Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/5.2
5.2 De hoedanigheid van rechtspersoon als gezichtspunt
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS714034:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zoals gezegd in par. 2.5.2, vormt art. 6:169 lid 2 BW een uitzondering. Dit artikel blijft hier verder buiten beschouwing.
Par. 2.5.2.
Par. 2.5.2.
Art. 6:170 lid 2 BW is tevens gericht tot de particuliere opdrachtgever, maar deze aansprakelijkheid is minder verstrekkend. Stond de ondergeschikte namelijk in dienst van een particulier, dan is deze slechts aansprakelijk, indien de ondergeschikte bij het begaan van de fout handelde ter vervulling van de hem opgedragen taak. Voor de bedrijfs- of beroepsmatige opdrachtgever geldt dit engere ‘ter vervulling van de hem opgedragen taak’ niet, maar is slechts vereist dat de opdrachtgever zeggenschap over de gedraging en de kans op de fout is vergroot door het verrichten van zijn taak.
Zoals gezegd in par. 1.3.4, is voor de beantwoording van deze vraag geen systematische rechtspraakanalyse uitgevoerd. Er is niet onderzocht of de (lagere) rechter de hoedanigheid van ondernemer meeweegt bij het vaststellen van de daad en het daderschap. De reden hiervoor is dat het daderschap in de lagere rechtspraak weinig aandacht krijgt.
Zie ten aanzien van de handeling van de collectiviteit die aan de hand van de verkeersopvattingen (Babbel-criterium) moet worden vastgesteld ook: Hoekzema 2000, p. 171 en par. 2.3.
Anders: Janssen, RM Themis 1990, p. 69.
Hoekzema 2000, p. 171.
Daarbij komt dat de (gedrags)norm ter vaststelling van de normschending (de onrechtmatigheid) een ander karakter heeft dan de norm voor het vaststellen van het daderschap (de verkeersopvatting). Een gedragsnorm als de maatschappelijke betamelijkheid is niet hetzelfde als de verkeersopvatting. Zie meer uitgebreid: Memelink 2009, p. 141, 190-191.
Deze paragraaf behandelt de vraag in hoeverre de hoedanigheid van rechtspersoon kan worden meegewogen bij het vaststellen van daad en daderschap. Belangrijk om te benadrukken is dat voor de vestiging van (kwalitatieve) aansprakelijkheid op grond van afdeling 6.3.2 (aansprakelijkheid voor personen en zaken) geen ‘daad’ en ‘daderschap’ van de aangesproken partij zijn vereist.1 De aansprakelijkheid voor gebrekkige zaken is gekoppeld aan een schadeveroorzakende ‘toestand’.2 Dit is ook het geval bij de aansprakelijkheid van de producent voor gebrekkige producten (art. 6:185 BW). Iets vergelijkbaars geldt met betrekking tot de kwalitatieve aansprakelijkheid voor handelen van anderen. In dat geval is aansprakelijkheid niet gebaseerd op de schending van een eigen gedragsnorm, maar wordt aangeknoopt bij het onrechtmatige handelen van een ander dan de aangesproken partij.3
Bij de kwalitatieve aansprakelijkheden is het daderschap vervangen door iets anders: het normadressaatschap. Normadressaat is degene tot wie de norm gericht is. Opmerkelijk is dat veel normadressaten van de kwalitatieve aansprakelijkheden ondernemers zijn. Voorbeelden zijn de producent (art. 6:185 BW), de bedrijfsmatige gebruiker van gevaarlijke stoffen (art. 6:175 BW) en de bedrijfsmatige opdrachtgever (art. 6:170 lid 14 en 6:171 BW). Bovendien vindt kanalisering van de aansprakelijkheid naar de bedrijfsmatige gebruiker plaats bij bedrijfsmatig gebruik van een gebrekkige zaak (art. 6:173, 6:174 en 6:179 jo. 6:181 BW).
