Einde inhoudsopgave
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/5.5.2.2a
5.5.2.2a Nederlandse jurisprudentie
dr. S.T.M. Beelen, datum 01-03-2010
- Datum
01-03-2010
- Auteur
dr. S.T.M. Beelen
- JCDI
JCDI:ADS300758:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Voetnoten
Voetnoten
HR 5 april 1978, nr. 18 474, BNB 1978/169 (noot L.F. Ploeger).
Alleen diensten onder bezwarende titel waren aan de heffing onderworpen (art. 2, onderdeel a, Tweede richtlijn en art. 4, lid 1, wet).
Niet gepubliceerde uitspraak van Hof Amsterdam van 6 mei 1980 (naar deze uitspraak wordt verwezen in het in noot 40 genoemde arrest van de Hoge Raad).
HR 8 april 1981, nr. 20 260, BNB 1981/130.
HvJ EG 1 april 1982, zaak C-89/81, (HongKong Trade Development Council), BNB 1982/311 (noot C.P. Tuk).
HR 2 mei 1984, nr. 1984, nr. 22 153, BNB 1984/295 (noot A.L.C. Simons).
Ik noem hier: D.G. van Vliet, Geen vergoeding, geen ondernemer, WFR 1983/516; A.L.C. Simons in noot onder BNB 1984/295; A.E. de Moor, Het vergoedingsvereiste in de btw, in: Van Dijck-bundel, FED Deventer 1988, blz. 271.
HR 1 april 1987, nr. 23 732, (IJ-veren II), BNB 1987/189 (noot L.F. Ploeger).
HR 17 februari 1988, nr.24 275, BNB 1988/147 (noot Reugebrink); interessant is dat precies dezelfde problematiek aan de orde is geweest in een procedure die de Netherlands Tourist Board heeft gevoerd in het Verenigd Koninkrijk. De uitkomst van deze procedure was dat de Board alle voorbelasting kon aftrekken maar dat de subsidie die zij ontving van de Nederlandse overheid belastbaar was (zie Manual V-13, Input Tax, onderdeel 11.9.2., waar het volgende wordt opgemerkt: ‘With the Netherlands Tourist Board ‘NTB’ (LON/94/607A) the Tribunal found that the NTB was entitled to treat all of the VAT it incurred as input tax. The NTB’s UK branch had a mix of activities, funded in part by commercial charges, but substantially by a ‘grant’ from the Dutch Government. The Commissioners contended that the tax incurred by NTB was partly referable to business purposes (commercial activities) and partly to non-business purposes (the work done for the Dutch Government) and that therefore an apportionment of the tax was required. The Tribunal found that VAT incurred in respect of NTB’s taxable supplies was input tax, even though funded in part by ‘grant’. However, it also found that the remainder of the grant was consideration for taxable services supplied to the Dutch Government Hence all the activities of the NTB were performed for consideration and were business activities, allowing the trader to treat all VAT incurred as input tax.’).
Zie aldus ook W.A.P. Nieuwenhuizen, Ondernemer in de btw: een beetje zwanger is mogelijk!, WFR 1993/1772.
In de casus van dit arrest waren prestaties tegen vergoeding verricht. Belanghebbende stelde dat hij zo nauw met de afnemer van de prestaties was verbonden dat de prestaties niet in het maatschappelijk verkeer waren verricht. De Hoge Raad was het niet eens met deze stelling. Eén van de door de Hoge Raad geformuleerde overwegingen was: ‘Als prestaties verricht in het economische verkeer hebben te gelden alle prestaties bij het verrichten waarvan de ondernemer, ter wille van de daarmee gemoeide economische belangen, optreedt tegenover personen die niet tot de eigen kring behoren.’
HR 14 juni 1989, nr. 25 104, (Stichting musische vorming), BNB 1989/245.
Zie D.B. Bijl, Het economisch belang van een prestatie, WFR 1989/1457.
HR 16 juni 1993, nr. 28 619, BNB 1993/256.
Sommigen betoogden dat publiekrechtelijke lichamen zelfs drie sferen hadden: een ondernemerssfeer, een niet-ondernemerssfeer en een overheidssfeer; zie o.a. Van Vliet, Ondernemerschap in de omzetbelasting, Weekblad 1980/425.
Reugebrink neemt in de 2de druk van zijn leerboek ‘Omzetbelasting’, blz. 91, par. 8.8.1.2., nog het standpunt in dat niet-natuurlijke personen, niet zijnde publiekrechtelijke lichamen, indien zij ondernemer zijn al hun prestaties binnen het kader van de onderneming verrichten. Zie over het knippen van privaatrechtelijke lichamen in een ondernemers- en een niet-ondernemersdeel ook A.H. Bomer en H.W.M. van Kesteren, De houdstermaatschappij: geknipt voor de BTW, WFR 1999/264.
