Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/3.4.5
3.4.5 Sub 3: ‘de importeur of exporteur van seksuele dienstverleners’
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS388619:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:857, NJ 2016/314 m.nt. Van Kempen, bevestigt in HR 16 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:884. Vergelijk met HR 10 september 2013, ECLI: NL:HR:2013:670, NJ 2015/443 m.nt. Klip waarin uitbuiting door de Hoge Raad (nog) niet als impliciet bestanddeel wordt vereist.
Stb. 1935, 598. Vertaling Verdrag ter bestrijding van den handel in meerderjarige vrouwen.
HR 18 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1788, NJ 2000/443 en HR 10 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:670, NJ 2015/443 m.nt. Klip.
HR 20 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3425, NJ 2006/35.
HR 6 juli 1999, ECLI:NL:HR:1999:AB9475, NJ 1999/701 en HR 10 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:670, NJ 2015/443 m.nt. Klip.
Zie ook BNRM 2012, p. 68-69.
Zo ook Haveman 1998, p. 353.
Van Dale (online editie).
Zie ook NJ 2016/316 noot Van Kempen onder punt 12.
Kamerstukken II 1992/93, 21 027, nr. 54 (MvA), p. 4.
Haveman 1998, p. 354.
De Hullu 1993, p. 47 en p. 51.
Zo ook Haveman 1998, p. 354.
Gerritsma & Wijers 2003, p. 63-68 (destijds nog ‘EG-recht’). Zie ook Beijer 2010, p. 986 e.v. De stelling kan ter discussie worden gesteld.
HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2909, NJ 2017/16.
HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2909 r.o. 2.4.2 en 2.4.3, NJ 2017/16.
Hof Den Haag 26 juli 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BX3856.
HR 10 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:670, NJ 2015/443 m.nt. Klip.
Zie bijvoorbeeld Hof Den Bosch 17 oktober 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:4705 en Rb Limburg 24 november 2014, ECLI:NL:RBLIM:2014:10078 en Rb Limburg 27 november 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:9903.
Hof Den Bosch 17 oktober 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:4705.
Rb Limburg 24 november 2014, ECLI:NL:RBLIM:2014:10078 en Rb Limburg, 27 november 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:9903.
Hof Den Haag 10 juni 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:2894.
Hoge Raad 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:857, NJ 2016/314 m.nt. Van Kempen.
HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR: 2015:3309, NJ 2016/313 m.nt. Van Kempen en HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR: 2016:556, NJ 2016/315 m.nt. Van Kempen.
Dit sublid stelt de persoon strafbaar die iemand in het ene land werft, medeneemt of ontvoert met het oogmerk diegene in het andere land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling. Ik duid de strafbare dader verkort aan als de importeur of exporteur van seksuele dienstverleners. Net zoals bij onderdeel 4, heeft de Hoge Raad in 2016 geoordeeld dat uitbuiting een impliciet bestanddeel is van onderdeel 3.1 De reikwijdte van de strafbepaling is daarmee aanzienlijk ingeperkt. In het navolgende wordt zowel ingegaan op de letterlijk breed geformuleerde bepaling als de impliciet beperkter gelezen bepaling.
Onderdeel 3 implementeert het Verdrag van 1933 inzake de bestrijding van de handel in meerderjarige vrouwen (zie § 4.3). Dit verdrag vereist strafbaarstelling van ‘een ieder, die, ter voldoening van eens anders lusten, eene meerderjarige vrouw of meisje, zelfs met haar goedvinden, met het oog op het plegen van ontucht in een ander land, heeft aangeworven, medegenomen of ontvoerd, zelfs dan wanneer de verschillende handelingen, die de bestanddelen van het strafbare feit uitmaken, in verschillende landen gepleegd zijn.’2 Daaronder viel destijds de aanwerving van seksuele dienstverleners over de grens ongeacht of deze personen vrijwillig meegingen.
