Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/4.3.1.1
4.3.1.1 De democratische legitimatie van het strafrecht
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715467:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De Jong 2021, p. 692; Ten Voorde 2012a, p. 100; Pompe 1974, p. 18.
Vgl. Carvalho 2017, p. 171-172; Van der Woude & Van Sliedregt 2007, p. 223.
De Hullu 2021, p. 16. Zie ook: Buisman 2020, p. 67-68.
Ten Voorde 2012a, p. 100; Ten Voorde 2012b, p. 80; Van Gunsteren 1998, p. 19.
Marshall & Duff 1998, p. 13-14. Een andere mogelijkheid is om meer indirect te stellen dat vergelding op zijn plaats is als er onrust ontstaat in de samenleving (vgl. Kelk/De Jong 2019, p. 12). Het is ook mogelijk om de rechtvaardigheid rechtstreeks te koppelen aan de handhaving van de ordening van de samenleving (zonder de democratie daartussen te plaatsen), maar dan wordt het strafrecht eenvoudigweg een middel om de bestaande orde te handhaven, zonder dat die orde zelf ter discussie kan staan (zie: Dupont 1979, p. 166-167).
Kahan 1996, p. 599. Kahan illustreert dat door te betogen dat lijfstraffen zowel vanuit het oogpunt van vergelding als vanuit het oogpunt van effectiviteit onder omstandigheden ultimum remedium kunnen zijn, maar desondanks – naar Kahan meent door veranderde opvattingen in de samenleving – zijn afgeschaft (Kahan 1996, p. 609-613).
Peristeridou 2015, p. 42-43; Minkkinen 2006, p. 528; Van Hamel 1927, p. 174. In het in de inleiding van dit hoofdstuk aangehaalde citaat komt dat ook tot uitdrukking in de stelling van de minister dat rekening moet worden gehouden met “den gegeven maatschappelijken toestand” (zie §4.1). Op sommige terreinen is de samenleving terughoudender geworden met de inzet van het strafrecht. Denk aan de (inmiddels afgeschafte) strafbaarstelling van overspel (artikel 241 (oud) Sr). Op andere terreinen vraagt de samenleving juist om meer strafrecht. De invoering van de strafbaarstelling van bestialiteit hoeft zo bijvoorbeeld, anders dan Ouwerkerk impliceert, niet problematisch te zijn in het licht van het ultimum remedium-beginsel, maar kan eenvoudigweg duiden op verschuivende opvattingen over de status van dieren (Ouwerkerk 2012, p. 231). De opvattingen over de functie van het strafrecht kunnen overigens ook door de inzet van het strafrecht zelf worden bijgesteld (Brown 2001, p. 1358). Zo is de inzet van het strafrecht blijkens het Protocol AAFD ook op zijn plaats als normstellende, normbevestigende of preventieve effecten gewenst zijn (Protocol AAFD, Stcrt. 2015, 17271, p. 2).
Brown 2001, p. 1359; Report on Decriminalisation 1980, p. 19.
Moore 2012, p. 663; Yoon 2001, p. 97; De Roos 1987, p. 77. Zie ook: Kamerstukken II 2008/09, 31700, nr. 69, p. 4. Boutellier wijst erop dat een steeds kleiner deel van de aangegeven criminaliteit daadwerkelijk wordt bestraft, maar dat de kans dat er wordt vervolgd wel groter is naarmate het delict ernstiger is (Boutellier 2005, p. 111-112). Gevolg is wel dat als de samenleving bereid wordt om meer uit te geven, het ultimum remedium-beginsel ineens meer strafbaarstellingen toelaat (Husak 2004, p. 229-230).
Marshall & Duff 1998, p. 12. Vanuit dit oogpunt is bijvoorbeeld ook het opportuniteitsbeginsel goed te begrijpen; het OM schat in of de samenleving de betreffende gedraging voldoende strafwaardig vindt en bepaalt of het maatschappelijk belang vervolging vereist (Van Dorst 1978, p. 173; Pompe 1959, p. 77-79).
Roxin 1997, p. 102 en voetnoot 24; Schünemann 1978, p. 11. Vgl. Williams 1955, p. 117-118 en 127. In vergelijkbare zin stelt Dupont dat leedtoevoeging enkel rechtmatig is als dat leed voor het algemeen welzijn noodzakelijk is (Dupont 1979, p. 89).
Ten Voorde 2012b, p. 80.
Corstens 2021, p. 17; Jareborg 2005, p. 522; Strijards 1995, p. 114; Pompe 1945, p. 45-46. Zie ook: Kamerstukken II 1990/91, 22268, A, p. 9-10.
Wilenmann 2019, p. 26-27.