Een later voorbeeld van toetsing aan de vraag of met de activiteiten economische belangen zijn gemoeid is Hof ’s-Gravenhage 24 februari 1999, nr. 97/1882, V-N 1999/39.14 waarin het gaat om een ondernemer die muziekleraar is, lesboeken en instrumenten verkoopt en instrumenten repareert. Voor deze activiteiten is hij ondernemer. Daarnaast treedt hij tegen vergoeding op als organist tijdens religieuze erediensten. De vraag is of hij dan ook als ondernemer handelt. Het hof oordeelt dat de organist niet optreedt in het economische verkeer, omdat hij ‘niet heeft opgetreden ter wille van daarmee gemoeide economische belangen tegenover derden’. Het spel komt voort uit een religieuze overtuiging van de organist die een gelovig christen is. Zie hierover A. van Dongen, Het ene orgel is het andere niet, BtwBrief 1999, nr. 12[46].
HR 25 januari 1995, nr. 29 652, BNB 1995/216.
Op grond waarvan niet-commerciële activiteiten van openbare omroepen zijn vrijgesteld.
HR 30 augustus 1996, nr. 31 009, BNB 1996/391 (noot M.E. van Hilten).
HR 15 december 1999, nr. 34 958, BNB 2000/128 (noot A.L.C. Simons).
HR 26 januari 2000, nr. 35 199, BNB 2000/129 (noot A.L.C. Simons).
HR 24 juli 2001, nr. 36 597, BNB 2001/350 (noot H.W.M. van Kesteren).
HR 2 november 2007, nr. 42 415, BNB 2008/53 (noot B.G. van Zadelhoff), zie ook de onderdelen 4.4.12 en 4.6.6.
Zie HvJ EG 11 juli 1996, zaak C-306/94 (Régie Dauphinoise), BNB 1997/38 (noot M.E. van Hilten) en HvJ EG 6 februari 1997, zaak C-80/95 (Harnas en Helm), BNB 1997/386 (noot M.E. van Hilten).
In onderdeel 3.3.1 van het arrest.
Conclusie A-G De Wit, 28 juni 2007, nr. 42415, V-N 2007/39.21.
Sinds de invoering van de btw in Nederland heeft de Hoge Raad een lange reeks arresten gewezen die handelen over deze problematiek. Steeds was in deze arresten de vraag aan de orde of deze activiteiten binnen het kader van de onderneming worden verricht. Wanneer deze vraag bevestigend werd beantwoord stond daarmee onder de oude tekst van art. 15 vast dat de aan deze activiteiten zonder vergoeding toerekenbare voorbelasting in aftrek kon worden gebracht. Ofschoon fiscaal-technisch de vraag naar de reikwijdte van het ondernemerschap aan de orde was, ging het materieel om de vraag of de voorbelasting aftrekbaar was.
De eerste keer dat de Hoge Raad zich heeft uitgesproken over de aftrek van aan voorbelasting toerekenbaar aan activiteiten zonder vergoeding is geweest in het IJ-veren I-arrest.1 De gemeente Amsterdam exploiteerde in het kader van het gemeentelijk vervoerbedrijf veerdiensten over het IJ. Voor het gebruik van de veerdiensten werd geen vergoeding in rekening gebracht. Zij waren gratis. De gemeente bracht alle aan de IJ-veren toerekenbare voorbelasting in aftrek. De inspecteur heeft de in aftrek gebrachte belasting nageheven, zich op het standpunt stellende dat het onderhouden van de veerdiensten niet geschiedde in de ondernemerssfeer van de gemeente, doch ter uitvoering van haar overheidstaak. De inspecteur werd door het hof in het gelijk gesteld maar de Hoge Raad was van mening dat de gemeente met betrekking tot de exploitatie van de veerdiensten niet als overheid handelt maar als ondernemer moet worden aangemerkt. Daarna stond niet meer ter discussie dat de gemeente de aan de IJ-veren toerekenbare voorbelasting in aftrek kon brengen.
Met dit arrest bevestigde de Hoge Raad impliciet dat het voor het bestaan van het aftrekrecht voldoende was dat de goederen en diensten werden aangeschaft en gebruikt in het kader van de onderneming. Dat zij werden gebruikt voor niet belastbare activiteiten (diensten niet onder bezwarende titel2) deed daaraan niet af.
Dat het ruime ondernemersbegrip en het aan het ondernemerschap verbonden aftrekrecht tot onbedoelde gevolgen kon leiden bleek uit de zaak van de HongKong Trade Development Council. Dit was een organisatie voor handelsbevordering, gefinancierd door de overheid van Hong Kong, die van 1973 tot en met 1977 in Nederland een kantoor had, waar om niet inlichtingen en daarmee vergelijkbare hulp aan ondernemers werden verstrekt. In geschil was of HongKong Trade Development Council als ondernemer aanspraak kon maken op aftrek van voorbelasting. Het Hof Amsterdam3 kwam tot de beslissing dat er sprake was van ondernemerschap en er dus recht op aftrek bestond. Het beroep in cassatie van de staatssecretaris was voor de Hoge Raad4 aanleiding om de volgende prejudiciële vragen te stellen:
I. Kan iemand, die regelmatig jegens ondernemers diensten verricht, worden aangemerkt als belastingplichtige in de zin van artikel 4 van de Tweede richtlijn indien deze diensten om niet worden verricht?
