Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/3.4.4.4
3.4.4.4 Recommendation ‘Consistency in sentencing’
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS464471:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Voetnoten
Voetnoten
Recommendation No. R (92) 17, onderdeel C, letter 3, p. 9.
“Fairness demands that factors which have a substantial effect on the sentence should be proved, if the defendant disputes them, to the same standard as the elements of the offence itself.” (Recommendation No. R (92) 17, p. 32).
Recommendation No. R (92) 17, p. 32.
Zie ook Nijboer, p. 163 e.v..
Zie ook Schoep, p. 42-43.
De Hoge Raad is van mening dat alle fiscale bestuurlijke boeten – dus ongeacht de hoogte ervan – als “criminal charges” moeten worden aangemerkt (HR 19 juni 1985, BNB 1986/29, HR 7 september 1988, BNB 1988/1988/298 en HR 24 januari 1990, BNB 1990/287).
Recommendation No. R (92) 17, p. 5.
Recommendation No. R (92) 17, p. 8.
Naast een beschrijving van verschillende wijzen van straftoemeting en van strafverminderende en strafverzwarende omstandigheden, bevat de Recommendation ook aanwijzingen voor zorgvuldig onderzoek naar strafbeïnvloedende omstandigheden:
“The factual basis for sentencing should always be properly proved. Where a court wishes to take account, as an aggravating factor, of some matter not forming part of the definition of the offence, it should be satisfied that the aggravating factor is proved beyond reasonable doubt and before a court declines to take account of a factor advanced in mitigation, it should be satisfied that the relevant factor does not exist.”1
De Recommendation maakt dus een onderscheid tussen strafbeïnvloedende omstandigheden die onderdeel uitmaken van de delictsomschrijving (de geschreven strafbeïnvloedende omstandigheden) en strafbeïnvloedende omstandigheden die daarin niet zijn opgenomen, de ongeschreven strafbeïnvloedende omstandigheden. Volgens de toelichting op de bovenstaande passage zou de bewijslastverdeling bij geschreven strafbeïnvloedende omstandigheden op eenzelfde wijze moeten verlopen als bij andere onderdelen van de delictsomschrijving.2 De vraag was vervolgens aan welke bewijsstandaarden de ongeschreven, strafbeïnvloedende omstandigheden moeten voldoen. Deze vraag heeft het Comité beantwoord door te stellen dat ongeschreven, strafverzwarende omstandigheden ‘beyond reasonable doubt’ bewezen moeten worden en dat gestelde ongeschreven, strafverminderende factoren buiten beschouwing kunnen worden gelaten als de zekerheid is verkregen dat de relevante factor zich niet heeft voorgedaan. Met betrekking tot deze laatste categorie wordt in de toelichting nog vermeld dat daartoe wordt overgegaan ‘after investigating the matter and/or giving the offender the opportunity to adduce evidence on the issue’.3 Als de verdachte dus melding maakt van een relevante strafverminderende omstandigheid die geen onderdeel uitmaakt van de delictsomschrijving, dan kan de rechter dat niet zonder meer terzijde schuiven. Hij is in een dergelijk geval verplicht om die omstandigheid nader te onderzoeken en in voorkomende gevallen de verdachte in de gelegenheid te stellen zijn stelling nader te onderbouwen.
Relatie met onschuldpresumptie
Het Comité verwijst bij de mogelijke onbalans tussen het bewijs van geschreven en ongeschreven strafbeïnvloedende omstandigheden naar het verband tussen het bewijs van strafbeïnvloedende omstandigheden en de onschuldpresumptie van het tweede lid van artikel 6 EVRM. De ‘fairness’ van de gehele strafprocedure zou in het gedrang kunnen komen wanneer er voor ongeschreven, strafverzwarende omstandigheden slechts geringe bewijsdrempels zouden gelden. Immers zou dan een belangrijk deel van het bewijsrisico van die omstandigheden voor rekening van de verdachte komen, terwijl hij juist in de strafprocedure op grond van de onschuldpresumptie vrijwel geen bewijslast hoort te dragen.4 De onschuldpresumptie van artikel 6, lid 2 EVRM geeft dus mede een invulling aan de rechtsnormen die gelden voor de bewijsvoering van strafbeïnvloedende omstandigheden.5
Relevantie voor fiscale bestuurlijke boeten
Het voorgaande roept de vraag op in hoeverre de richtlijnen van het Comité van Ministers tevens betrekking hebben op de bestuurlijke boetepraktijk. Daarbij wordt opgemerkt dat het ‘slechts’ aanbevelingen zijn; zowel verdachten als belastingplichtigen kunnen er geen direct beroep op doen. Dit neemt echter niet weg dat de richtlijnen wel degelijk een invulling geven aan een consistente straftoemetingspraktijk in de zin van artikel 6 van het EVRM. Zo hebben de richtlijnen in Nederland onder meer geleid tot de uitvaardiging van strafvorderingsrichtlijnen voor het OM en oriëntatiepunten voor straftoemeting voor de strafrechter. Deze normerende werking zou zich naar mijn mening niet moeten beperken tot het strafrechtelijke domein. Bestuurlijke boeten zijn immers ook bestraffende sancties en vallen daardoor eveneens onder het bereik van artikel 6 EVRM.6 En zoals uit de richtlijn zelf ook volgt, is het ‘one of the fundamental principles of justice that like cases should be treated alike’.7 Met andere woorden, niet valt in te zien waarom een strafrechter bijvoorbeeld bij fiscale fraude bij het bepalen van een strafrechtelijke geldboete andere uitgangspunten hanteert dan de inspecteur die een vergrijpboete oplegt voor een soortgelijk geval. De eis van consistentie beperkt zich immers niet tot één rechtsgebied, maar heeft te gelden voor al het recht dat geraakt wordt door het beginsel waarvoor de consistentie-eis heeft te gelden.
In het licht van het voorgaande is het van belang dat de richtlijnen op onderdelen specifieke aandacht besteden aan geldboeten (‘fines’): “So far as fines concerned […], as a matter of principle, every fine should be within the means of the offender on whom it is imposed”.8 Hieruit volgt dat het Comité de draagkracht van de overtreder als principekwestie ziet bij het bepalen van de hoogte van ‘every fine’. Uit oogpunt van een consistente rechtspraktijk zou de uitwerking van het draagkrachtbeginsel in het strafrecht en het bestuurlijke boeterecht dus een zekere gelijkenis moeten vertonen, althans, daar waar het om gelijke gevallen gaat (zie onderdelen 5.4.3.10 en 6.4.7.1).