Einde inhoudsopgave
Forumkeuze in het Nederlandse IPR (R&P nr. 159) 2008/16.3.2.1
16.3.2.1 Uitdrukkelijke forumkeuze ex artikel 23 EEX-r/17 Verdrag
mr. P.H.L.M. Kuypers, datum 29-02-2008
- Datum
29-02-2008
- Auteur
mr. P.H.L.M. Kuypers
- JCDI
JCDI:ADS416882:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Par. 16.1.
Beraudo, Jurisclasseur, suppl. (1989), p. 22; Vlas, Rechtsvordering, Verdragen & Verordeningen, suppl. 304 (juli 2006), p. A-a-67-68 en 98-102 met de jurisprudentie over art. 5 EEX-V°/Verdrag; Kropholler, EZPR, p. 119; HvJ EG 27 september 1988, zaak 189/87, Kalfelis/Schrllder, Jur. 1988, p. 5565, NJ 1990, 425, r.o. 19; HvJ EG 15 februari 1989, zaak 32/88, Six Constructions/Humbert, Jur. 1989, p. 341, NJ 1990, 698, r.o. 18; HvJ EG 15 januari 2004, zaak C-433/01, Blijdenstein/Freistaat Bayem, Jur. 2004, p. 1-981, r.o. 25; HvJ EG 5 februari 2004, zaak C-265/02, Frahuil/Assitalia, Jur. 2004, p. I- 1543, r.o. 23; HvJ EG 10 juni 2004, zaak C-168/02, Kronhofer/Maier, Jur. 2004, p. I -6009, NJ 2006, 335, r.o. 12 en 14; HvJ EG 13 juli 2006, zaak C-539/03, Roche/Primus, Jur. 2006, p. 1-6535, r.o. 21; HvJ EG 13 juli 2006, zaak C-103/05, Reisch/Kiesel, Jur. 2006, p. I -6827, r.o. 23; HvJ 11 oktober 2007, zaak C-98/06, Arnoldsson/Freeport, n.g., r.o. 34; Rb. 's-Hertogenbosch 4 mei 2005, NJF 2005, 240; Bishoff, Clunet 1978, p. 390; Gaudemet-Tallon, Rev Crit 1982, p. 576; Jayme, Civil Jurisdiction, p. 73; anders: Huet, Clunet 1982, p. 387 en Civil Jurisdiction, p. 63. Rb. Rotterdam 5 april 2006, http://www.rechtspraak.nl, LJN AV 9819 benadrukt dat de restrictieve uitleg niet naar analogie op art. 7 lid 1 Rv mag worden toegepast.
HvJ EG 14 december 1976, zaak 24/76, Colzani/Ruwa, Jur. 1976, p. 1831, NJ 1977, 446, r.o. 7 en HvJ EG 14 december 1976, zaak 25/76, Segoura/Bonakdarian, Jur. 1976, p. 1851, r.o. 7; vgl. AG Léger voor HvJ EG 9 december 2003, zaak C-116/02, Gasser/MISAT, Jur. 2003, p. 1-14693, NJ 2007, 151, par. 60.
HvJ EG 6 mei 1980, zaak 784/79, Porta Leasing/Prestige International, Jur. 1980, p. 517, NJ 1980, 607, r.o. 5; HvJ EG 14 juli 1983, zaak 201/82, Gerling/Tesoro Dello Stato, Jur. 1983, p. 2503, r.o. 13; HvJ EG 19 juni 1984, zaak 71/83, Tilly Russ/Nova, Jur. 1984, p. 2417, r.o. 14; HvJ EG 11 Juli 1985, zaak 221/84, BergIn5fer/ASA, Jur. 1985, p. 2699, NJ 1986, 602 (afgezien van een kleine wijziging van de volgorde van de zinsnede aan het einde).
HvJ EG 20 februari 1997, zaak C-106/95, MSG/Les Gravières, Jur. 1997, p. 1-911, NJ 1998, 565, r.o. 14.
HvJ EG 14 december 1976, zaak 24/76, Colzani/Ruwa, Jur. 1976, p. 1831, NJ 1977, 446.
HvJ EG 14 december 1976, zaak 25/76, Segoura/Bonakdarian, Jur. 1976, p. 1851, NJ 1977, 447.
HvJ EG 9 november 1978, zaak 23/78, Meeth/Glacetal, Jur. 1978, p. 2133, NJ 1979, 538, r.o. 5.
HvJ 11 oktober 2007, zaak 98/06, Arnoldsson/Freeport, n.g., r.o. 36.
Cour de Cassation lère ch. civ. 12 juli 1982, Rev Crit 1983, p. 658; Rb. Zutphen 16 maart 1989, NIPR 1991, 240; Rb. Rotterdam 4 juni 2003, NIPR 2004, 271; Ktr. Arnhem 22 oktober 1990, NIPR 1993, 473; Rb. Arnhem 29 september 2004, NIPR 2004, 370; Rb. Middelburg 7 juli 2004, NIPR 2004, 379; Rb. Arnhem 14 september 2005, NIPR 2006, 139.
