Bedrijfswaarde (FM)
Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/5.2.1:5.2.1 Wet op de Vermogensbelasting 1892
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/5.2.1
5.2.1 Wet op de Vermogensbelasting 1892
Documentgegevens:
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS344310:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Voor onroerende zaken gold als maatstaf van waardering de verkoopwaarde.
In gelijke zin Ch.P.A. Geppaart, Vermogensbelasting, Fiscaalrechtelijke beschouwingen over de belasting naar het vermogen van natuurlijke personen, Fiscale hand- en studieboeken, Kluwer, Deventer, 1995, vierde, volledig herziene druk, blz. 17.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals in de inleiding reeds aangekondigd, is het noodzakelijk om terug te gaan in de geschiedenis, wil men de vermogensbelasting goed begrijpen. Per 1 januari 1893 werd deze belasting ingevoerd met de bedoeling om belasting te kunnen heffen op inkomsten uit vermogen. Bij de totstandkoming van deze wetgeving ging men uit van een verondersteld rendement van 4% en werd het vermogen zelf belast. Alhoewel naar de vorm sprake was van een echte vermogensbelasting (de belasting werd geheven op de vermogensbron) leek naar de inhoud ervan meer sprake te zijn van een inkomstenbelasting (de opbrengsten uit de vermogensbron werden belast). Toendertijd vond belastingheffing nog plaats tegen een progressief tarief dat hoger lag dan de belasting op de opbrengsten uit arbeid en was er dus geen sprake van een algemene maar van een gesplitste inkomstenbelasting.
Bij de invoering van de synthetische inkomstenbelasting per 1 januari 1915 (als gevolg van de introductie van de Wet op de Inkomstenbelasting 1914) werd de vermogensbelasting als zelfstandige heffing gehandhaafd echter nu wel met een proportioneel tarief.
In art. 7, ten eerste, letter E van de Wet op de Vermogensbelasting 1892 was een waarderingsvoorschrift opgenomen voor onder meer voorraden, machines en werktuigen. Voor dergelijke zaken mocht niet de verkoopwaarde1 als uitgangspunt voor de waardering worden gekozen doch de geldswaarde in verband met de bestemming, een soort functionele waarde derhalve. Een opmerking over het begrip 'geldswaarde' is op zijn plaats: Geldswaarde wordt in zijn algemeenheid omschreven als de subjectieve gebruikswaarde. Daarentegen wordt de verkoopwaarde als objectieve ruilwaarde aangeduid. De geldswaarde is hoger of ten minste gelijk aan de verkoopwaarde omdat anders de gerechtigde tot de zaak tot verkoop zou overgaan2.
De filosofie achter het waarderingsvoorschrift van art. 7 was dat een dergelijk actief (machines en werktuigen) niet los van het bedrijf kon worden gewaardeerd, maar altijd in verband met de functie ervan in het desbetreffende bedrijf. In die zin is er dus sprake van een 'functionele waardering'. De directe opbrengstwaarde (los van de functie van het bedrijf) komt pas in aanmerking als het desbetreffende actief buiten bedrijf is gesteld en voor de verkoop is bestemd.