Het ‘aanwerven’ in onderdeel 3 betreft elke daad waardoor een persoon wordt aangeworven teneinde die persoon in een andere land tot prostitutie te brengen, zonder dat behoeft te blijken dat de wijze van aanwerving de keuzevrijheid heeft beperkt.3 Ook het bestanddeel ‘medenemen’ dient ruim te worden uitgelegd. Hiervan kan al sprake zijn als het slachtoffer zelfstandig naar de plaats is gereisd waar zij door de verdachte is opgevangen en verder vervoerd.4 Onder het ‘tot prostitutie brengen’ dient voorts te worden verstaan elke gedraging gericht tegen een persoon ertoe strekkende deze te belemmeren in zijn vrijheid met prostitutie op te houden ongeacht de omstandigheden of deze daarbij vrijwillig betrokken is geraakt dan wel reeds eerder bij prostitutie betrokken was.5
Tot de uitspraak van de Hoge Raad in mei 2016 (waarin uitbuiting is aangemerkt als impliciet bestanddeel) kwam het er in de praktijk op neer dat alleen wanneer buitenlandse vrouwen op eigen initiatief en geheel op eigen kracht werkzaam waren in de prostitutie in Nederland, geen sprake was van mensenhandel. Als dit niet het geval was, ontstond al snel een mogelijkheid tot veroordeling op basis van dit sublid.6
De implementatie van dit oude verdrag heeft aldus geleid tot een opmerkelijke breed vormgegeven strafbepaling die niet past in het Nederlandse prostitutiebeleid. Immers in het Nederlandse beleid is ‘dwang’ het bepalende criterium voor strafrechtelijk ingrijpen. Dit uitgangspunt is bovendien de reden geweest dat Nederland het Verdrag inzake de bestrijding van mensenhandel en de exploitatie van prostitutie in 1949 niet heeft willen ratificeren (zie § 5.3). Het ligt dan ook meer voor de hand het verdrag van 1933 enerzijds op te zeggen en het sublid te schrappen.7 Of anderzijds het verdrag hedendaags te interpreteren. Het verdrag heeft betrekking op het tegengaan van ‘ontucht’, dit betreft ‘seksuele handelingen die ingaan tegen de heersende moraal’.8 De heersende moraal anno 1933 was dat prostitutie – in welke vorm dan ook – ontoelaatbaar was. De heersende moraal in de 21e eeuw is dat prostitutie alleen onacceptabel is als het onder dwang geschiedt. Dan zou nu – op basis van het verdrag van 1933 – alleen strafbaarstelling van de importeur of exporteur van gedwongen seksuele dienstverleners vereist zijn.9
Naast het formele punt van implementatie wordt in kamerstukken echter nog een andere reden gegeven voor de invoering van onderdeel 3: de bepaling zou een nuttige aanvullende betekenis hebben naast de overige strafbepalingen in het artikellid. Wanneer de in het eerste onderdeel genoemde strafbare feiten moeilijk bewezen kunnen worden, kan strafrechtelijk optreden tegen vrouwenhandel subsidiair worden gegrond op hetgeen nu in het derde onderdeel staat.10 Het sublid 3 diende (tot de uitspraak van de Hoge Raad in 2016) dus om bewijsproblemen op te vangen.11 Zoals De Hullu dit in zijn algemeenheid stelt: het formele recht mag de inhoud van de strafnorm niet dicteren, de grenzen van de norm mogen niet worden opgerekt door het verlangen bewijsmoeilijkheden te beperken.12 Ófwel alleen de gedwongen vorm van aanwerven wordt strafwaardig geacht, ófwel elk aanwerven of medenemen in de ongedwongen vorm wordt strafbaar gesteld. Het is syste- matisch niet goed verdedigbaar dat een uitzondering wordt gemaakt voor vrouwen afkomstig uit een ander land bij identieke werkzaamheden.13
Gerritsma en Wijers hebben voorts betoogd dat de letterlijke bewoording van het sublid in strijd is met het EU recht. Prostitutie is een economische activiteit in de zin van het EU verdrag. Indien deze activiteit wordt uitgeoefend door een EU-onderdaan in een andere lidstaat, dan wordt dit beheerst door het EU recht. Ook het werven van werknemers voor deze economische activiteit valt onder het EU recht. Strafbaarstelling van vrijwillige werving binnen de EU, terwijl dit binnen Nederland is toegestaan, vormt een beperking op de fundamentele vrijheden en levert een vorm van ongeoorloofde discriminatie op. Hoewel de bepaling niet discrimineert naar nationaliteit, belemmert het feitelijk de toegang