Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/5.4.1.1
5.4.1.1 Afschrikkende werking
mr. mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715518:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Von Feuerbach 1832, p. 14-17. Zie ook: Enschedé/Blom 2013, p. 25; Groenhuijsen 2002, p. 28; Roxin 1997, p. 103; Peters 1966, p. 153; Pompe 1945, p. 52. Dupont meent overigens dat deze theorie van generale preventie al bij 18e-eeuwse auteurs te vinden is (Dupont 1979, p. 53. Zie ook: Groenhuijsen 2002, p. 25-26).
Groenhuijsen & Kristen 2001, p. 332; Groenhuijsen 1982, p. 284; Dupont 1979, p. 53-54 en 87; Schünemann 1978, p. 2; Pompe 1945, p. 52.
Hol & Gribnau 1999, p. 179. Meer specifiek stellen ze dat wanneer je door middel van regels menselijk gedrag wilt beïnvloeden, die regels kenbaar, consistent, duidelijk, tijdig en consistent moeten zijn.
Altena 2016, p. 29-30; Kristen 2011, p. 316-317 en 320; Keupink 2011, p. 26-27; Groenhuijsen 2002, p. 28 en 41; Groenhuijsen & Kristen 2001, p. 332; Brouwer 1999, p. 193; Roxin 1997, p. 102 en 125; Krey 1983, p. 138; ’t Hart 1978, p. 218; Schünemann 1978, p. 2 en 29; Schreiber 1976, p. 209; Peters 1966, p. 153; Dupont 1979, p. 53; Pompe 1945, p. 52. Het is volgens Peters overigens maar de vraag of die logica bij culpoze delicten – en in het bijzonder bij onbewuste schuld – ook opgaat (Peters 1966, p. 14-15 en 154-155). Mulder merkt op dat ook schulddelicten een generaal preventieve werking kunnen hebben, doordat schulddelicten gevaarlijk gedrag bestraffen en mensen dus worden afgeschrikt van gevaarlijk handelen en tot voorzichtigheid worden aangespoord (Mulder 1987, p. 425). Dat lijkt mij inderdaad juist, maar de vraag blijft of voldoende duidelijk is hoe voorzichtig mensen moeten zijn.
Mulder 1987, p. 411; Peters 1965, p. 171. Volgens Groenhuijsen zou generale preventie overigens slechts een doel van het legaliteitsbeginsel zijn en niet de ratio daarachter vormen (Groenhuijsen 1982, p. 284).
Altena 2016, p. 34; De Hullu 2021, p. 91; Kristen 2011, p. 316 en 317; Groenhuijsen 2002, p. 41; Groenhuijsen & Van der Landen 1990, p. 14; Strijards 1988, p. 18.
Altena 2016, p. 34; Roxin 1997, p. 103; Schünemann 1978, p. 11-12; Schreiber 1976, p. 216. Vgl. ook: De Jong 1989b, p. 174.
Altena 2016, p. 43; Kristen 2011, p. 316; Groenhuijsen 2002, p. 28 en 41; Dupont 1979, p. 50-54. Dat is ook het mensbeeld waar volgens Kristen het Nederlandse Wetboek van Strafrecht van uitgaat. De wetgever van 1886 merkte immers op dat de strafwet “spreekt tot den normaal ontwikkelden mensch, tot hem die met bewustheid handelt, die vrij is om anders te handelen, die in staat is ten aanzien van het strafbaar gestelde feit zijnen wil te bepalen.” (Smidt 1891a, p. 364-365).
Van Klink 1998, p. 72. Zo meent Peters dat morele opvattingen vermoedelijk meer bijdragen aan speciale preventie dan de wettelijke strafbedreiging (Peters 1966, p. 168 en 169).
Zie ook: Groenhuijsen 2005, p. 794.
Westen 2007, p. 236-237. Vgl. ook: Peters 1966, p. 165. Deze redenering moet vanuit liberaal oogpunt uiteraard verworpen worden, doordat de staat daarmee de autonomie van de burger miskent door hem als middel te gebruiken om anderen aan te spreken (Ashworth & Zedner 2014, p. 108).
Roxin 1997, p. 103; Schünemann 1978, p. 12-14; Schreiber 1976, p. 216. Dat pleit wel vooral voor duidelijke strafbaarstellingen en minder nadrukkelijk voor duidelijke strafmaxima.
Buiting 1965, p. 132.
Buiting 1965, p. 132.