De Hullu 2021, p 16 en 17; Crijns 2012, p. 14-15. Het EHRM verplicht lidstaten bijvoorbeeld om schendingen van het recht op leven niet alleen strafbaar te stellen als de dood daadwerkelijk is ingetreden, maar ook als er sprake is geweest van levensgevaar, maar er uiteindelijk niemand is overleden (Van Kempen 2008, p. 29). Van Kempen wijst onder meer op: EHRM 20 december 2004, ECLI:CE:ECHR:2004:1220JUD005038599 (Makaratzis t. Griekenland), par. 49-55; EHRM 6 mei 2003, ECLI:CE:ECHR:2003:0506DEC004791699 (Menson t. Verenigd Koninkrijk), par. 1. Zie bijvoorbeeld ook: EHRM 26 mei 2020, ECLI:CE:ECHR:2020:0526JUD001724713 (Makuchyan en Minasyan t. Azerbeijan en Hongarije), par. 89-94 en 109-110.
Van Kempen 2019a, p. 8-9; Ouwerkerk 2012, p. 234-235; Asp e.a. 2011, p. 102-103; Kaiafa-Gbandi 2011, p. 18-20; Asp e.a. 2009, p. 715; Van Kempen 2008, p. 28; Verbruggen 2004, p. 88-89; Buruma 2003, p. 74-75; Plaisier 2003, p. 471; Rozemond 1999, p. 125-126; Kamerstukken II 2008/09, 31700 VI, nr. 69, p. 8. Het Duitse Bundesverfassungsgericht oordeelde in een abortuszaak bijvoorbeeld dat de decriminalisering van abortus een maas in de bescherming van het leven achterliet, zodat deze onconstitutioneel was. Het was daarbij aan de wetgever om aan te tonen dat alternatieve (buitenstrafrechtelijke) vormen van bescherming eveneens effectief waren. Twijfel viel uit in het voordeel van het (bestaande) strafrecht (in dubio pro lege). Bovendien merkte het hof op dat in het uiterste geval, als de vereiste bescherming op geen andere wijze te bereiken is, de wetgever zelfs verplicht kan zijn het strafrecht in te zetten (Bundesverfassungsgericht (Duitsland) 25 februari 1975, BVerfGE 39, 1 (Schwangerschaftsabbruch I), par. 158-159 en 176; Jareborg 2005, p. 525; Yoon 2001, p. 45). In een latere zaak heeft het hof dat uitgangspunt genuanceerd. Hoewel het hof volhoudt dat een ongeboren kind recht op leven heeft en abortus daarom wederrechtelijk is, laat het hof in deze zaak meer in het midden met welk middel (strafrechtelijk of buitenstrafrechtelijk) de overheid op die wederrechtelijke gedraging moet reageren (Bundesverfassungsgericht (Duitsland) 28 mei 1993, BVerfGE 88, 203 (Schwangerschaftsabbruch II), par. 150, 170, 180 en 191; Yoon 2001, p. 52-53). Yoon stelt dat dergelijke verplichtingen op gespannen voet staan met het liberaal-rechtsstatelijke idee, nu de wetgever wordt gedwongen tot handhaving (en dus vrijheidsinperking) en de normadressaat vooral wordt gezien als bedreiging voor de veiligheid, in plaats van als vrije burger (Yoon 2001, p. 55).
Ouwerkerk 2012, p. 233. Te wijzen valt onder meer op artikel 4 van Richtlijn 2018/1673 (witwassen), artikel 3 lid 1 sub f, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11 en artikel 14 lid 1 en 3 van Richtlijn 2017/541 (terrorisme), artikel 4 lid 2 van Richtlijn 2014/62/EU (vervalsing), artikel 3 van Richtlijn 2011/36/EU (mensenhandel), artikel 3 sub e van Richtlijn 2008/99/EC (milieubescherming), artikel 2 lid 1 en artikel 3 van Kaderbesluit 2004/757/JHA (drugshandel), artikel 2 sub c, 4 en 5 van Kaderbesluit 2001/413/JHA (fraude).
FATF 2011, p. 61. Zie artikel 2 lid 1 sub b van het Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme. Zie ook: Kamerstukken II 2012/13, 33478, nr. 3, p. 2-3.
Ouwerkerk wijst er echter op dat bij EU-wetgeving niet altijd expliciet duidelijk wordt gemaakt waarom tot strafbaarstelling is overgegaan (Ouwerkerk 2012, p. 233-234) en dat ook het EHRM zich nauwelijks aan het ultimum remedium-beginsel gebonden lijkt te voelen (Ouwerkerk 2012, p. 239-240; Van Kempen 2008, p. 73).
Zie bijvoorbeeld: Stcrt. 2020, 59753, p. 4; Kamerstukken II 2017/18, 21109, nr. 235, p. 7; Kamerstukken II 2014/15, 34081, nr. 3, p. 3. Zie ook: Plaisier 2003, p. 471.
Een dergelijk voorbehoud is wel gemaakt door België, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg, Monaco, Rusland, Slovenië, Zweden en Zwitserland.
