Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/10.4.5.4
10.4.5.4 Het toetsmoment
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491473:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. ook de onderdelen 7.2.2 en 8.2.3.2 en de daar gemaakte verwijzingen.
In de praktijk is het niet altijd eenvoudig om het exacte wilsovereenstemmingsmoment vast te stellen. Zie daarover ook Simonis & Van der Velden in: Simonis e.a. 2019, onderdeel 13.2.7, p. 319.
Vgl. ook A-G Wattel, conclusie voor HR BNB 2012/261, onderdeel 8.4. In deze zaak was verzocht om zekerheid vooraf over de vraag een splitsing een misbruikachtergrond had. Blijkbaar was nog geen obligatoire splitsingsovereenkomst gesloten. De A-G vond het niet onredelijk dat het hof zich bij de beoordeling van overwegingen mede baseerde op feiten ten tijde van de procedure voor het hof.
Zie ook Van der Geld, noot in BNB 2009/28, punt 3.
Obligatoire (splitsings-)overeenkomst
In de aandelenfusiezaak BNB 2009/28 heeft de Hoge Raad duidelijk gemaakt op welk moment moet worden beoordeeld of de antimisbruikbepaling van toepassing is. De Hoge Raad oordeelde dat de beoordeling moet plaatsvinden ten tijde van de totstandkoming van de obligatoire overeenkomst die aan de aandelenfusie ten grondslag ligt. Gelet op het feit dat de (nationale) antimisbruikbepalingen voor alle Fusierichtlijntransacties op dezelfde wijze zijn vormgegeven, geldt dit oordeel mijns inziens mutatis mutandis voor de splitsing. Het tijdstip waarop de splitsing obligatoir wordt overeengekomen is dus maatgevend. Naar mijn mening is dit (uiterlijk) het tijdstip waarop het besluit tot splitsing wordt genomen (art. 2:334m BW).1 Het komt in de praktijk voor dat de splitsingspartners de splitsing al op een eerder moment obligatoir overeenkomen. In die gevallen zal de antimisbruiktoets op dat eerdere wilsovereenstemmingstijdstip moeten worden aangelegd.2 Het is denkbaar dat de betrokkenen bij een splitsing – vóórdat de splitsing obligatoir wordt overeengekomen – de inspecteur vragen te bevestigen dat de voorgenomen splitsing niet is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. De inspecteur beslist op dat verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.3 Tussen het moment waarop de afstemming wordt gezocht en het tijdstip waarop de splitsing obligatoir wordt overeengekomen, kunnen nieuwe feiten en omstandigheden een rol spelen. Volgens mij dient in dat soort gevallen te worden beoordeeld of deze nieuwe feiten en omstandigheden tot een andere conclusie nopen.4
Toets aan het toetsingskader
Naar mijn mening is het door de Hoge Raad aangewezen beoordelingstijdstip in overeenstemming met mijn toetsingskader. Een splitsingstraject start met een voornemen en de splitsing wordt uiteindelijk geëffectueerd via een notariële splitsingsakte. De vraag of sprake is van oneigenlijk gebruik vereist onder meer dat de motieven worden achterhaald die aan de splitsing ten grondslag liggen. Het sluiten van de obligatoire overeenkomst markeert mijns inziens het eerste – voldoende concrete – moment waarop die toetsing kan plaatsvinden.5 Hoewel het Hof van Justitie zich (nog) niet expliciet heeft uitgelaten over de vraag naar welk tijdstip de antimisbruikbepaling van art. 15 Fusierichtlijn moet worden beoordeeld, verwacht ik dat het Hof van Justitie desgevraagd het oordeel van de Hoge Raad zal onderschrijven.