De gedachte dat duidelijke wetgeving bijdraagt aan effectieve criminaliteitsbestrijding is al terug te vinden bij Von Feuerbach, die stelt dat de eisen van het legaliteitsbeginsel eraan bijdragen dat mensen ervan worden weerhouden strafbare feiten te plegen.1 Die gedachte is sindsdien veelvuldig herhaald.2 Zo menen Hol en Gribnau dat wie het gedrag van burgers succesvol wil beïnvloeden, heldere bevelen moet geven.3 Alleen als burgers precies weten welke gedragingen strafbaar zijn en welke straffen er op overtreding staan, zouden ze ervan kunnen worden afgeschrikt die gedragingen te verrichten.4 Diverse auteurs menen dan ook dat de ratio van het lex certa-beginsel (mede) moet worden gezocht in de sfeer van de generale preventie.5 Andere auteurs menen dat duidelijke wetgeving ook bijdraagt aan speciale preventie, in die zin dat individuele (potentiële) verdachten met duidelijke wetgeving beter de balans kunnen opmaken tussen de voor- en nadelen van hun gedrag.6
Vanuit functionalistisch oogpunt is de gelding van het lex certa-beginsel afhankelijk van de empirisch aantoonbare toegevoegde waarde van duidelijkheid van strafwetgeving. De plausibiliteit van de theorie dat duidelijkheid tot preventie leidt, is echter twijfelachtig.7 De theorie leunt zwaar op het hiervoor reeds besproken mensbeeld van de homo economicus; het rationele, berekenende individu dat de kosten en baten van het misdrijf tegen elkaar afweegt.8 Het is maar zeer de vraag in hoeverre dat een accurate weergave van de werkelijkheid is, vooral als het gaat om overtuigingsdaders, zoals terroristen.9 Vanuit een meer deterministisch mensbeeld, waarin van een dergelijke rationele afweging geen of in veel mindere mate sprake hoeft te zijn, kunnen ook met name de vermeende speciaal-preventieve effecten van duidelijke wetgeving worden gerelativeerd.10 Dat hoeft echter niet te betekenen dat duidelijke wetgeving ook niet bijdraagt aan generale preventie (al dan niet indirect, bijvoorbeeld via de media).11 Dat lijkt mij in het bijzonder niet onaannemelijk als niet slechts naar de duidelijkheid van één specifieke wetsbepaling wordt gekeken, maar naar de duidelijkheid van wetgeving in bredere zin en de hiervoor in het kader van communitarisme besproken internalisering van normen door de samenleving. Sommige auteurs menen in ieder geval dat de hierboven geschetste generaal-preventieve effecten wel degelijk bestaan, zij het vooral buiten het commune strafrecht, bij normen die (nog) niet of onvoldoende zijn geïnternaliseerd.12
De vraag in hoeverre duidelijkheid nu daadwerkelijk tot speciaal en generaal-preventieve effecten leidt, ligt uiteraard buiten het bestek van dit proefschrift. Voor nu wordt aangenomen dat er in ieder geval enig verband tussen de duidelijkheid van wetgeving en de naleving van die wetgeving bestaat. Daarover moet nog wel worden opgemerkt dat, gelet op de hiervoor besproken uitgangspunten, onduidelijkheid niet in alle gevallen even problematisch is. Zo acht Buiting de onduidelijkheid van het ‘begin van uitvoering’ minder problematisch als de onderdelen van de delictsomschrijving die de verdachte al heeft vervuld reeds op zichzelf tot het intreden van aansprakelijkheid zouden leiden.13 In dat geval kantelt het intreden van aansprakelijkheid immers niet op de interpretatie van het ‘begin van uitvoering’. De vraag is dan niet óf de verdachte aansprakelijk is, maar vooral onder welke strafbepaling hij valt, waarbij enkel de strafmaat nog kan verschillen.14 In wezen heeft de afschrikkende werking van het strafrecht dan al gefaald. Datzelfde fenomeen doet zich voor bij het grensgebied tussen voorbereiding en poging. Vanuit praktisch oogpunt is de relevantie van dat onderscheid niet erg groot, omdat de rechter bij de strafoplegging niet altijd de verhoogde strafmaat van poging nodig heeft om een passende straf op te kunnen leggen. Bovendien versterkt de strafbaarstelling van voorbereiding de preventieve effecten die van de strafbaarstelling van poging uit zouden gaan, nu daarmee duidelijk wordt dat ook gevallen die net buiten poging vallen nog strafbaar zijn.