Einde inhoudsopgave
De Europese Executoriale Titel (BPP nr. III) 2005/1.2
1.2 Europeesrechtelijke ontwikkelingen
Mr. M. Zilinsky, datum 02-03-2005
- Datum
02-03-2005
- Auteur
Mr. M. Zilinsky
- JCDI
JCDI:ADS374613:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Europese Raad van Tampere, Conclusies van het voorzitterschap, 15 en 16 oktober 1999, SI (1999) 800 (hierna: Conclusies van Tampere).
Conclusies van Tampere, nr. 30. In deze overweging wordt ook uitdrukkelijk melding gemaakt van de niet-betwiste geldvorderingen.
Er wordt blijkbaar vanuit gegaan dat de executie van een rechterlijke beslissing binnen de grenzen van een staat zonder enige problemen verloopt, hetgeen niet altijd het geval is.
Conclusies van Tampere, nr. 33. Zie ook A.M.C. Boerwinkel, P.M.M. van der Grinten, 'Wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen', Justitiële verkenningen 2004/6, p. 51-65 (i.h.b. p. 53).
Conclusies van Tampere, nrs. 33 en 34. Tevens wordt voorgesteld om een regeling met betrekking tot de erkenning en de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen te treffen. In dit verband wordt verwezen naar de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement, Wederzijdse erkenning van definitieve beslissingen in strafzaken, COM (2000) 495 def. Zie tevens Groenboek over de onderlinge aanpassing, wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van strafrechtelijke sancties in de Europese Unie, 30 april 2004, COM (2004) 334 def. Daar het strafrecht buiten het onderwerp van mijn onderzoek valt, zal daaraan geen aandacht worden besteed. Zie verder A.M.C. Boerwinkel, P.M.M. van der Grinten, justitiële verkenningen 2004/6, p. 61.
De Europese Commissie heeft deze opdracht uitgewerkt in een plan van werkzaamheden van 23 april 2000. Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement, Scorebord van de vorderingen op het gebied van de totstandbrenging van een ruimte van Vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid' in de Europese Unie, COM (2000) 167 def. (hierna: Scorebord), laatstelijk bijgewerkt in COM (2003) 812 def. van 30 december 2003.
Verordening (EG) nr. 1347/2000 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid voor gemeenschappelijke kinderen, Pb EG L 160 van 30 juni 2000, p. 19 (hierna: Brussel II-Verordening).
Verordening (EG) nr. 1346/2000 betreffende insolventieprocedures, Pb EG L 160 van 30 juni 2000, p. 1 (hierna: EG-Insolventieverordening).
Voor de uitleg van de term 'lidstaat' in het kader van de regelingen omtrent de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen en de gevolgen daarvan wordt verwezen naar paragraaf 23.
Krachtens art. 68 lid 2 EEX-Vo geldt elke verwijzing naar het EEX-Verdrag als een verwijzing naar de EEX-Verordening (Pb EG L 12 van 16 januari 2001, p. 1). Dit betekent dat de tenuitvoerlegging van deze beslissingen overeenkomstig het tenuitvoerleggingsregime van de EEX-Verordening dient te geschieden.
Initiatief van de Franse Republiek met het oog op de aanneming van de verordening van de Raad inzake de wederzijdse tenuitvoerlegging van beslissingen betreffende het omgangsrecht, Pb EG C 234 van 15 augustus 2000, p. 7. Dit voorstel is een aanvulling op de Brussel II-Verordening geweest.
Dit voorstel is door de Europese Commissie overgenomen en in art. 41 en art. 42 van de 'Brussel Ilbis'-Verordening (Pb EU L 338 van 23 december 2003, p. 1) opgenomen. Zie nader paragraaf 2.5.5.1.
Verordening (EG) nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, Pb EG L 12 van 16 januari 2001, p. 1 (hierna: de EEX-Verordening).
Pb C 12 van 15 januari 2001, p. 1. Dit Programma is op de vergadering van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van 30 november 2000 goedgekeurd (Conseil/00/457).
De EET-regeling moet niet alleen bepalingen betreffende de erkenning van rechterlijke beslissingen bevatten, maar tevens procedurele regels voor de totstandkoming van een EET-beslissing geven. Voor een uitgebreide behandeling van de EET-procedure wordt verwezen naar hoofdstuk 5.
Hierbij dient te worden gedacht aan een uitwerking van het 'fair trial'-beginsel, zoals in art. 6 EVRM geregeld en nader omschreven in de jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens. Eveneens kan worden gedacht aan de maatregelen ter vereenvoudiging van maatregelen ter identificatie van de vermogensbestanddelen van een schuldenaar op het grondgebied van een lidstaat. De reeds genoemde Mededeling van de Commissie (Scorebord) wijst ook op de noodzaak van de vereenvoudiging van de regels betreffende de grensoverschrijdende bewijsvergaring en op het vaststellen van minimumnormen inzake de rechtsbijstand. Dit alles dient te bewerkstelligen dat de justitiabelen 'niet door de complexiteit van de juridische en administratieve stelsels van de lidstaten worden verhinderd of ontmoedigd om hun rechten te doen gelden' (Scorebord, p. 14).