De stelling van Pompe dat de burger zich zorgen maakt over de inbreuken die de overheid op zijn vrijheden kan maken, gaat uit van een liberaal mensbeeld waarvan het maar zeer de vraag is of dat nog altijd heersend is.1 De burger lijkt zich tegenwoordig eerder (of op zijn minst evenzeer) zorgen te maken om inbreuken op zijn vrijheden door criminele medeburgers.2 In het verlengde daarvan merkt De Hullu op dat in de hedendaagse samenleving veel positiever naar de inzet van het strafrecht wordt gekeken dan vanuit liberaal oogpunt te verklaren is.3 De hedendaagse houding ten aanzien van de inzet van het strafrecht sluit mijns inziens veel beter aan op een meer communitaristische visie op burgerschap, waarin de nadruk veel meer ligt op de plichten die een burger tegenover (andere leden van) de gemeenschap heeft.4 Binnen dat kader is het dwingende karakter van het strafrecht bijvoorbeeld veel minder problematisch. Daardoor kunnen meer gedragingen strafbaar worden gesteld dan vanuit liberaal oogpunt mogelijk is.
Omdat het strafrecht er in het belang van de samenleving is, moet strafbaarheid wel beperkt blijven tot die gedragingen waarvan de samenleving zich bevoegd acht ze strafrechtelijk te veroordelen.5 Het strafrecht kent dan geen vaststaande, inhoudelijke grenzen.6 In plaats daarvan wordt benadrukt dat de grenzen tussen rechtsgebieden en de vraag wanneer en in welke mate bijvoorbeeld stigmatisering gerechtvaardigd is, mede afhankelijk zijn van tijd, plaats en cultuur en constant veranderende opvattingen in de samenleving.7 Of een gedraging voldoende strafwaardig is, staat dan dus niet vooraf objectief vast, maar is het gevolg van een subjectieve, menselijke keuze.8 Een samenleving kan in deze gedachtegang zelf het beste bepalen of, en zo ja, bij welke delicten extra uitgaven ter vergroting van de capaciteiten van haar strafrechtelijk systeem de moeite waard zijn.9 De vrijheden en belangen van het individu kunnen daarbij worden afgewogen tegen de belangen van de samenleving als geheel.10 Het is in deze visie vooral van belang dat de beslissing om het strafrecht in te zetten democratisch gelegitimeerd is.11 Ten Voorde waarschuwt dat het ultimum remedium-beginsel in deze benadering al snel in de verdrukking kan komen.12 Daar staat echter tegenover dat de liberale invulling van het ultimum remedium-beginsel de democratische wetgever beperkingen probeert op te opleggen die lastig aan te brengen zijn en in de praktijk ook eigenlijk niet worden aangebracht.13 Hooguit dwingen ze de wetgever tot het creatief (her)formuleren van het beschermde rechtsgoed.14
De steeds verder toenemende omvang van het strafrecht in de voorfase wordt tot slot ook wel gekoppeld aan het toenemende belang van allerlei vormen van verplichtingen tot strafbaarstelling van bepaalde gedragingen.15 Dergelijke verplichtingen vloeien niet alleen voort uit de interne constitutionele orde van staten, maar ook uit het EU-recht, het EVRM en internationale verdragen.16 Het gaat dan niet slechts om de strafbaarstelling van voltooide delicten, maar ook om de voorfase daarvan. Zo verplicht het EU-recht lidstaten de voorfase van bepaalde strafbare feiten strafbaar te stellen.17 Soortgelijke verplichtingen vloeien voort uit diverse internationale verdragen.18 Zo is Nederland op grond van het Cybercrimeverdrag verplicht de voorbereiding van computercriminaliteit strafbaar te stellen.19 Omdat het strafmaximum op de voltooide variant van dit feit (artikel 139d lid 1 Sr) slechts twee jaar bedroeg, ging de algemene voorbereidingsregeling van artikel 46 Sr niet op en moest dit feit zelfstandig strafbaar worden gesteld.20 Iets vergelijkbaars was het geval bij de strafbaarstelling van financiering van terrorisme (artikel 421 Sr); deze bleek nodig nadat de internationale Financial Action Task Force (FATF) had geoordeeld dat niet alle vereiste strafbare feiten aan de achtjaarsvereiste voor de algemene voorbereidingsregeling voldeden.21 In dergelijke gevallen is de toetsing aan het ultimum remedium-beginsel in wezen uitbesteed aan het betrokken (internationale of supranationale) wetgevende orgaan.22 Dat maakt de toepassing van het ultimum remedium-beginsel op nationaal niveau soms feitelijk onmogelijk. Dat hoeft echter niet steeds een conflict op te leveren met de democratische legitimatie van die beslissing. Zoals uit het voorbeeld van het Cybercrimeverdrag al bleek, zijn deze voorfasehandelingen regelmatig namelijk reeds strafbaar naar nationaal strafrecht. Het internationale recht staat dan ‘slechts’ aan decriminalisering in de weg.23 En soms is dat het intreden van vergaande strafbaarheid in de voorfase ook het gevolg van (gebrek aan) keuzes van Nederland zelf. Hoewel het Verdrag van Lanzarote het bijvoorbeeld in artikel 24 lid 3 expliciet mogelijk maakt een voorbehoud te maken op de strafbaarheid van poging tot grooming heeft Nederland daar, anders dan vele andere landen, (bewust of onbewust) geen gebruik van gemaakt.24