Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/9.2.5.3.3
9.2.5.3.3 Verrekening van (fiscale eenheid) verliezen na verbreking van de fiscale eenheid
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS399498:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Op 13 mei 2011 heeft de Hoge Raad (nr. 10/01382, BNB 2011/ 217) enkele onduidelijkheden rondom het meegeven van fiscale eenheidsverliezen aan een te ontvoegen dochtermaatschappij weggenomen. Uit het oordeel van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat het aan de ontvoegde dochtermaatschappij mee te geven verlies dient te worden bepaald op het ontvoegingstijdstip van de ontvoegde dochtermaatschappij. Het resultaat van de moedermaatschappij van ná het ontvoegingstijdstip is daarbij niet relevant. Het resultaat van de te ontvoegen dochtermaatschappij in het jaar van ontvoeging tot aan het ontvoegingstijdstip dient – ter bepaling van de mee te geven verliezen – eerst te worden gesaldeerd met het resultaat van de moedermaatschappij over die periode (horizontale verliessaldering). Voorts oordeelde de Hoge Raad dat voor het meegeven van fiscale eenheidsverliezen aan een ontvoegde dochtermaatschappij de winstsplitsingsregels van art. 15ah Wet VPB 1969 niet dwingendrechtelijk zijn voorgeschreven.
Besluit van 14 december 2010, BNB 2011/63, onderdeel 7.1. Voor het meegeven van fiscale eenheid verliezen bij ontvoeging van clustermaatschappijeen zie I.M. de Groot/B. Suvaal, Verliesverrekening bij ontvoeging van clustermaatschappijen, WFR 2016/66 en ook de reactie van de staatssecretaris naar aanleiding van dit artikel in Kamerstukken II, 2015-2015, 34323, nr. 9, blz. 10.
De hoofdregel is dat de fiscale eenheidsverliezen achterblijven bij de moedermaatschappij. De moedermaatschappij kan deze verliezen na het verbreken van de fiscale eenheid verrekenen met haar eigen winsten van na de ontvoeging van de fiscale eenheid. Deze hoofdregel vloeit voort uit het systeem van de fiscale eenheid, waar het tijdens de fiscale eenheid de moedermaatschappij is die het fiscale resultaat behaalt. Ten aanzien van dochtermaatschappijen zou dit systeem met zich brengen dat zij fiscale eenheidsverliezen die door de activiteiten van de dochtermaatschappijen zijn gegenereerd en aan hen kunnen worden toegerekend, niet kunnen verrekenen met na het ontvoegingstijdstip behaalde winsten. Omdat dit in de praktijk als een knelpunt werd ervaren is vanaf 1 januari 2003 geregeld dat fiscale eenheidsverliezen meegegeven kunnen worden aan de dochtermaatschappij (art. 15af lid 1, onderdeel b Wet VPB 1969). Het moet dan wel gaan om die fiscale eenheidsverliezen die aan die dochtermaatschappij zijn toe te rekenen. 1
Het is volgens de staatssecretaris niet mogelijk om aan een dochtermaatschappij toe te rekenen fiscale eenheidsverliezen gedeeltelijk aan een dochtermaatschappij mee te geven.2
Een dochtermaatschappij kan voorvoegingsverliezen gewoon verrekenen met winsten die zij heeft behaald nadat ze weer zelfstandig belastingplichtig is geworden (art. 15af lid 1, onderdeel a Wet VPB 1969). Met betrekking tot de voorvoegingsresultaten van de moedermaatschappij bevat de wet geen expliciet voorschrift. Dit is ook niet nodig, omdat de moedermaatschappij tijdens de fiscale eenheid gewoon belastingplichtig is gebleven. In art. 15ag Wet VPB 1969 is bepaald dat vanaf het ontvoegingstijdstip van een moedermaatschappij voorvoegingsverliezen van de moedermaatschappij niet verrekend mogen worden met de door haar na dat tijdstip genoten belastbare winst voor zover die winst betrekking heeft op vermogensbestanddelen die door haar tijdens het bestaan van de fiscale eenheid zijn verkregen van een dochtermaatschappij en die winst niet aan de moedermaatschappij zou zijn toegerekend indien de fiscale eenheid met die dochtermaatschappij niet zou zijn beëindigd.