van onderdanen uit andere lidstaten tot de legale Nederlandse prostitutiemarkt. Als zodanig is het in strijd met het EU recht.14 De Hoge Raad heeft ten aanzien van dit punt meer duidelijkheid verschaft in zijn uitspraak van 20 december 2016.15 De stelling dat de letterlijke bepaling van onderdeel 3 in strijd zou zijn met EU recht, berust op de opvatting dat het enkele aanwerven van personen ten behoeve van het vrijwillig verrichten van prostitutiewerkzaamheden in een ander land, zonder meer strafbaar is. Die opvatting miskent evenwel dat ‘uitbuiting’ een impliciet bestanddeel is van onderdeel 3. Een veroordeling kan derhalve niet uitsluitend daarop steunen dat verdachte een persoon uit het buitenland heeft aangeworven en/of medegenomen. Onder de omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld, komt aan de verdachte geen beroep toe op de Unierechtelijke verkeersvrijheden of het beginsel van non-discriminatie.16
Diverse uitspraken laten zien dat rechterlijke instanties moeite hebben met de reikwijdte van de letterlijke wettekst in onderdeel 3. Op verschillende manieren is getracht – al dan niet succesvol – het materiële bereik te begrenzen. Zo kwam het Hof Den Haag tot een vrijspraak van mensenhandel aangezien de vervoerde Tsjechische vrouwen zelfstandig hadden besloten in Nederland in de prostitutie te gaan werken en de verdachte door het vervoeren enkel de gelegenheid had geboden voor de feitelijke uitvoering. Er was volgens het hof geen ‘oogmerk op het tot prostitutie brengen van de vrouwen in Nederland’ hetgeen een vereiste zou zijn voor sub 3.17 De Hoge Raad casseert in 2013 en stelt dat het hof door het bestanddeel ‘in een ander land’ te koppelen aan de gedraging ‘ertoe te brengen’ het hof een te beperkte en onjuiste betekenis heeft toegekend dan op basis van sub 3 is gerechtvaardigd.18 De Hoge Raad haalt daarmee een streep door deze enge manier van interpreteren.
Het Hof ’s-Hertogenbosch en de Rechtbank Limburg gooien het over een andere boeg. Deze instanties spreken vrij van mensenhandel in onderdeel 3 omdat niet is gebleken dat de betreffende seksuele dienstverleners zijn ‘beknot in hun vrijheid’.19 In de zaak van het Hof ’s-Hertogenbosch betreft het een verdachte die een vrouw telkens van Duitsland naar Nederland vervoerde alwaar zij vrijwillig prostitutiewerkzaamheden verrichtte. Het hof komt tot het oordeel dat voor een bewezenverklaring te allen tijde sprake moet zijn van enige verwijtbare bijdrage aan een beknotting van de vrijheid van de prostituee. Aangezien daar geen sprake van was, komt het hof tot een vrijspraak.20 Onder verwijzing naar dit arrest spreekt ook de Rechtbank Limburg verschillende verdachten vrij van sub 3 aangezien enige verwijtbare bijdrage aan de beknotting van de vrijheid van de personen die zich prostitueerden niet aan de orde was.21
Het Hof Den Haag daarentegen komt met een ruime (meer letterlijke) interpretatie van sub 3 tot een veroordeling van mensenhandel. In casu had de verdachte een vliegticket naar Nederland geregeld voor een Hongaarse vrouw met de bedoeling en in de wetenschap dat deze Hongaarse vrouw bij aankomst zo snel mogelijk naar haar werkplek zou worden gebracht om prostitutiewerkzaamheden te verrichten.22 Deze zaak houdt evenwel in cassatie geen stand. De Hoge Raad oordeelt in 2016 dat de in het derde onderdeel omschreven gedragingen alleen strafbaar zijn als zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld. Uit de bewijsvoering van het hof volgt niet dat bij de bewezen verklaarde gedraging sprake is van uitbuiting. Aldus volgt vernietiging en terugverwijzing van de zaak.23 De Hoge Raad verwijst naar zijn uitspraken met betrekking tot onderdeel 4 waarin eveneens is geoordeeld dat ‘uitbuiting’ een impliciet bestanddeel is van de delictsomschrijving.24 De uitspraken van de Hoge Raad in 2015 en 2016 tonen aan dat een enge interpretatie van sub 3 (en sub 4) de huidige koers is. Materieel gezien is de importeur of exporteur van seksuele dienstverleners dus alleen strafbaar als zijn gedragingen zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld.