Einde inhoudsopgave
Grensoverschrijdende fusies van kapitaalvennootschappen naar Nederlands recht (VDHI nr. 109) 2011/3.3.9
3.3.9 Cartesio
mr. H.J.M.M. van Boxel, datum 11-05-2011
- Datum
11-05-2011
- Auteur
mr. H.J.M.M. van Boxel
- JCDI
JCDI:ADS432022:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
R.o. 99.
Zie r.o. 105.
Zie r.o. 106.
R.o. 107.
Zie r.o. 109.
R.o. 110.
Zo ook Schutte-Veenstra 2009, p. 107. Zie ook haar nadere toelichting op p. 108 waar zij helder aangeeft de verschillende benadering van Daily Mail en Cartesio enerzijds en Centros, Inspire Art en Cberseering anderzijds. Zie verder over deze materie en over het Cartesio-arrest uitgebreid Rammeloo 2009. Zie voorts Hijink 2010.
Hieronder dient m.i. verstaan te worden zowel de feitelijke zetel als de statutaire zetel, afhankelijk van wat de aanknopingspunten van de betreffende lidstaat zijn. Zo ook (met uitgebreide nuancering) Vossestein in zijn noot onder het arrest onder 4.
R.o. 111.
R.o. 112
R.o. 113.
Ook zo Schutte-Veenstra 2009, p. 110. Zij schrijft: 'Van het HvJ EG krijgen vennootschappen derhalve in beginsel een Europees uitreisvisum, maar alleen wanneer ze afstand doen van hun 'oude' nationaliteit en zij zichzelf een andere nationaliteit doen aanmeten'. Zie ook haar noot 17: `Vennootschappen met twee paspoorten zijn dus niet mogelijk'. Verder ook zo, Van Veen 2009, p. 24 en Bellingwout 2009, p. 227.
Cartesio is in 2004 opgericht in de vorm van een `betéti társaság', een commanditaire vennootschap naar Hongaars recht. De vennootschap kent een beherend vennoot en een commanditair vennoot, beiden natuurlijke personen die woonachtig zijn in Hongarije en de Hongaarse nationaliteit hebben.
In november 2005 dient Cartesio bij de regionale rechtbank, optredend als handelsrechtbank, een verzoek in teneinde de verplaatsing van haar zetel naar het buitenland (Italië) te laten vastleggen en de vermelding betreffende haar zetel in het handelsregister dienovereenkomstig te laten wijzigen. Dit verzoek wordt afgewezen op grond dat het Hongaars recht een in Hongarije opgerichte vennootschap niet toestaat om haar zetel naar het buitenland te verplaatsen en daarbij onderworpen te blijven aan het Hongaars recht als personele wet Bij het ingestelde beroep beroept Cartesio zich op het Sevic-arrest en stelt dat voor zover de Hongaarse wetgeving onderscheid maakt tussen handelsvennootschappen naargelang van de lidstaat waarin zich haar zetel bevindt, deze wetgeving in strijd is met de artikelen 43 en 48 EG (oud). Daaruit vloeit volgens Cartesio voort dat de Hongaarse wetgeving Hongaarse vennootschappen niet kan verplichten om hun zetel in Hongarije te vestigen.
De beroepsrechter is van oordeel dat de beslechting van het geding afhangt van de uitlegging van het gemeenschapsrecht en stelt het HvJEU — onder andere — de volgende prejudiciële vragen:
(i)'Wordt het geval van een vennootschap die in Hongarije naar Hongaars vennootschapsrecht is opgericht en in het Hongaarse handelsregister is ingeschreven, die haar zetel wil verplaatsen naar een andere lidstaat van de Europese Unie, beheerst door het gemeenschapsrecht of is, bij gebreke van harmonisatie van de wetgevingen, uitsluitend het nationale recht van toepassing?'