Gaudemet-Tallon, Compétence en Eumpe, p. 207; Lagarde, Rev. Crit 1983, p. 659; Droz, Compétence Judiciaire, p. 72 (art. 6), Ras, TvP 1975, p. 894; Pertegás Sender, EEX-Verordening in de praktijk, p. 195; Verheul, Rechtsmacht, Deel I, p. 100; Holleaux, Clunet 1983, p. 406; Holleaux, Dip., p. 381.
De fora van de art. 5 en 6 EEX-V°Nerdrag zijn volgens EEX-V°Nerdrag gelijkwaardige alternatieven ten opzichte van art. 2 EEX-V°Nerdrag dat de hoofdregel bevat.1 De rechtspraak heeft niettemin geoordeeld - zonder aan dit uitgangspunt te tornen dat de fora van art. 5 en 6 EEX-V°Nerdrag uitzonderingen zijn op de hoofdregel van art. 2 EEX-V°Nerdrag, die restrictief moeten worden uitgelegd.2 Niettemin blijven deze artikelen belangrijke grondslagen in het internationale bevoegdheidsrecht.
Het Hof van Justitie heeft diverse arresten gewezen over de verhouding in het algemeen tussen art. 17 EEX enerzijds en de art. 2, 5 en 6 EEX anderzijds. Aanvankelijk overwoog het Hof van Justitie:
`dat bij de aanwijzing van een bevoegde rechter zowel de bevoegdheid op grond van het algemeen beginsel van artikel 2 als de bijzondere bevoegdheden van de artikelen. 5 en 6 van het Verdrag worden uitgesloten.3
Later heeft het Hof van Justitie deze overweging in enigszins gewijzigde bewoordingen als volgt herhaald:
`moet de door artikel 17 vereiste schriftelijke vorm waarborgen dat de wilsovereenstemming tussen partijen, die door de aanwijzing van een bevoegde rechter afwijken van de algemene bevoegdheidsregels van de artikelen 2, 5 en 6 Executieverdrag, duidelijk en nauwkeurig tot uiting komt en daadwerkelijk vaststaat.'4
In het arrest MSG/Les Gravières5 heeft het Hof van Justitie plotseling weer teruggegrepen naar de oude formulering in de arresten Colzani/Rilwa6 en Segoura/Bonakdarian.7 De reden hiervoor is wellicht dat het Hof van Justitie in het arrest MSG/Les Gravières voornamelijk over de verhouding tussen wilsovereenstemming en de vormvoorschriften moest oordelen. Over dit onderwerp had het Hof van Justitie reeds geoordeeld op basis van de versie van het EEX voor wijziging door het Eerste Toetredingsverdrag. Voorts heeft het Hof van Justitie met betrekking tot een 'wederkerige forumkeuze' - een forumkeuze op grond waarvan voor iedere partij het gerecht van de woonplaats van de andere partij of haar eigen woonplaats bij uitsluiting bevoegd is om kennis te nemen van vorderingen - onomwonden overwogen dat deze forumkeuze zin heeft, omdat de forumkeuze ertoe leidt dat partijen zich in hun betrekkingen van andere, facultatieve, attributies van rechtsmacht als bedoeld in de art. 5 en 6 EEX niet meer mogen bedienen.8 Met zoveel woorden benadrukt het Hof van Justitie de voorrang van art. 17 EEX boven de art. 5 en 6 EEX. De rechtsmacht van de gekozen rechter ex art. 23 EEX-V°/17 Verdrag derogeert derhalve aan de rechtsmacht van de gerechten die krachtens de art. 2, 5 en 6 EEX-V°Nerdrag bevoegd zijn.9
Het oordeel van het Hof van Justitie is niet verrassend. Art. 23 EEX-V°/17 Verdrag is ondergebracht in afdeling 7 respectievelijk 6 getiteld: 'Door partijen aangewezen bevoegd gerecht' c.q. 'Door partijen aangewezen bevoegde rechter'. Art. 23 lid 1 EEX-V°/17 lid 1 Verdrag bepaalt uitdrukkelijk dat de aangewezen rechter bij uitsluiting bevoegd is. De art. 2, 5 en 6 EEX-V°Nerdrag worden bovendien niet genoemd in art. 23 lid 5 EEX-V°/17 lid 3 Verdrag, zodat ook daarom geen beperking voor een forumkeuze voortvloeit uit de art. 2, 5 of 6 EEX-V°Nerdrag. Gelet op de duidelijke en vaste rechtspraak van het Hof van Justitie, wordt ook in de nationale rechtspraak aangenomen dat art. 23 EEX-V°/17 Verdrag voorrang heeft boven de art. 2, 5 en 6 EEX-V°Nerdrag.10 De literatuur onderschrijft dit standpunt.11