II. Indien vraag I bevestigend wordt beantwoord:
Belet artikel 11, lid 2, eerste volzin, van de Tweede richtlijn de aftrek van de omzetbelasting, drukkende op goederen en diensten welke worden gebruikt voor het verrichten van prestaties als vorenbedoeld?
Het Hof van Justitie EU verklaart voor recht5:
Hij die regelmatig, doch uitsluitend om niet, diensten verricht jegens ondernemers, kan niet worden aangemerkt als belastingplichtige in de zin van art. 4 van de Tweede EG-richtlijn inzake btw.
De Hoge Raad (HR 6 oktober 1981, nr. 22 153, BNB 1982/312 (noot C.P. Tuk)) overweegt daarop, dat belanghebbende derhalve niet op grond van art. 7, lid 1, wet als ondernemer kan worden beschouwd. Hoewel de prestaties van de Hong Kong Trade Council uiteraard plaatsvonden in het maatschappelijk verkeer, vonden ze niet plaats in het economisch verkeer omdat er geen vergoeding tegenover stond. De Hong Kong Trade Development Council kon daarom niet als ondernemer worden aangemerkt en haar kwam dus geen aftrekrecht toe. Omdat deze zaak speelde onder de Tweede richtlijn stond nog niet vast dat de beslissing hetzelfde zou uitvallen onder de Zesde richtlijn. In het Vereniging Vluchtelingenwerk-arrest6 was de Hoge Raad hier heel duidelijk over. Dit arrest betreft een vereniging die als doel had het bevorderen van het geestelijk en maatschappelijk welzijn van buitenlanders in Nederland. Zij brengt voor haar prestaties geen vergoeding in rekening. De kosten van haar activiteiten bestrijdt zij uit contributies, donateursbijdragen, giften, legaten en overheidssubsidies.
Zij verzoekt om teruggaaf van voorbelasting over het tweede kwartaal 1979. De Hoge Raad kwam dus voor de vraag te staan of onder de Zesde richtlijn evenals onder de Tweede richtlijn degene die uitsluitend prestaties om niet verricht, niet kan worden aangemerkt als ondernemer. De Hoge Raad besliste dat er niet aan kan worden getwijfeld dat de door het Hof van Justitie EU gegeven uitleg aan art. 4 Tweede EG-richtlijn ook geldt voor art. 4, Zesde richtlijn (thans: art 9 btw-richtlijn) en dat ervan moet worden uitgegaan dat de Nederlandse wetgever bij de totstandkoming van de wet en de aanpassing daarvan aan de Zesde richtlijn aan de term ‘ondernemer’ geen andere betekenis heeft willen toekennen dan toekomt aan de term ‘belastingplichtige’ in art. 4 van de Tweede onderscheidenlijk Zesde richtlijn (thans: art. 9 btw-richtlijn). Dit betekent dat de uitleg die het Hof van Justitie EU van de EG aan het begrip ‘belastingplichtige’ geeft onverkort van toepassing is op de uitleg van het begrip ‘ondernemer’.
Sinds het HongKong Trade Development Council-arrest en het Vereniging Vluchtelingenwerk-arrest is het onomstreden dat degene die uitsluitend prestaties om niet verricht, niet kan worden aangemerkt als ondernemer in de zin van de btw. Deze arresten riepen natuurlijk wel de vraag op naar de begrenzing van het ondernemerschap: welke omvang moeten de prestaties tegen vergoeding hebben in verhouding tot de prestaties om niet en aan welke andere voorwaarden moet voldaan zijn, om aan te kunnen nemen dat de prestaties om niet in het kader van de onderneming worden verricht.
Met name het HongKong Trade Development Council-arrest stuitte in de literatuur op nogal wat kritiek.7 Dat de soep niet zo heet werd gegeten als hij werd opgediend bleek uit het IJ-veren II-arrest.8 De inspecteur had blijkbaar moed geput uit het HongKong Trade Development Council-arrest en deed met een beroep op dit arrest wederom een poging om het Amsterdams Gemeentelijk Vervoerbedrijf de aftrek van de aan de IJ-veren toerekenbare voorbelasting te ontzeggen. Ook nu werd de inspecteur door het Hof Amsterdam weer in het gelijk gesteld maar strandde zijn poging uiteindelijk bij de Hoge Raad, die overwoog:
3.3. Als prestaties welke in het kader van een onderneming worden verricht zijn aan te merken alle prestaties die worden verricht in het economische verkeer binnen het kader van de organisatie door middel waarvan de onderneming wordt uitgeoefend.