(ii)'Kan een Hongaarse vennootschap rechtstreeks op basis van het gemeenschapsrecht (de artikelen 43 EG en 48 EG) verzoeken om verplaatsing van haar zetel naar een andere lidstaat van de Europese Unie? Zo ja, kan de zetelverplaatsing afhankelijk worden gesteld van enigerlei voorwaarde of toestemming door de lidstaat van herkomst of de lidstaat van ontvangst?'
(iii)'Kunnen de artikelen 43 EG en 48 EG aldus worden uitgelegd, dat nationale regelingen of praktijken die ter zake van de uitoefening van de rechten betreffende handelsvennootschappen onderscheid maken tussen die vennootschappen naargelang van de lidstaat waarin hun zetel zich bevindt, onverenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht?'
(iv)'Moeten de artikelen 43 EG en 48 EG aldus worden uitgelegd, dat nationale regelingen of praktijken die eraan in de weg staan dat een vennootschap [van de betrokken lidstaat] haar zetel naar een andere lidstaat van de Europese Unie verplaatst, onverenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht?'
Het HvJEU vat deze vragen samen met de vraag of de artikelen 43 en 48 EG (oud) in die zin moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling van een lidstaat die een krachtens het nationale recht van deze lidstaat opgerichte vennootschap belet haar zetel naar een andere lidstaat te verplaatsen maar daarbij wel haar hoedanigheid te behouden van vennootschap die valt onder het nationale recht van de lidstaat volgens wiens wettelijke regeling zij is opgericht.1 Cartesio was immers opgericht naar Hongaars recht, had haar oorspronkelijke zetel in Hongarije, verplaatste die zetel naar Italië maar wilde wel haar hoedanigheid van vennootschap naar Hongaars recht behouden. Relevant in dat kader is dat Hongarije de leer van de feitelijke zetel aanhangt. Krachtens Hongaars recht is het niet mogelijk de zetel van vennootschappen opgericht naar Hongaars recht naar het buitenland te verplaatsen en tegelijkertijd onder Hongaars recht te blijven vallen. Voor een dergelijke verplaatsing is vereist dat de vennootschap eerst ophoudt te bestaan (krachtens ontbinding en liquidatie) en vervolgens opnieuw wordt opgericht overeenkomstig het recht van het land op wiens grondgebied zij haar nieuwe zetel wenst te vestigen.
Het HvJEU constateert allereerst dat de wettelijke regelingen van de verschillende lidstaten aanzienlijke verschillen vertonen wat betreft de aanknopingspunten die het toepasselijke recht bepalen.2 Hier uit zich het onderscheid in de incorporatieleer en de leer van de feitelijke zetel. Overigens is daar bij de omschrijving van artikel 54 VWEU (48 EG (oud)) rekening mee gehouden. De aanknopingselementen statutaire zetel, hoofdbestuur en hoofdvestiging worden daarin op gelijke voet geplaatst.3 Het HvJEU refereert dat in het arrest inzake überseering deze overwegingen reeds zijn bevestigd en dat daaruit afgeleid is `dat de mogelijkheid voor een vennootschap die overeenkomstig de wetgeving van een lidstaat is opgericht, om haar statutaire of werkelijke zetel naar een andere lidstaat te verplaatsen zonder haar rechtspersoonlijkheid volgens het recht van de lidstaat van oprichting te verliezen, alsmede, in voorkomend geval, de voorwaarden van deze verplaatsing, worden bepaald door de nationale wetgeving overeenkomstig welke de betrokken vennootschap is opgericht. Bijgevolg, aldus het Hof kan een lidstaat beperkingen stellen aan de verplaatsing van de werkelijke zetel van een volgens zijn wettelijke regeling opgerichte vennootschap naar een andere staat opdat deze vennootschap haar rechtspersoonlijkheid volgens het recht van de lidstaat van oprichting kan behouden.'4
