Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/5.4.4
5.4.4 Art. 6:181 wordt niet volledig naar het voorbeeld van art. 6:170 geïnterpreteerd
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS300397:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
De ‘uitlener’ kan overigens ook een materiëe werkgever zijn (een ‘doorlener’), zie het arrest JMV/Zurich.
HR 14 juli 2017, NJ 2017/467, m.nt. Spier (JMV/Zurich), r.o. 3.4.2.
Dit is ook de reden waarom – bij gebreke van een afwijkende contractuele regeling – de onderlinge draagplicht tussen de formele en materiële werkgever in geval van in- en uitleen van ondergeschikten in de regel (voor het overgrote deel) bij laatstgenoemde berust. Zie bijvoorbeeld Hof Den Haag 17 maart 2009, ECLI:NL:GHSGR:2009:BH6274 (Industrial/Tributary).
Vgl. ook A-G Hartlief sub 3.24 (noot 47 en 49) die omtrent in- en uitleen van ondergeschikten op het terrein van art. 7:658 (lid 4) aangeeft dat het ontbreken van zeggenschap (wel) in de weg kan staan aan een cumulatieve aansprakelijkheid van alle betrokken ‘werkgevers’. Een verklaring voor dit verschil met de toepassing van art. 6:170 is volgens Hartlief gelegen in het feit dat art. 7:658 berust op een zorgplicht voor de veiligheid en derhalve een directe(re) invloed op (het werk van) de ondergeschikte eist.
HR 14 juli 2017, NJ 2017/467, m.nt. Spier (JMV/Zurich), r.o. 3.4.2.
Zie reeds par. 3.3.1.
In mijn ogen bij degene met de grootste mate van zeggenschap over de aan de zaak verbonden risico’s, waarover als gezegd nader hoofdstuk 7.
Vgl. Rb. Den Bosch 13 juli 2011, JA 2011/164 (Val van steiger). Zie hierover nader par. 7.7.4.
Ondanks dat de aansprakelijkheden van art. 6:170 en 181 in vergaande mate gelijk opgaan, valt ook een belangrijk (systeem)verschil tussen deze beide aansprakelijkheden te signaleren. Dit openbaart zich in gevallen van terbeschikkingstelling van hulppersonen en -zaken. In geval van het aan een ander ter beschikking stellen van de in art. 6:173, 174 en 179 bedoelde zaken, bewerkstelligt lid 2 van art. 6:181 dat er in beginsel slechts één aansprakelijke partij is, te weten ‘de eindgebruiker’ c.q. ‘de laatste in de keten’. Bij het ter beschikking stellen van de in art. 6:170 bedoelde ondergeschikten geldt evenwel als uitgangspunt dat niet alleen ‘de laatste in de keten’ (de inlener; materiële werkgever) maar ook nog altijd de uitlener (formele werkgever) ex art. 6:170 aansprakelijk is.1 Dit verschil tussen de toepassing van art. 6:181 (exclusiviteit) en 170 (cumulatie) is te verklaren vanuit de aard van deze twee aansprakelijkheden. De op grond van art. 6:170 vereiste zeggenschap zijdens de opdrachtgever om een ondergeschiktheidsrelatie te kunnen aannemen, kan zowel een feitelijk als formeel karakter hebben. Dit brengt mee dat ook wanneer ‘werk-inhoudelijke’ zeggenschap ontbreekt, vanwege niettemin bestaande ‘formeel-organisatorische’ zeggenschap toch ondergeschiktheid in de zin van art. 6:170 kan worden aangenomen. Hiertoe kan al voldoende zijn dat de opdrachtgever (enkel) zeggenschap heeft over de vraag of en op welke momenten de ondergeschikte werkzaamheden voor een ander dient uit te voeren.2
De plaatsbepaling van art. 6:181 in dit hoofdstuk heeft niet alleen uitgewezen dat dit artikel in beginsel een ruime uitleg behoort toe te komen, maar tevens dat een belangrijk aanknopingspunt voor deze aansprakelijkheid is gelegen in ‘zeggenschap’. De praktische uitwerking van deze denkrichting heeft plaatsgevonden in de hoofdstukken 6 t/m 8. Zoals met betrekking tot het element zeggenschap nog uit hoofdstuk 7 zal blijken, gaat het om zeggenschap over het ‘verhoogde gevaar’ dat is verbonden aan de in art. 6:173, 174 en 179 bedoelde zaken. Kwalitatief