3.4. In de bestreden uitspraak ligt besloten ’s Hofs vaststelling dat de uitvoering van de veerdiensten door het Gemeentevervoerbedrijf inhoudt dat rechtstreeks ten behoeve van de gebruikers van het veer vervoersdiensten worden verricht, waarbij de Gemeente zich niet beperkt tot de enkele beschikbaarstelling van een gemeenschapsvoorziening, doch zich ten behoeve van bedoelde gebruikers belast met de daadwerkelijke verzorging van het vervoer. Aldus treedt de Gemeente door de uitvoering van de veerdiensten op in het economische verkeer. Aangezien deze uitvoering geschiedt binnen het verband van het Gemeentevervoerbedrijf, in welk verband de Gemeente ook prestaties tegen vergoeding verricht, hebben de veerdiensten te gelden als prestaties die in het kader van een door de Gemeente gedreven onderneming worden verricht.
3.5. Voor de aftrek van de belasting die aan de ondernemer in rekening is gebracht, stelt artikel 15 van voormelde Wet, voor zover te dezen van belang, geen andere eis dan dat de goederen en diensten ter zake waarvan de belasting in rekening is gebracht, door de ondernemer worden gebezigd in het kader van de onderneming. Blijkens het vorenoverwogene is met betrekking tot de belasting die aan de Gemeente ter zake van de exploitatie van de veerdiensten in rekening is gebracht, aan deze eis voldaan.
Ondanks het feit dat de gemeente Amsterdam met de IJ-veren geen belaste prestaties verrichtte kon zij dus volgens de Hoge Raad toch de aan de IJ-veren toerekenbare voorbelasting in aftrek brengen, omdat de gratis veerdiensten werden verricht in het kader van de onderneming van het Gemeentevervoerbedrijf en omdat art. 15 wet voor de aftrek geen andere eis stelt dan dat de ondernemer de aangeschafte goederen en diensten in het kader van de onderneming bezigt. Om te kunnen zeggen dat prestaties in het kader van de onderneming zijn verricht moet aan een dubbele eis worden voldaan: de prestaties moeten worden verricht in het economisch verkeer en zij moeten worden verricht binnen het kader van de organisatie door middel waarvan de onderneming wordt uitgeoefend. De Hoge Raad komt tot de conclusie dat in casu aan deze twee eisen wordt voldaan omdat: (1) de gemeente door de uitvoering van de veerdiensten optreedt in het economisch verkeer en (2) deze uitvoering geschiedt in het organisatorisch verband van het door de gemeente gedreven Gemeente-vervoerbedrijf. Het is mij niet geheel duidelijk hoe de Hoge Raad tot de conclusie kan komen dat de gemeente bij de uitvoering van veerdiensten optreedt in het economisch verkeer. Deze conclusie kan mijns inziens niet gedragen worden door de vaststelling dat de uitvoering van veerdiensten door de gemeente inhoudt dat rechtstreeks ten behoeve van gebruikers van het veer vervoersdiensten worden verricht, waarbij de gemeente zich niet beperkt tot de enkele beschikbaarstelling van een gemeenschapsvoorziening, doch zich ten behoeve van bedoelde gebruikers belast met de daadwerkelijke verzorging van het vervoer. De vervoersdiensten worden om niet verricht en de vraag is nu juist of dan sprake kan zijn van prestaties in het economisch verkeer. Hoe dit ook zij, de conclusie van de Hoge Raad heeft tot gevolg dat met betrekking tot de btw die aan de gemeente ter zake van de exploitatie van de veerdiensten in rekening is gebracht, aan de in art. 15 geformuleerde eis dat ‘de goederen en diensten door de ondernemer worden gebezigd in het kader van zijn onderneming’ is voldaan, zodat die belasting voor aftrek in aanmerking komt.
Bij het Amsterdams Gemeentelijk Vervoerbedrijf was de exploitatie van de IJveren ondergeschikt aan de veel omvangrijkere exploitatie van metro’s, trams en bussen, waarbij tegen vergoeding vervoersdiensten werden verricht. Bij het Brits Toeristenbureau-arrest9 ligt deze verhouding heel anders. Het Brits Toeristenbureau, dat gedreven wordt door de British Tourist Council een naar Brits recht opgerichte rechtspersoon, levert tegen vergoeding drukwerken (en verricht aldus belaste prestaties) maar het overgrote deel van de activiteiten bestaat uit prestaties om niet, het geven van gratis toeristische informatie en het organiseren van gratis evenementen. Deze prestaties vergen meer dan 80% van de beschikbare oppervlakte in het pand waarin het Brits Toeristenbureau is gevestigd en 80% van de werkzaamheden van het personeel. Voor zover de kosten van gratis prestaties niet gedekt worden door de opbrengsten uit de verkopen worden zij gedragen door de Britse overheid. Ook nu was weer de vraag of de gratis prestaties als ondernemer werden verricht zodat daarvoor recht op aftrek van voorbelasting bestond.