Richtlijn 20001351EG betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties, Pb EG L 200 van 8 augustus 2000, p. 35. De richtlijn is voor Nederland uitgewerkt in de Wet van 7 november 2002 tot uitvoering van Richtlijn 20001351EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 juni 2000 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties (Stb. 2002, 545). De wet is per 1 december 2002 in werking getreden (Stb. 2002, 561).
Zie art. 5 RL 20001351EG.
Zie kritisch hierover M. Freudenthal, J.M. Milo, H.N. Schelhaas, 'Europese wanbetalers: geen krediet na aanvaarding richtlijn', NTBR 2000, p. 293 (i.h.b. p. 300).
De problematiek van de tijdige tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen is onderkend door de Europese Raad die op 15 en 16 oktober 1999 in Tampere (Finland) werd gehouden. In de Conclusies van Tampere1 wordt dan ook overwogen dat er in de Europese Unie een speciale procedure voor de vereenvoudigde en versnelde grensoverschrijdende beslechting van geschillen tot stand moet worden gebracht. De Europese Raad memoreert in zijn verklaring dat er primair aan een regeling met betrekking tot consumenten, alimentatie en commerciële vorderingen gedacht dient te worden.2 De te treffen regelingen dienen te strekken tot een versterking van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen, teneinde de beslechting over de grenzen heen te vergemakkelijken. Het verloop van deze procedures dient vergelijkbaar te zijn met het verloop van de nationale executieprocedures.3 De versterking van het wederzijdse vertrouwen in elkaars rechtspraak komt volgens de Raad ten goede aan het individu.4 Er wordt dan ook voorgesteld om het toepassingsbereik van de reeds bestaande regelingen uit te breiden tot andere terreinen en deze regelingen uiteindelijk te vereenvoudigen.5 De vereenvoudiging dient te worden gerealiseerd door de afschaffing van de vigerende intermediaire maatregelen. Het wederzijds vertrouwen in elkaars rechtspraak heeft reeds een automatische erkenning van de beslissingen afkomstig van de rechters uit de lidstaten tot gevolg. De volgende, daaruit voortvloeiende stap is dat op basis van dit vertrouwen een automatische tenuitvoerlegging van elkaars rechterlijke beslissingen wordt ingevoerd. Bij deze gedachte kan men zich laten inspireren door de in de Verenigde Staten van Amerika bestaande 'full faith and credit clause'. In de Conclusies van Tampere is aan de Raad en aan de Europese Commissie opdracht gegeven tot het vaststellen van een programma van maatregelen om het beginsel van wederzijdse erkenning toe te passen.6
Tijdens de vergadering van de Raad zijn op 29 mei 2000 twee regelingen vastgesteld die als een uitbreiding van het beginsel van de wederzijdse erkenning kunnen worden beschouwd. Het betreft de Brussel II-Verordening7 en de EG-Insolventieverordening.8 De Brussel II-Verordening die de door het EEX-Verdrag uitgesloten materie van personen- en familierecht gedeeltelijk regelt, bevat op dit terrein naast regels inzake de rechterlijke bevoegdheid ook bepalingen betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen in huwelijkszaken en inzake ouderlijke verantwoordelijkheid. De regels van deze verordening inzake de erkenning en tenuitvoerlegging bewerkstelligen nog niet een algeheel vrij verkeer van vonnissen. De verordening vereist voor de tenuitvoerlegging nog enige bemoeienis van de rechter van de lidstaat9 waar de rechterlijke beslissing ten uitvoer moet worden gelegd. De EG-Insolventieverordening bevat naast de regels betreffende de rechterlijke bevoegdheid inzake de faillietverklaring en de gevolgen en de omvang van een faillietverklaring, ook een regeling van de erkenning van de rechterlijke beslissing tot opening van een insolventieprocedure. Dergelijke beslissingen dienen in een andere lidstaat zonder verdere formaliteiten te worden erkend. Eveneens dienen de beslissingen inzake het verloop en de beëindiging van een insolventieprocedure zonder nadere formaliteiten te worden erkend. De tenuitvoerlegging van deze beslissingen geschiedt ingevolge art. 25 lid 1 EG-Insolventieverordening overeenkomstig art. 31 tot en met art. 51 EEX-Verdrag.10
Een verdere uitbreiding van het beginsel van de wederzijdse erkenning werd ook door het initiatief van Frankrijk tot het vaststellen van een verordening betreffende de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen inzake het omgangsrecht gevormd.11 De regeling van dit voorstel gaat uit van een algehele afschaffing van een intermediaire procedure voor de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing inzake het omgangsrecht en inzake de terugkeer van een kind.12
Een stap tussen deze twee regelingen, de verlening van het exequatur enerzijds en vrij verkeer van vonnissen zonder enige intermediaire procedure anderzijds, vormt de omzetting van het EEX-Verdrag in een verordening.13 Overeenkomstig deze verordening dient in de lidstaat alwaar de tenuitvoerlegging moet plaatsvinden wel een rechter te worden geadieerd, maar deze verricht slechts een formele toetsing. De rechter toetst of ingevolge de aan hem overgelegde bescheiden sprake is van een uitvoerbare beslissing uit een andere lidstaat en of aan de door de verordening voorgeschreven formaliteiten is voldaan. Eerst nadat een exequatur is verleend, kan de wederpartij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt toegestaan, actie ondernemen. Voordat een exequatur is afgegeven en de wederpartij actie heeft ondernomen, wordt de rechter geacht met geen andere dan formele argumenten rekening te houden.
