Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW
Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/5.8.9.2.2:5.8.9.2.2 Reguliere schuldeisers
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/5.8.9.2.2
5.8.9.2.2 Reguliere schuldeisers
Documentgegevens:
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS649038:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 31 maart 2017, JOR 2017/221, NJ 2018/26, r.o. 5.1.4.
HR 31 maart 2017, JOR 2017/221, NJ 2018/26, r.o. 5.1.6. Zie hierover onder meer Bartman & Van der Kraan 2017, p. 921-927.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het leidt geen twijfel dat reguliere schuldeisers van de vrijgestelde rechtspersoon die een vordering hebben die voortvloeit uit een rechtshandeling op basis van een 403-verklaring tevens kunnen worden aangemerkt als schuldeisers van de rechtspersoon die de 403-verklaring deponeerde. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan partijen die een overeenkomst met een vrijgestelde rechtspersoon hebben gesloten en uit dien hoofde een opeisbare vordering op de vrijgestelde rechtspersoon hebben. Deze schuldeisers, die schuldeisers zijn in de zin van artikel 997 lid 4 Rv, zijn zonder twijfel normadressaat van artikel 2:404 lid 5 BW. De Hoge Raad heeft in dit kader nader overwogen:1
“De regeling van verzet in art. 2:404 BW is mede ontleend aan de regeling van verzet tegen kapitaalvermindering. (Kamerstukken II 1983-1984, 16551, nr. 11, p. 15-16). In de memorie van toelichting op art. 2:100 BW, waarin de regeling van verzet tegen kapitaalvermindering bij de naamloze vennootschap is opgenomen, is het volgende vermeld. Is de vordering opeisbaar, dan zal de schuldeiser uiteraard betaling verlangen en, om verzet te voorkomen, krijgen, indien zijn vordering niet betwist is. Is de vordering wel betwist, dan wordt deze in feite pas inbaar na een rechterlijk vonnis of een schikking, die beide nog enige tijd op zich kunnen laten wachten. Het zou daarom onredelijk zijn de schuldeiser die een betwiste vordering heeft, een aanspraak op zekerheidstelling te onthouden, tenzij de rechter die over het verzet oordeelt de betwiste vordering bij voorbaat niet erkent. Het recht van verzet komt aan alle schuldeisers toe. (Kamerstukken II 1978-1979, 15304, nr. 3, p. 46).”
Kort samengevat heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een betwisting van de vordering niet tot het resultaat leidt dat een schuldeiser niet in verzet zou kunnen komen. Uiteraard zal daarnaast beoordeeld moeten worden of de partij die in verzet komt een vordering heeft die voldoende ‘hard’ is. De maatstaf die in dit kader door de Hoge Raad wordt gehanteerd, is de volgende:2
“5.1.6 Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat in de verzetprocedure niet over de toewijsbaarheid van de vordering van de schuldeiser wordt beslist, dient de rechter, in een geval waarin het bestaan en de omvang van de vordering zijn betwist, het verzet gegrond te verklaren, tenzij en voor zover hij de vordering onmiskenbaar ongegrond acht. Aan zijn daarop betrekking hebbende oordeel zijn slechts beperkte motiveringseisen te stellen.”
Volgens deze uitspraak dient sprake te zijn van een vordering die niet onmiskenbaar ongegrond is. Op de hardheid van de vordering wordt nog nader ingegaan in paragraaf 5.8.7.