend optreden bij overtredingen die een bestaande aantasting tot gevolg hebben is ook het arrest-Bor/ Hongarije. Daaruit blijkt dat een sanctiesysteem niet alleen moet bestaan, maar bij overtredingen ook tijdig en daadwerkelijk toegepast moet worden. Het ehrm overwoog als volgt:
‘27. The Court accepts that the State enjoys a margin of appreciation in determining the steps to be taken to ensure compliance with the Convention when it comes to the determination of regulatory and other measures intended to protect Article 8 rights (…). However, it emphasises that the existence of a sanction system is not enough if it is not applied in a timely and effective manner. In this respect it draws attention once again to the fact that the domestic courts failed to determine any enforceable measures in order to assure that the applicant would not suffer any disproportionate individual burden for some sixteen years.
28. Therefore the Court concludes that the State has failed to discharge its positive obligation to guarantee the applicant’s right to respect for his home. Accordingly, there has been a violation of Article 8 of the Convention.’4
Uit het voorgaande blijkt dat de overheid in beginsel de positieve verplichting heeft om handhavend op te treden tegen overtredingen van omgevingsgerelateerde regelgeving, indien de overtreding een bestaande aantasting van een of meer van de door artikel 8evrm beschermde belangen tot gevolg heeft.5 Wel lijken economische belangen, de bescherming van de werkgelegenheid en een beperkte handhavingscapaciteit te kunnen rechtvaardigen dat handhavend optreden tijdelijk (maar niet te lang) uitgesteld wordt.6
Bij het voorgaande is het van belang te benadrukken dat de overheid niet op grond van artikel 8evrm verplicht is om handhavend op te treden tegen elke overtreding die een aantasting van het welzijn (of de kwaliteit van leven) en/of het rustige genot van de woning tot gevolg heeft. Nu artikel 8 evrm pas van toepassing is als de nadelige invloed van een (al dan niet onrechtmatige) activiteit het ‘minimum level of severity’ bereikt, kan van een positieve verplichting om handhavend op te treden pas sprake zijn als een overtreding een voldoende ernstige nadelige invloed op het welzijn (of de kwaliteit van leven) en/of het rustige genot van de woning heeft.7 Bij geringe aantastingen van die belangen behoeft dus niet op grond van artikel 8 evrm handhavend opgetreden te worden tegen de veroorzakende overtredingen.8 Illustratief is in dit verband bijvoorbeeld de zaak-Galev e.a./Bulgarije, waarin werd geklaagd over de geluidsoverlast, stankoverlast en het gezondheidsrisico die volgens de klagers veroorzaakt werden door een tandartsenpraktijk in hun appartementencomplex. In deze zaak overwoog het ehrm onder meer als volgt:
‘On this point, the Court starts by observing that the mere fact that the works carried out by the applicants’ neighbour were not lawful is not sufficient to ground their assertion that their rights under Article 8 have been interfered with (…). The Court must rather examine, on the basis of the materials in the case file, whether the alleged noise, smell and health hazards were sufficiently serious to amount to an interference with the applicants’ rights to respect for their private lives and their homes.’9
In de zaak-Galev e.a./Bulgarije kwam het ehrm tot de conclusie dat niet gebleken was dat het ‘minimum level of severity’ bereikt was, zodat artikel 8evrm niet van toepassing was. Van een positieve verplichting om handhavend op te treden was dan ook geen sprake.10