Het ontbreken in het gemeenschapsrecht van een eenduidige definitie van vennootschappen die aanspraak kunnen maken op het recht van vestiging op basis van één aanknopingscriterium waarmee het op een vennootschap toepasselijke nationale recht wordt bepaald, is van belang voor de vraag of artikel 49 VWEU ftberhaupt van toepassing is op een vennootschap. Van schending van artikel 49 VWEU kan volgens het HvJEU slechts sprake zijn indien vaststaat dat de betreffende vennootschap op grond van artikel 54 VWEU recht heeft op vrijheid van vestiging. Bij gebreke van een eenduidige definitie wordt, aldus het HvJEU, de voorvraag beantwoord door het nationale recht.5
De beslissing op de gestelde prejudiciële vragen wordt met name gemotiveerd door de volgende overweging van het HvJEU:6
`Een lidstaat mag dus zowel de aanknoping omschrijven die van een vennootschap vereist is opdat deze kan worden geacht te zijn opgericht volgens het nationale recht van die lidstaat, en uit dien hoofde het recht van vestiging heeft, als de aanknoping die vereist is om deze hoedanigheid naderhand te kunnen handhaven. Deze bevoegdheid omvat de mogelijkheid voor deze lidstaat om een onder zijn nationale recht vallende vennootschap niet toe te staan deze hoedanigheid te behouden wanneer zij zich in een andere lidstaat wenst te herorganiseren door de verplaatsing van haar zetel naar het grondgebied van die lidstaat, en aldus de aanknoping die in het nationale recht van de lidstaat van oprichting is voorzien, verbreekt.'
Verbreking van een (van de) aanknopingspunt(en) zal doorgaans tot gevolg hebben dat de vennootschap niet langer kwalificeert voor artikel 54 VWEU. Gevolg daarvan is dat geen aanspraak meer kan worden gemaakt op de vrijheid van vestiging van artikel 49 VWEU.7
Het HvJEU stopt niet bij de conclusie dat een lidstaat een naar zijn nationale recht opgerichte vennootschap mag beletten haar zetel8 naar een andere lidstaat te verplaatsen met behoud van status van vennootschap naar het recht van de lidstaat van oprichting. Ongevraagd voegt het HvJEU aan de eerdere overwegingen toe dat een geval van verplaatsing van de zetel van een volgens het recht van een lidstaat opgerichte vennootschap naar een andere lidstaat zonder verandering van het recht waaronder zij valt, moet worden onderscheiden van het geval van de verplaatsing van een onder het recht van een lidstaat vallende vennootschap naar een andere lidstaat mét verandering van het toepasselijke nationale recht, waarbij de vennootschap wordt omgezet in een vennootschapsvorm die valt onder het nationale recht van de lidstaat waar zij naartoe is verplaatst.9 In dit geval kan volgens het HvJEU de bevoegdheid om vereiste aanknoping voor te schrijven en het niet toestaan dat de vennootschap bij verplaatsing van haar zetel onderworpen blijft aan het recht van de vertrekstaat,`er in het bijzonder geen rechtvaardiging voor vormen dat de lidstaat van oprichting, door de ontbinding en liquidatie van deze vennootschap te vereisen, haar belet zich om te zetten in een vennootschap naar nationaal recht van die andere lidstaat voor zover diens recht dit toestaat'10 (curs. HvB).
`Deze belemmering voor de feitelijke omzetting van een dergelijke vennootschap zonder voorafgaande ontbinding en liquidatie, in een vennootschap volgens het nationale recht van de lidstaat waar zij zich naartoe wenst te verplaatsen, zou wel een beperking van de vrijheid van vestiging van de betrokken vennootschap vormen, welke krachtens artikel 43 EG verboden is, tenzij zij wordt gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang.'11
Kortom, zetelverplaatsing die gepaard gaat met een verandering van het toepasselijke nationale recht van het vertrekland in het nationale recht van het land van binnenkomst is mogelijk mits het land van binnenkomst dit toestaat.
Een Nederlandse vennootschap die haar statutaire zetel verplaatst naar Luxemburg kan zich daarbij omzetten in een Luxemburgse vennootschap, overigens — zo lees ik de overwegingen van het HvJEU -, met verlies van de Nederlandse `nationaliteit'.12