In het Brits Toeristenbureau-arrest introduceert de Hoge Raad het begrip ‘ter wille van daarmee gemoeide economische belangen’ om daarmee prestaties om niet te promoveren tot prestaties in het economisch verkeer. De Hoge Raad overweegt:
Uit het hiervoor (...) overwogene volgt dat de aldaar bedoelde prestaties om niet – het verschaffen van toeristische informatie en het organiseren van evenementen – door belanghebbende worden verricht binnen het kader van de organisatie door middel waarvan haar onderneming wordt uitgeoefend. De bestreden uitspraak en de stukken van het geding laten buiten twijfel dat belanghebbende met het verrichten van deze prestaties, ter wille van de daarmee gemoeide economische belangen, optreedt tegenover personen die niet tot de eigen kring behoren, hetgeen inhoudt dat die prestaties worden verricht in het economische verkeer.
Ook hier komt de Hoge Raad tot de conclusie dat de prestaties in het kader van de onderneming worden verricht omdat aan de twee eisen wordt voldaan: (1) de prestaties worden verricht in het organisatorisch kader door middel waarvan de onderneming wordt uitgeoefend en (2) de prestaties worden verricht in het economisch verkeer. In het IJ-veren II-arrest bezigt de Hoge Raad de term ‘economisch belang’ nog niet. Ik ga er echter vanuit dat ook in het IJ-veren II-arrest bij de beslissing van de Hoge Raad heeft meegewogen dat met de prestaties economische belangen zijn gemoeid: de gemeente dient een algemeen economisch belang door te zorgen voor een goed functionerend openbaar vervoer zoals in het Brits Toeristenbureau-arrest het economische belang van Britse overheid en bedrijfsleven gemoeid is met de bevordering van het toerisme. Blijkbaar is dus niet alleen relevant het eigen economisch belang, zoals, bijvoorbeeld, bij gratis prestaties die als reclame dienen ter bevordering van de prestaties tegen vergoeding, maar ook het economische belang van derden.10 In HR 14 september 1988, nr. 25 005, BNB 1989/21311 herhaalt de Hoge Raad wat hij enkele maanden daarvoor in het Brits Toeristenbureau-arrest al had overwogen: prestaties worden verricht in het economisch verkeer als zij worden verricht ter wille van de daarmee gemoeide economische belangen tegenover personen die niet tot de eigen kringen behoren. Prestaties kunnen dan blijkbaar zowel prestaties onder bezwarende titel zijn als prestaties om niet.
Een ander voorbeeld van een geval waarin het nieuw geïntroduceerde begrip ‘ter wille van de daarmee gemoeide economische belangen’ wordt toegepast is het Stichting Musische Vorming-arrest12 waarin het ging om een stichting die projecten organiseert op het gebied van muzikale vorming. De stichting verricht (belaste) prestaties tegen vergoeding, maar daarnaast voert zij verschillende projecten uit waarvoor zij geen vergoeding in rekening brengt. Deze projecten werden bekostigd uit een gemeentesubsidie. Na herhaald te hebben dat als prestaties in het economisch verkeer slechts kunnen gelden die prestaties die, in het kader van de organisatie door middel waarvan de onderneming wordt uitgeoefend, worden verricht in het economische verkeer, beslist de Hoge Raad:
De bestreden uitspraak en de stukken van het geding stellen buiten twijfel dat belanghebbende met de prestaties die zij ten behoeve van de projecten om niet heeft verricht, geen ander doel beoogde dan de musische vorming van kinderen die in de Gemeente de basisschool bezochten, en deze prestaties niet heeft verricht ter wille van enig daarmee gemoeid economisch belang. Onder die omstandigheden kan van deze prestaties niet worden gezegd dat zij werden verricht in het economische verkeer. Dit brengt mee dat belanghebbende bij het verrichten van de prestaties niet als ondernemer heeft gehandeld, zodat zij de haar te dezer zake in rekening gebrachte voorbelasting niet in aftrek kan brengen.
Uit dit arrest leid ik af dat de Hoge Raad economische belangen afzet tegen sociaal-culturele belangen, belangen met een meer algemeen maatschappelijke betekenis.13 In dat licht wordt ook het hierna nog te bespreken Filosofische bibliotheek-arrest14 begrijpelijk.
Uit de feiten van BNB 1989/245 valt af te leiden dat de stichting naast de activiteiten waarvan het ondernemerschap ter discussie stond, al ondernemersactiviteiten verrichtte. Uit het arrest kan dus opgemaakt worden dat de Hoge Raad het mogelijk acht dat een stichting naast een ondernemerssfeer een niet-ondernemerssfeer heeft. Dat natuurlijke personen naast hun ondernemerssfeer ook nog een privésfeer behielden stond altijd wel vast. Ook bij publiekrechtelijke rechtspersonen was altijd wel duidelijk dat er ten minste twee ‘sferen’ waren: de overheidssfeer en de ondernemerssfeer.15 Dit laatste bleek bijvoorbeeld ook uit het IJ-veren II-arrest. De mogelijkheid van een ondernemers- en een niet-ondernemerssfeer bij privaatrechtelijke lichamen stond echter ter discussie.16 Eerdere, hiervoor besproken arresten, gaven daar geen uitsluitsel over. Immers de Hong Kong Trade Development Council verrichtte uitsluitend prestaties om niet en werd daarvoor niet als ondernemer aangemerkt; het Brits Toeristenbureau werd daarentegen voor al haar prestaties als ondernemer aangemerkt. De Stichting Musische Vorming was echter, na de beslissing van de Hoge Raad dat zij ‘bij het verrichten van de prestaties (SB: in casu waren dit ‘prestaties om niet’) niet als ondernemer heeft gehandeld’, deels ondernemer en deels niet-ondernemer.
