Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/9.8.1
9.8.1 Inleiding
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS373446:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Tuitel (2005), p. 215.
Zie hoofdstuk 10, i.h.b. § 10.5.3.1.
In hoofdstuk 10 tracht ik met een aantal aanbevelingen een actievere opstelling van de A-G te bewerkstelligen. Zie de door mij aanbevolen wijzigingen naar huidig recht (§ 10.8) en geopperde gedachten over de verruiming van de beperkende werking van het begrip openbaar belang (§ 10.9.2).
Weliswaar schept art. 26 lid 8 WOR de mogelijkheid om voorlopige voorzieningen te treffen, maar uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de OK dit instrument met de nodig voorzichtigheid moet hanteren. Voorlopige voorzieningen zijn slechts toewijsbaar indien daarvoor zwaarwichtige redenen aanwezig zijn. Zie GS Rechtspersonen/R.H. van het Kaar, art. 26 WOR lid 8, aant. 6 (online bijgewerkt tot 10 februari 2014).
Een oproep aan vakbonden om actiever gebruik te maken van de enquêtebevoegdheid is reeds in de literatuur gedaan, maar tot op heden zonder succes.1 De geringe enquêtebereidheid van de vakbonden heeft tot gevolg dat met enige regelmaat de vraag rijst of het enquêterecht (niet ook) aan de ondernemingsraad moet toekomen. Nu de vakbonden het enquêterecht incidenteel benutten, resteert voor de ondernemingsraad immers slechts mogelijk om enquêtegerelateerde onderwerpen aan de OK voor te leggen via de A-G. De ondernemingsraad kan de A-G verzoeken om een enquête om redenen van openbaar belang in te dienen. De A-G maakt echter nog spaarzamer gebruik van zijn enquêtebevoegdheid dan de vakbonden.2 Gelet op deze terughoudende opstelling is de kans dat de A-G bereid is een enquête in te dienen op verzoek van de ondernemingsraad gering.3 De ondernemingsraad heeft wel andere bevoegdheden om de gang van zaken in de onderneming aan de OK voor te leggen. Ik doel op zijn medezeggenschapsrechten in de WOR.
Art. 25 lid 1 WOR geeft de ondernemingsraad een adviesrecht over een ruime opsomming van onderwerpen. Het gaat in dit artikellid om voorgenomen besluiten van financieel-economische en bedrijfsorganisatorische aard. Indien de ondernemingsraad negatief adviseert, kan de ondernemer na een maand opschortingstermijn het besluit alsnog uitvoeren (art. 25 lid 6 WOR). De ondernemer kan een negatief advies dus laten voor wat het is en het voorgenomen besluit een definitieve status geven. Art. 26 WOR biedt de ondernemingsraad vervolgens de mogelijkheid om tegen een definitief besluit als bedoeld in art. 25 lid 5 WOR in beroep te gaan bij de OK. De ondernemingsraad kan alleen beroep instellen als de ondernemer bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet tot zijn besluit had kunnen komen: de zogenoemde marginale toetsing (art. 26 lid 4 WOR). Verklaart de OK dit beroep gegrond dan kan zij onder meer de uitvoering van het besluit (doen) staken.
Het beroepsrecht is mijns inziens geen werkbaar alternatief om enquêtegerelateerde onderwerpen aan de OK voor te leggen. Er bestaat een aanmerkelijk verschil tussen het instellen van een beroepsprocedure en het indienen van een enquêteverzoek. Het beroepsrecht ziet slechts op de ‘kennelijke onredelijkheid’ van besluiten over bedrijfseconomische en organisatorische onderwerpen. In een enquêteprocedure wordt daarentegen het gehele beleid en de gang van zaken van de vennootschap aan een onderzoek onderworpen. Het enquêterecht richt zich primair op openheid van zaken en het redresseren van wanbeleid. Wanbeleid ziet niet (vaak) op een enkel besluit. Het omvat meer, met name in situaties waarin de vennootschap in een besluitvormingsimpasse is geraakt. Het beroepsrecht biedt de ondernemingsraad geen oplossing voor situaties waarin hij constateert dat zich binnen de onderneming ernstige tekortkomingen in de gang van zaken of misstanden in het management voordoen die verdere besluitvorming mogelijk blokkeren. Wanneer er sprake is van een impasse tussen of binnen de organen van de vennootschap is het enquêterecht hêt middel waarmee hij een doorbraak kan bewerkstelligen. De ondernemingsraad verkeert door zijn nauwe betrokkenheid bij de onderneming in een goede positie om vroegtijdig aan de bel te trekken indien hij ernstige tekortkomingen of mismanagement vermoedt. Het is mijns inziens dan ook onbevredigend dat de ondernemingsraad niet op eigen initiatief een enquêteprocedure kan starten indien twijfel omtrent zo’n vermoeden niet wordt weggenomen, en de vakbonden bij de onderneming in kwestie niet in actie (kunnen) komen. Daar komt bij dat de OK de ondernemer in de beroepsprocedure – kort gezegd – slechts kan verplichten het besluit in te trekken, bepaalde gevolgen ongedaan te maken en uitvoeringshandelingen na te laten (art. 26 lid 5 WOR). In de enquêteprocedure kan de OK onmiddellijk ingrijpen binnen (de organen van) de vennootschap zelf.4
Al met al meen ik dat het beroepsrecht niet de leemte voor de werknemers in het enquêterecht kan opvullen. Nu die leemte niet op andere wijze (door vakbonden en de A-G) wordt opgevuld, vraag ik me af wat tot op heden de bezwaren zijn tegen toekenning van het enquêterecht aan de ondernemingsraad.