Einde inhoudsopgave
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/5.1
5.1 Inleiding
dr. M. Schuver-Bravenboer, datum 01-02-2009
- Datum
01-02-2009
- Auteur
dr. M. Schuver-Bravenboer
- JCDI
JCDI:ADS412618:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Wetgeving
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Graetz 1985, p. 1823. Zie ook de Notitie TWK, p. 6.
Gribnau 2005, p. 80-81 en Popelier 1997, p. 115.
Peeters 1994a, p. 183, Popelier 1997, p. 115, Popelier 1999b, p. 3, Gribnau 2005, p. 81 en Groussot 2006, p. 194. Popelier vraagt zich tevens af of rechtszekerheid aanpassing van regelgeving vereist (Popelier 1997, p. 116-117).
Popelier 1997, p. 116, Kirchhof 2000, p. 224 en Gribnau 2005, p. 81. In de literatuur wordt (materieel) terugwerkende kracht vaak direct van de hand gewezen, zonder dat daarbij wordt stilgestaan of het rechtszekerheidsbeginsel wordt geschonden, zie bijv. Grapperhaus 1978, p. 25.
In par 4.4.1.2 heb ik het beginsel van eerbiediging van gerechtvaardigde verwachtingen als beginsel van behoorlijk overgangsbeleid geïntroduceerd. De functie van dit beginsel is tweeledig. Enerzijds wordt aan de hand van dit beginsel bepaald of, en zo ja, in hoeverre belastingplichtigen erop mochten rekenen dat de oude regel zou blijven voortbestaan. Gerechtvaardigde verwachtingen op het voortbestaan van de oude regel dienen op grond van dit beginsel te worden geëerbiedigd. Anderzijds dient het beginsel ertoe vast te kunnen stellen wanneer een wetswijziging voorzienbaar is geworden. Belastingplichtigen worden geacht vanaf dat moment – voor zover mogelijk – rekening te houden met de op handen zijnde wetswijziging; eerbiediging van gerechtvaardigde verwachtingen die na dat moment zijn ontstaan is niet nodig.
Bij het beantwoorden van de vraag of belastingplichtigen mochten vertrouwen op het voortbestaan van de oude regel, ga ik ervan uit dat zij op rationele wijze hun verwachtingen bepalen (par. 5.2.2.1). Zonder meer ervan uitgaan dat wetten niet veranderen, is namelijk niet reëel.1 Rechtszekerheid – waartoe vertrouwen behoort – zou in dat geval worden opgevat als een statisch, conservatief beginsel dat enkel beoogt de bestaande toestand te beschermen.2 Die opvatting is niet in overeenstemming met de grondslag van het rechtszekerheidsbeginsel; de rechtsstaat. De rechtsstaat is immers steeds in beweging omdat hij zich dient aan te passen aan wijzigingen die zich voordoen in de maatschappij en in de politieke machtsverhoudingen.3 Het rechtszekerheidsbeginsel bevat derhalve geen verbod op veranderingen in regelgeving. Veranderingen dienen echter wel plaats te vinden in overeenstemming met het rechtszekerheidsbeginsel.4 Teneinde het beginsel van eerbiediging van gerechtvaardigde verwachtingen te kunnen toepassen, dient dan ook op objectieve wijze te worden bepaald wat belastingplichtigen redelijkerwijs hadden kunnen verwachten.
In par. 4.4.1.2 heb ik vijf criteria geïntroduceerd aan de hand waarvan kan worden bepaald of, en zo ja in hoeverre bij belastingplichtigen verwachtingen op het voortbestaan van een regel aanwezig zijn en of deze verwachtingen in beginsel voor eerbiediging in aanmerking komen. Deze criteria luiden als volgt:
het criterium van de schade (par. 5.2);
het criterium van stimulerings- en ontmoedigingsmaatregelen (par. 5.3);
het criterium van verwachtingen ontleend aan de rechtsregel (par. 5.4);
het criterium van de onduidelijke rechtstoestand (par. 5.5); en
het criterium van de voorzienbaarheid van een wetswijziging (par. 5.6).
De eerste vier criteria hebben louter betrekking op de eerstgenoemde functie van het beginsel van eerbiediging van gerechtvaardigde verwachtingen, namelijk bepalen of belastingplichtigen erop mochten rekenen dat de oude regel zou blijven voortbestaan. Het eerste criterium vervult daarbij een belangrijke rol; in par. 5.2 concludeer ik namelijk dat als belastingplichtigen geen schade ondervinden van een wetswijziging, eerbiediging van gerechtvaardigde verwachtingen niet aan de orde is. Het vijfde criterium geeft aan of een wetswijziging voorzienbaar is. Dit criterium komt overeen met het tijdselement dat wordt genoemd in de Notitie TWK (par. 4.4.1.2). Ter bepaling van de voorzienbaarheid kunnen verschillende factoren worden aangewezen. Deze zal ik in par. 5.6 nader uitwerken. In par. 5.7 ga ik ten slotte nader in op twee factoren die de eerdere uitkomsten wat betreft de aanwezigheid van gerechtvaardigde verwachtingen en de voorzienbaarheid van wetswijziging kunnen bijsturen. Ingeval van misbruik en oneigenlijk gebruik van wetgeving kan de beschermenswaardigheid van eventuele verwachtingen namelijk sterk afnemen. De reactiesnelheid van de wetgever kan leiden tot een afname van de voorzienbaarheid van een wetswijziging.
Schematisch weergegeven is de opzet van dit hoofdstuk en de werking van het beginsel van eerbiediging van gerechtvaardigde verwachtingen als volgt:
Beginsel van eerbiediging van gerechtvaardigde verwachtingen
In par. 5.8 zal ik de praktische toepassing van het beginsel van eerbiediging van gerechtvaardigde verwachtingen aan de hand van een voorbeeld nader verduidelijken. Het hoofdstuk wordt in par. 5.9 afgesloten met een conclusie.