De hiervoor besproken jurisprudentie, met name het Brits Toeristenbureau-arrest, leek ruimte te bieden om prestaties om niet in de ondernemerssfeer te trekken en om daarmee aftrekrecht te creëren, door in relatief geringe mate prestaties tegen vergoeding te verrichten. Dit was een aanlokkelijk vooruitzicht voor fiscale avonturiers. Dat de Hoge Raad hier korte metten mee maakte bleek uit het Filosofische bibliotheek-arrest, dat handelde over een bv die een zeer waardevolle cultureel-filosofische bibliotheek beheerde en boeken uitgaf. Belanghebbende verleent van tijd tot tijd medewerking aan tentoonstellingen, publikaties en manifestaties door het in bruikleen geven van bepaalde boeken. Belanghebbende brengt daarvoor een vergoeding in rekening van doorgaans dfl. 1 tot dfl. 2 per boek. De bibliotheek is opengesteld voor het publiek. Daarvoor moet een afspraak worden gemaakt. Voor de bezichtiging en de inzage van de boeken wordt geen vergoeding in rekening gebracht. In de onderhavige jaren heeft belanghebbende in totaal vier boeken uitgegeven. Voor deze activiteit dient belanghebbende te worden aangemerkt als ondernemer. Belanghebbende wenst ondanks de zeer geringe omvang, in relatieve en absolute zin, van de ondernemersactiviteiten, alle voorbelasting in aftrek te brengen, dus bijvoorbeeld ook de voorbelasting die betrekking had op de aanschaf van de zeer kostbare, voor de bibliotheek bestemde boeken.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof dat belanghebbende de prestaties bestaande in het gelegenheid geven tot het bezichtigen en inzien van haar collectie en het uitlenen van bepaalde werken niet verricht ter wille van enig daarmee gemoeid economisch belang, dat onder die omstandigheden van de prestaties niet gezegd kan worden dat zij worden verricht in het economische verkeer en dat derhalve belanghebbende bij het verrichten van deze prestaties niet als ondernemer in de zin van art. 7, lid 1, wet heeft gehandeld.17 Ook bevestigde de Hoge Raad de beslissing van het hof dat de door belanghebbende, voor het uitlenen van juist zeldzame en kostbare werken ten behoeve van tentoonstellingen en dergelijke, bedongen vergoedingen slechts een symbolisch karakter hebben, zodat kan worden gesproken van prestaties uit vrijgevigheid van belanghebbende. Ten slotte vond de Hoge Raad, met het hof, dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er een zodanig verband bestaat tussen het tot stand brengen van de bibliotheek en de uitgave van de vier tot stand gekomen boeken, dat kan worden gezegd dat de tot die bibliotheek behorende werken zijn verzameld en gebezigd ten behoeve van het uitgeven van die boeken. Daarbij was van belang de verhouding tussen de omvang van de bibliotheek en de omvang van de uitgeverijactiviteiten van belanghebbende, en voorts het feit dat het streven van belanghebbende er in de eerste plaats op is gericht een bibliotheek met een grote culturele waarde tot stand te brengen en in stand te houden.
Evenals in het Stichting Musische Vorming-arrest was in deze casus dus sprake van een ondernemerssfeer (de uitgeefactiviteiten) en een niet-ondernemers-sfeer (de bibliotheekactiviteiten). Dat gaf weer voeding aan het idee om allerlei activiteiten binnen een (rechts)persoon gescheiden te beoordelen. Een voorbeeld daarvan is te vinden in het Radio-omroep I-arrest18, waarin een stichting als lokale omroep radio-uitzendingen verzorgt. De stichting bekostigt haar radioprogramma’s volledig uit de (belaste) reclameopbrengsten ter zake van het ter beschikking stellen van (reclame)zendtijd. Belanghebbende brengt alle haar in rekening gebrachte voorbelasting in aftrek. De inspecteur, daarin gesteund door het hof, wil de radio-uitzendingen en de reclameboodschappen gescheiden beoordelen. Met betrekking tot de radio-uitzendingen verricht de stichting prestaties die zijn vrijgesteld op grond van art. 11, lid 1, onderdeel n, wet.19 Het verzorgen van reclameboodschappen is belast. De Hoge Raad beslist dat het enkele uitzenden van radioprogramma’s zonder dat dit geschiedt met het oog op het verkrijgen van een prijs of een tegenwaarde, niet leidt tot een ondernemerschap. Maar nu vaststaat dat de radioprogramma’s geheel werden gefinancierd uit de opbrengsten van de reclameboodschappen, de door belanghebbende verzorgde reclameboodschappen en de programma’s van elkaar afhankelijk zijn en de kwaliteit van de programma’s mede de hoogte van de reclameopbrengst bepaalde, oordeelt de Hoge Raad dat het totaal van de activiteiten van belanghebbende als één geheel moet worden beschouwd en dat dan voor een gescheiden beoordeling van de radioprogramma’s en de reclameboodschappen geen plaats is. Aangenomen moet worden dat voor het geheel van activiteiten aan de adverteerders vergoedingen in rekening worden gebracht. Van niet-commerciële activiteiten in de zin art. 11, lid 1, onderdeel n, wet is geen sprake.