aansprakelijk is zodoende steeds degene die de meeste invloed op de aan deze zaken verbonden risico’s heeft en het beste in staat is schadeveroorzaking te voorkomen. Met andere woorden, zo zal eveneens nog blijken uit hoofdstuk 7, art. 6:181 wijst als aansprakelijke aan degene met een (veronderstelde) zorgplicht voor de deugdelijkheid en veiligheid van de in art. 6:173, 174 en 179 bedoelde zaken. Waar het mij nu om gaat, is dat degene die op deze wijze ingevolge art. 6:181 ‘verantwoordelijkheid’ voor (schade veroorzaakt door) een zaak draagt, met die zaak wel een zekere (sprekende) band dient te hebben. Zodra de in art. 6:181 bedoelde zaken voor gebruik ter beschikking zijn gesteld aan een ander, is het in de regel echter niet (langer) de ‘uitlener’ die de aan deze zaken verbonden ‘verhoogde’ gevaren opwekt en in staat is om verwezenlijking daarvan tegen te gaan en schade te voorkomen. In zijn plaats is het de ‘inlener’ die de meest sprekende band met de zaak heeft (verkregen) en het beste in staat is invloed op de daaraan verbonden risico’s uit te oefenen. Of vanuit het perspectief van art. 6:170 geredeneerd: degene die zeggenschap over een in art. 6:181 bedoelde zaak heeft die vergelijkbaar is met de ‘formele variant’ uit de context van art. 6:170 – een zekere ‘organisatorische’ zeggenschap kan al voldoende zijn voor aansprakelijkheid –, heeft onvoldoende invloed om schadeveroorzaking door een dergelijke hulpzaak tegen te gaan. Voor dit laatste is méér nodig, en wel een mate/vorm van zeggenschap vergelijkbaar met de ‘feitelijke variant’ uit de setting van art. 6:170. Dit betreft de zeggenschap van de ‘inlener’ onder wiens feitelijke leiding de ondergeschikte zijn werkzaamheden uitvoert en die een directe invloed – althans méér invloed dan de ‘uitlener’ – heeft op de daaraan verbonden risico’s (treffen van preventieve maatregelen, geven van aanwijzingen en instructies, houden van toezicht).3 Degene die het ‘gebruikerschap’ van art. 6:181 heeft, vertoont derhalve gelijkenis met de ‘inlener’ van de in art. 6:170 bedoelde ondergeschikten, niet (ook) met de ‘uitlener’ daarvan.4
In het kader van het verschil tussen de toepassing van art. 6:170 en 181 op gevallen van de terbeschikkingstelling van hulppersonen en hulpzaken, kan tevens nog bedacht worden dat een cumulatieve aansprakelijkheid ex art. 6:170 van de in- en uitlener uitdrukkelijk in het teken staat van slachtofferbescherming: voorkomen moet worden dat benadeelden in hun verhaalsmogelijkheden worden gefrustreerd door niet kenbare of maar moeilijk te achterhalen onderlinge zeggenschapsverhoudingen tussen de verschillende betrokken ‘werkgevers’.5
Art. 6:181 heeft daarentegen een tweeledig doel:6 de bepaling beoogt in het belang van zowel benadeelden als (potentieel) aansprakelijken zoveel mogelijk tot een concentratie van aansprakelijkheid te komen.7 Waar in geval van terbeschikkingstelling van ondergeschikten vanuit het oogpunt van slachtofferbescherming ingevolge art. 6:170 in beginsel een cumulatieve aansprakelijkheid van dein- en uitlener geldt, is die lijn dus niet zomaar door te trekken naar gevallen van terbeschikkingstelling van de door art. 6:181 bestreken zaken. Overigens acht ik een cumulatieve aansprakelijkheid van de uit- en inlener op grond van art. 6:181 niet volstrekt ondenkbaar. Denk aan het geval waarin de uitlener na de terbeschikkingstelling van een zaak aan een ander daarover (toch) een zekere zeggenschap behoudt.8
Het vorenstaande illustreert dat het op hulpzaken betrekking hebbende art. 6:181 zich niet op alle fronten laat plooien naar het voor hulppersonen geldende ‘equivalent’ van art. 6:170. Dit neemt de tussen art. 6:170 en 181 bestaande nauwe verwantschap echter niet weg.