Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/8.5.4
8.5.4 Strafvermindering en het EVRM
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS616725:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 2.2.2.3 en par. 8.4.2.4.
Zie bijv. EHRM 25 september 2001, NJ 2003/670 m.nt. Dommering (P.G. & J.H. v. Verenigd Koninkrijk).
In dat verband kan worden gewezen op de rechtspraak van de HR over schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM, welke rechtspraak in par. 4.1 aan de orde kwam. Zie EHRM 15 oktober 2013, nr. 29388/11 (Borges de Brito v. Nederland), rov. 20. Ook kan worden gewezen op de zaken waarin, in een herzieningsprocedure na veroordeling van Nederland wegens schending van art. 8 EVRM, rechtsherstel in de zin van art. 41 EVRM werd geboden door vermindering van de opgelegde straf. Zie daarover par. 7.1.4.
Strafvermindering kan een middel zijn om de verdachte de effective remedy te bieden waarop hij op de voet van art. 13 EVRM aanspraak maakt als zijn EVRM-rechten zijn geschonden. Of strafvermindering in aanmerking komt hangt af van het verdragsrecht waarop inbreuk is gemaakt. Zoals blijkt uit de eerder in paragraaf 8.3.2 en 8.4.2 besproken rechtspraak van het EHRM, is daarin bij bepaalde schendingen van art. 3 en 6 EVRM bewijsuitsluiting voorgeschreven. Bij schendingen van art. 8 EVRM is toepassing van die reactie niet verplicht.1 De remedie die het EHRM zelf biedt als het een dergelijke schending vaststelt, is het toekennen van een financiële schadevergoeding,2 maar ook door middel van het verminderen van de opgelegde straf kan voor bepaalde schendingen van EVRM-rechten een effective remedy worden geboden. 3