Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker
Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/2.7:2.7 Conclusie en afronding
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/2.7
2.7 Conclusie en afronding
Documentgegevens:
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS297955:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het in 1838 ingevoerde OBW stond het ‘schuldbeginsel’ hoog in het vaandel: aansprakelijkheid was steeds gekoppeld aan eigen ‘foutief’ gedrag van de aansprakelijke persoon. Alleen voor schade veroorzaakt door ondergeschikten, gebouwen en later ook dieren golden ‘echte’ kwalitatieve aansprakelijkheden. In het midden van de 19e eeuw nam de stand van de samenleving door de Industriële revolutie een enorme vlucht. Men zag zich niet alleen geconfronteerd met méér, maar ook met ‘nieuwe’ risico’s. In het veranderde maatschappijbeeld richtten zaken meer en meer werkelijk ‘zelfstandig’ schade aan, terwijl betrokken verhoudingen door specialisatie en schaalvergroting ondoorzichtiger werden. Voor benadeelden was het niet zelden ondoenlijk aan te tonen wat er precies was fout gegaan en/of wie de desbetreffende fout had gemaakt. De slachtofferbeschermingsgedachte won steeds meer veld en het traditionele fout-vereiste kwam onder druk te staan. Hierin lag de aanzet tot een forse uitbreiding van het aantal gevallen van kwalitatieve aansprakelijkheid in het, zij het zeer moeizaam tot stand gekomen, huidige BW. Art. 6:181 werd, vergezeld van maar een beknopte toelichting, pas laat in dit wetgevingsproces geïntroduceerd. Van een volwaardig parlementair debat over de precieze werkingssfeer van deze aansprakelijkheid is het niet gekomen. Als gevolg hiervan werd art. 6:181 gekenmerkt door diverse ‘open einden’ in 1992 tot wet verheven. Ook bij gelegenheid van de toelichting op de latere Aanvullingswet 1995 werden deze niet ‘afgehecht’. Sterker nog, de introductie van de ‘beroepsmatige’ gebruiker in het in 1995 aan art. 6:181 toegevoegde lid 3 heeft juist extra vragen opgeroepen.