Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/7.10.1
7.10.1 Wijzen van beëindiging
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232886:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9854, NJ 2012/685 (Gemeente De Ronde Venen/SNU en Stedin) en HR 3 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3821, NJ 2000/120 (Latour/De Bruijn).
Zie in het algemeen Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III, 2018/408. De specifieke toepassing hiervan bespreek ik in paragraaf 7.10.2.
Indien men zou concluderen dat de administratievoorwaarden als algemene voorwaarden kwalificeren, lijkt mij echter zeer de vraag of deze bepaling standhoudt; vermoedelijk kan de certificaathouder haar dan vernietigen, zie paragraaf 7.9.2.
Van den Ingh, dissertatie 1991, pagina 167, merkt op dat opzegging meestal alle certificaathouders zal betreffen, maar dat dit niet noodzakelijk is. Dit lijkt mij terecht, met dien verstande dat de administratievoorwaarden dit zouden kunnen uitsluiten.
De beheersovereenkomst wordt dan van rechtswege ontbonden door vervulling van de voorwaarde of tijdsbepaling. Ook is het mogelijk om de ontbinding dan nog te laten afhangen van een verklaring van één van de partijen, zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III, 2018/602.
Zie tevens paragraaf 7.7.1.
Vergelijk Asser/Rutten 4-II (1982), pagina 244 en Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III, 2018/601 – 603, alsmede Hofmann en Abas 1977, pagina 245.
Artikel 6:270 BW bepaalt dat gedeeltelijke ontbinding mogelijk is. Dit kan zien op een evenredig gedeelte van de prestatie, maar ook op een temporele vermindering van de prestaties, zie W.H. van den Boom, GS Verbintenissenrecht, artikel 6:270 BW, aantekening 2.
Zie artikel 6:265 BW. Op grond van artikel 6:267 BW kan een overeenkomst ontbonden worden door een schriftelijke verklaring van een van de partijen of door een rechterlijke uitspraak.
In het algemeen zij opgemerkt dat, aangezien certificering een duurovereenkomst is, deze in beginsel (door beide partijen) opzegbaar is, tenzij deze mogelijkheid beperkt wordt. Dit is in principe ook het geval indien de beheersovereenkomst zich niet uitspreekt over een eventuele mogelijkheid tot opzegging. Wel is mogelijk dat de eisen van redelijkheid en billijkheid, in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval, met zich brengen dat er slechts een mogelijkheid tot opzegging bestaat indien daar een voldoende zwaarwegende grond voor is. Deze eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen ook met zich brengen dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met een aanbod tot de betaling van een (schade)vergoeding.1
De bevoegdheid tot opzegging kan evenwel worden uitgesloten, in casu komt dit doorgaans neer op een beperking voor de certificaathouder, in de vorm van een beperking of uitsluiting van de royeerbaarheid van het certificaat, met dien verstande dat de redelijkheid en billijkheid van artikel 6:248 BW met zich kunnen brengen dat de STAK op het beding van niet-royeerbaarheid geen beroep toekomt.2 Om een duurzame scheiding van zeggenschap en economisch belang te bewerkstelligen, is een dergelijke bepaling noodzakelijk.
Mede dit in aanmerking nemend kan decertificering, dat wil zeggen het op enige wijze beëindigen van de beheersovereenkomst tussen de certificaathouder en de STAK, verschillende oorzaken hebben:
De certificaathouder kan de beheersovereenkomst opzeggen (royering). Bij een certificering waarmee een duurzame scheiding tussen zeggenschap en economisch belang wordt nagestreefd, is deze mogelijkheid uitgesloten of beperkt.3
De STAK kan de beheersovereenkomst opzeggen. Doorgaans zullen de administratievoorwaarden erin voorzien dat de STAK deze mogelijkheid heeft.4
De administratievoorwaarden kunnen voorzien in automatische ontbinding van de beheersovereenkomst als gevolg van de vervulling van een voorwaarde of tijdsbepaling, zoals het faillissement van de STAK, het tenietgaan van het gecertificeerde vermogen of het bereiken van een bepaalde leeftijd door de certificaathouder.5 Het tenietgaan (of de gedwongen overdracht) van het gecertificeerde vermogen hoeft overigens niet steeds te nopen tot decertificering. Dit hangt uiteraard samen met de aard van het gecertificeerde vermogen en het antwoord op de vraag of het bezit van dit specifieke vermogen gezien het doel van de certificering van belang is, of dat dit doel ook met ander vermogen zinnig nagestreefd kan worden. Het certificaat is in elk geval naar mijn mening geen afhankelijk recht.6
De certificaathouder en de STAK kunnen in gezamenlijk overleg besluiten de beheersovereenkomst te ontbinden;7 voor de hand ligt in dit geval om een dergelijke ontbinding slechts werking te laten hebben naar de toekomst en niet prestaties die reeds hebben plaatsgevonden terug te draaien.8 In aanmerking nemend dat de certificaathouder steeds economisch gerechtigde is tot zowel het gecertificeerde vermogen als de inkomsten daaruit, of men de beheersovereenkomst nu in stand laat tot het moment van ontbinding of dat men alle gevolg daarvan ongedaan maakt, maakt dit voor de uiteindelijke economische positie van de certificaathouder overigens weinig uit.
Het doel van de STAK kan mijns inziens in dit verband nog wel een rol spelen: indien dit gericht is op het duurzaam scheiden van zeggenschap en economisch belang, zeker indien de statuten of de administratievoorwaarden een richtlijn geven van omstandigheden waaronder de insteller decertificering aanvaardbaar heeft geacht, dan kan het in strijd daarmee meewerken aan decertificering door de STAK doeloverschrijding impliceren.
Ontbinding op grond van wanprestatie9 (al dan niet gedeeltelijk); het zal de certificaathouder zijn die hier in voorkomend geval een beroep op doet, aangezien (i) het met name de STAK is die na het opzetten van de certificering nog verplichtingen heeft en dus kan wanpresteren, (ii) de STAK doorgaans de beheersovereenkomst kan opzeggen en (iii) de STAK gezien haar doel doorgaans de beheersovereenkomst in stand zal willen laten en vanuit dat perspectief geen belang heeft bij een beroep op ontbinding wegens wanprestatie, zelfs als die mogelijkheid zou bestaan.
Vernietiging wegens een wilsgebrek bij de totstandkoming van de beheersovereenkomst is in theorie ook denkbaar, maar zal mijns inziens in de praktijk geen reële mogelijkheid zijn, althans niet bij certificering in de familiesfeer. Zeker in aanmerking nemend dat in een dergelijk geval de STAK bij het opzetten van de certificering beheerst wordt door de insteller, is een wilsgebrek moeilijk denkbaar.
Decertificering op de grond dat het laten voortduren van de certificering in de omstandigheden van een specifiek geval naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (zie paragraaf 7.10.2 hierna).
Behoudens in geval van vernietiging van de beheersovereenkomst en de daaruit voortvloeiende overdracht van vermogen ten titel van beheer zal bij decertificering steeds levering van het gecertificeerde vermogen door de STAK aan de certificaathouder moeten plaatsvinden (zie nader paragraaf 7.10.3 hierna).