Voor de vestiging van aansprakelijkheid op grond van de onrechtmatige daad is vereist dat de aangesproken partij ‘dader’ is. Dit blijkt uit de zinsnede “Hij, die (…) pleegt” uit art. 6:162 lid 1 BW. Art. 6:162 BW bewerkstelligt de aansprakelijkheid voor een eigen onrechtmatige gedraging. Uit hoofdstuk 3 volgt dat daderschap een juridisch begrip is en dat het daderschap van de rechtspersoon te onderscheiden is van het daderschap van individuen en functionarissen. De vraag die onbeantwoord is gebleven, is: weegt de hoedanigheid van ondernemer mee bij de vaststelling van de daad en het daderschap van de rechtspersoon?5
De rechtspraak van de Hoge Raad en de literatuur geven mijns inziens aanknopingspunten om te concluderen dat de hoedanigheid van ondernemer van betekenis is voor de concretisering van het daderschap. Of iemand juridisch handelt, en aldus dader is van een bepaalde daad, wordt vastgesteld aan de hand van de verkeersopvattingen. Hiervoor maakt het niet uit of iemand een individu is of een rechtspersoon: het daderschap wordt in beide gevallen vastgesteld aan de hand van de verkeersopvattingen.6 Ik betoog dat het voor de nadere concretisering van de verkeersopvattingen wel relevant is of iemand een mens is of een rechtspersoon.7 Dit is niet in strijd met art. 2:5 BW – dat bepaalt dat de rechtspersoon voor wat het vermogensrecht betreft met een natuurlijk persoon gelijkstaat, tenzij uit de wet het tegendeel voortvloeit – omdat het daderschapscriterium (de verkeersopvattingen) gelijk is, maar slechts de nadere concretisering verschilt.
De hoedanigheid van rechtspersoon – en in het verlengde daarvan, de hoedanigheid van ondernemer – speelt een rol bij de concretisering van de verkeersopvattingen (het Babbel-criterium). Ten eerste zijn sommige omstandigheden wel relevant voor het vaststellen van het daderschap van het individu, en niet voor het vaststellen van het daderschap van de rechtspersoon. Het feit dat een bepaalde gedraging naar buiten toe niet oogt als een ‘reflex’, maar als een beoogde handeling, is bijvoorbeeld een omstandigheid die gebruikt kan worden bij het vaststellen van het daderschap van het individu.8 Voor het vaststellen van het daderschap van een rechtspersoon is zij minder nuttig, omdat een rechtspersoon geen fysiek persoon is en ook geen geestestoestand kent. Ten tweede is bij de vaststelling van het daderschap van de rechtspersoon niet zozeer de persoon van de fysiek verrichter van belang, maar de positie van de fysiek verrichter binnen de organisatie. Ten derde is in sommige gevallen de positie van de handelende functionaris binnen de organisatie niet van belang voor de concretisering van het Babbel-criterium, maar wegen omstandigheden zwaarder die specifiek betrekking hebben op het bedrijfsmatige karakter van de rechtspersoon. Het gaat dan om: de omstandigheid dat de gedraging past binnen de normale ondernemingsactiviteiten; de omstandigheid dat de rechtspersoon profijt heeft gehad van de gedraging; en de aard van de rechtspersoon, met name de interne structuur en omvang van de organisatie. Deze omstandigheden spelen geen rol bij de vaststelling van het daderschap van een particulier. Het resultaat is een onderscheid tussen individuele en collectieve handelingen.9 Ten vierde is de hoedanigheid van de rechtspersoon-ondernemer van belang bij het vaststellen van het daderschap bij arbeidsdeling en zogenaamde ‘structurele fouten’. In paragraaf 4.8 is betoogd dat in dergelijke gevallen een ‘fictieve’ beleidshandeling kan worden aangewezen, indien de schade een typisch effect is van de bedrijfsactiviteiten. Omdat bij individuen het probleem van arbeidsdeling niet optreedt, is de benadering vanzelfsprekend typerend voor de rechtspersoon.