Dat het bij een lokale omroep ook anders kan aflopen bleek uit het Radioomroep II-arrest.20 Het ging in dit arrest om een stichting die als lokale omroep naast commerciële activiteiten (het verkopen van zendtijd voor het maken van reclame) radio- en televisie-uitzendingen verzorgde die werden bekostigd uit subsidies. Nadat was vastgesteld dat de radio- en televisie-uitzendingen enerzijds en de commerciële activiteiten anderzijds onafhankelijk van elkaar gezien kunnen worden, overwoog de Hoge Raad:
Verder staat vast dat belanghebbende ter zake van het verzorgen van bedoelde uitzendingen geen vergoeding ontvangt, zodat ervan moet worden uitgegaan dat deze uitzendingen worden verricht zonder dat dit geschiedt met het oog op het verkrijgen van een prijs of een tegenwaarde en ook overigens niet ter wille van enig daarmee gemoeid economisch belang, hetgeen meebrengt dat van deze uitzendingen niet kan worden gezegd dat zij worden verricht in het economische verkeer.
Kortom: voor de commerciële activiteiten kwalificeerde de stichting wel als ondernemer, voor de radio- en televisie-uitzendingen niet.
Van Hilten zegt in haar noot in BNB 1996/391 dat met dit arrest het IJ-veren II- en het Brits Toeristenbureau-arrest als achterhaald kunnen worden beschouwd. Dat was op dat moment al een boude stelling en met de kennis van nu kunnen we zeggen dat zij onjuist was. Met name uit het hierna nog te bepreken Landgoed-arrest (BNB 2001/350) blijkt dat het nog steeds mogelijk is dat prestaties om niet kunnen plaatsvinden in hetzelfde organisatorisch verband als prestaties tegen vergoeding en kunnen ‘meeliften’ met de ondernemersactiviteiten.
In dezelfde lijn als het eerste Radio-omroep II-arrest ligt het Zeehondencrèchearrest.21 Een zeehondencentrum bestaat uit een zeehondencrèche, een informatiecentrum en een winkel. De zeehondencrèche en het informatiecentrum zijn gratis toegankelijk. In de winkel worden tegen vergoeding prestaties verricht. Belanghebbende bekostigt haar crèche-activiteiten en het informatiecentrum uit bijdragen van een stichting steunfonds, bijdragen van diverse organisaties, vergoedingen voor reclame-acties waarin instellingen tegen vergoeding belanghebbendes naam mogen gebruiken, en uit opbrengsten van de winkel. Belanghebbende betoogt dat de crèche- en informatieactiviteiten zodanig verweven zijn met en afhankelijk zijn van de reclame- en winkelactiviteiten dat zij ook met de crèche- en informatieactiviteiten in het economisch verkeer optreedt. Hof en Hoge Raad verwerpen dit standpunt. Voor de winkelactiviteiten en reclameactiviteiten is belanghebbende ondernemer, voor de crècheactiviteiten niet. De crècheactiviteiten en de reclameactiviteiten zijn niet zodanig onderling van elkaar afhankelijk, dat zij als één geheel moeten worden beschouwd. Dit heeft tot gevolg dat de crècheactiviteiten niet vanwege de reclameactiviteiten als in het economische verkeer verricht kunnen worden aangemerkt.
Ook in het KNWV-arrest22 werd evenals in het Zeehondencrèche-arrest beslist door hof en Hoge Raad dat de ondernemers- en de niet-ondernemersactiviteiten niet zodanig onderling van elkaar afhankelijk zijn dat zij als één geheel moeten worden beschouwd. De organisatie is voor de activiteiten in het kader van de algemene belangenbehartiging dus geen ondernemer. In dit arrest ging het om een landelijke overkoepelende sportorganisatie, die tegen vergoeding prestaties verricht en die de algemene belangen van de leden behartigt. De algemene belangenbehartiging wordt bekostigd uit contributies en subsidies.
Uit het Landgoed I-arrest23 blijkt dat onder omstandigheden gratis nevenactiviteiten die op zichzelf beschouwd geen ondernemersactiviteiten zijn kunnen nog steeds ‘meeliften’ met het ondernemerschap van de hoofdactiviteit zonder dat getoetst wordt of met de nevenactiviteiten een economisch belang is gemoeid. Stichting X beheert en onderhoudt een landgoed dat zij huurt. Het landgoed bestaat uit een borg, waarin een museum is gevestigd en waarin men kan trouwen. Daarnaast is in een van de gebouwen een verpacht restaurant gevestigd. Verder is er een parkbos en een landschapspark met daarin een aantal oude beelden en vazen (hierna: het bos). De stichting verleent (deels) tegen betaling toegang tot het bos. Het hof beoordeelt eerst of de activiteiten inzake het bos op zichzelf beschouwd, kwalificeren voor het ondernemerschap en betrekt daarbij dat voor het bezoek aan het bos de volgende tarieven gelden:
gewone bezoekers dfl. 1, te voldoen in een bus;
schoolkinderen en de scoutingclub hebben gratis toegang;
leden van de plaatselijke fiets- en schaatsclub betalen dfl. 6,50 per jaar;
groepsactiviteiten van de plaatselijke buurtvereniging kosten dfl. 0,50 per persoon.
Verder stelt het hof vast dat een feitelijke controle op het betalen van de entreegelden niet plaatsvindt en dat in de betreffende jaren relatief heel lage bedragen aan entreegeld zijn ontvangen. Op basis van een en ander oordeelt het hof dat de stichting de activiteiten met betrekking tot het bos niet verricht ter wille van enig daarmee gemoeid economisch belang, hetgeen meebrengt dat de activiteiten niet zijn verricht in het economische verkeer en dat de stichting in zoverre dus geen ondernemer is. De Hoge Raad overweegt:
(De stichting) is in elk geval voor wat betreft haar hoofdactiviteit ondernemer. ’s Hofs uitspraak en de stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat naar maatschappelijke opvattingen het landgoed, bestaande uit de borg, de bijgebouwen en het bos, is aan te merken als één geheel. Op grond daarvan behoort ook het bos tot de onderneming van X.
Ten slotte noem ik in deze reeks van arresten het VNLTO-arrest.24 De Vereniging Noordelijke Land- en Tuinbouw Organisatie heeft volgens haar statuten tot doel het bevorderen van de belangen van de agrarische sector in een bepaalde regio en van de in die sector werkzame ondernemers. De leden van belanghebbende – in de agrarische sector werkzame ondernemers – betalen een niet-belastbare contributie. De werkzaamheden van belanghebbende bestaan uit het behartigen van de belangen van de landbouw op het nationale en internationale vlak, en voorts uit het verrichten van individuele diensten aan leden en niet-leden in de agrarische sector tegen een overeengekomen vergoeding. Niet in geschil is dat voor deze laatste activiteiten VNLTO als ondernemer kwalificeert. VNLTO is echter van mening dat ook haar activiteiten met het oog op de algemene belangbehartiging van de leden in het kader van de onderneming worden verricht en dat de op deze activiteiten betrekking hebbende voorbelasting voor aftrek in aanmerking komt. Het Hof Leeuwarden beslist:
dat de belanghebbende haar activiteiten met het oog op de algemene belangenbehartiging van haar leden niet verricht binnen het kader van haar onderneming. Daartoe is redengevend dat de algemene belangenbehartiging niet wordt verricht met het oog op het verkrijgen van een tegenprestatie, terwijl zij geen noodzakelijke voorwaarde is voor de onder (...) weergegeven activiteiten waarvoor de belanghebbende – maar niet in geschil is – wel als ondernemer optreedt. Voorts kunnen niet-leden gebruik maken van de commerciële diensten die door de belanghebbende worden aangeboden, terwijl gelijksoortige diensten worden aangeboden door derden, die geen algemene belangenbehartiging nastreven, zodat de algemene belangenbehartiging niet een rechtstreeks, duurzaam en noodzakelijk verlengstuk vormt van de economische activiteiten van de belanghebbende. Hieraan doet niet af dat de algemene belangenbehartiging gedeeltelijk wordt gefinancierd uit de met de economische activiteiten behaalde overschotten.
In de woorden ‘rechtstreeks, duurzaam en noodzakelijk verlengstuk’ vinden we door het Hof van Justitie EU in een aantal arresten gebezigde woorden terug.25 Belanghebbende gaat in cassatie. Haar eerste cassatiemiddel ziet op de hiervoor geciteerde beslissing van het hof inzake de reikwijdte van het ondernemerschap. Het is zeer opmerkelijk dat de Hoge Raad in zijn arrest hieraan volledig voorbijgaat en de cassatiemiddelen zodanig (her)interpreteert26 dat zij alleen de beslissing van het hof met betrekking tot de aftrek bestrijden. Dit is te meer opmerkelijk nu A-G De Wit in onderdeel 4.2 e.v. van zijn conclusie27 hier uitgebreid op ingaat. Om tot een goed oordeel met betrekking tot het aan VNLTO toekomende recht op aftrek te komen meent de Hoge Raad prejudiciële vragen te moeten stellen aan het Hof van Justitie EU. Deze vragen hebben vervolgens uitsluitend betrekking op de reikwijdte van het leerstuk van de vermogensetikettering. De reikwijdte van het ondernemerschap krijgt in de arresten van de Hoge Raad en van het Hof van Justitie EU geen aandacht meer.