Frankrijk heeft tijdens zijn voorzitterschap van de Europese Unie (1 juli 2000 tot en met 31 december 2000) een programma van maatregelen voor de uitvoering van het beginsel van wederzijdse erkenning van beslissingen in burgerlijke en handelszaken opgesteld.14 In het vervolgens door de Raad goedgekeurde programma wordt een opsomming gegeven van de reeds bestaande regelingen op het terrein van de erkenning van rechterlijke beslissingen. Tevens wordt een voorstel gedaan voor een uitbreiding van de maatregelen op andere terreinen, zoals omgangsrecht, huwelijksgoederen-recht en erfrecht. In het programma wordt voorgesteld om voor de niet-betwiste schuldvorderingen een geharmoniseerde procedure ter verkrijging van een Europese Executoriale Titel (EET) in te voeren. Deze procedure zou, aldus het programma, op grond van een richtlijn of een verordening in elke lidstaat moeten worden ingevoerd. De op basis van een dergelijke procedure tot stand gekomen beslissingen worden dan in een andere lidstaat met een beslissing van de rechter van die lidstaat gelijk gesteld. Dit leidt ertoe dat de tenuitvoerlegging van een ingevolge de EET-procedure tot stand gekomen beslissing zonder tussenkomst van een rechter van de lidstaat van tenuitvoerlegging moet verlopen. De EET-regeling leidt dus niet alleen tot aanpassing van het internationale procesrecht maar tevens van het nationale procesrecht.15
Het gehele proces van de vereenvoudiging van de erkennings- en tenuitvoerleggingsprocedure dient uiteindelijk uit te monden in een algehele afschaffing van de exequaturprocedure, waardoor een 'totaal' vrij verkeer van rechterlijke beslissingen ontstaat. Een dergelijke vereenvoudiging vereist eveneens dat het burgerlijk procesrecht in de afzonderlijke lidstaten op elkaar wordt afgestemd. De verschillen in de stelsels van het nationale procesrecht vormen ook een van de hinderpalen die tot een trage tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen kunnen leiden. Daarom moeten regelingen inzake de toegang tot de rechter als ook inzake minimumnormen in de procesrechtelijke stelsels van de lidstaten getroffen worden.16 Het is moeilijk voorstelbaar om een vreemde beslissing zonder nadere controle in het eigen rechtssysteem te laten indringen, indien deze uit een systeem komt dat op andere beginselen gebaseerd is. Een marginale toetsing van een vreemde rechterlijke beslissing is dan op zijn plaats, omdat daardoor gecontroleerd kan worden of de vreemde beslissing niet tot onaanvaardbare gevolgen binnen het rechtssysteem van de staat van de tenuitvoerlegging zal leiden. De controle zou binnen de EU wel afgeschaft kunnen worden, indien de regels van de civielrechtelijke procedures in de EU geharmoniseerd worden. Indien de civielrechtelijke procedures in alle lidstaten op 'gelijke' manier verlopen, bestaat geen noodzaak meer om elkaars vonnissen aan een nieuwe rechterlijke toetsing te onderwerpen.
Een aanzet, zij het op een heel beperkt terrein, tot een gedeeltelijke harmonisatie van het procesrecht naast het materiële recht, wordt in de Richtlijn Bestrijding Betalingsachterstand Handelstransacties17 gegeven. De richtlijn draagt aan de lidstaten op om naast de regels met betrekking tot de rente op de niet-betaalde aanspraken en de regels inzake het eigendomsvoorbehoud, ervoor te zorgen dat een schuldeiser binnen een periode van 90 dagen na de instelling van zijn vordering bij de bevoegde rechter een executoriale titel verkrijgt, indien de vordering door de wederpartij niet is betwist.18 Deze opdracht verplicht de lidstaten slechts ervoor te zorgen dát een executoriale titel verkregen kan worden. De richtlijnopstellers hebben niet zover willen gaan om aan de lidstaten een bepaalde procedure voor te schrijven.19 De bepalingen van de Richtlijn laten de reeds bestaande regels inzake de rechterlijke bevoegdheid en inzake de erkenning en de tenuitvoerlegging onverlet.