Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/7.2.2.1
7.2.2.1 Beoordelingskader van de rechtsstaat die het burgerperspectief in acht neemt
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661502:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Deze benaming heeft als voordeel ten opzichte van bijvoorbeeld ‘empathische rechtsstaat’ of ‘responsieve rechtsstaat’ dat hij meer nadruk legt op het perspectief van de burger (niet kijken naar maar vanuit de burger).
Dat is extra relevant indien aan beginselen principieel een even zwaar gewicht wordt toegekend.
Zoals op bestaande rechtsstatelijke toetsingskaders in de literatuur waarin ‘de burger’ minder op de voorgrond staat, zie Ommeren 2003; Van de Sande 2019; Schlössels e.a. 2017.
Het beoordelingskader voor het herijkingsvoorstel moet een rechtsstatelijk kader zijn waarbij tevens voldoende oog is voor het burgerperspectief. Daarom neem ik als uitgangspunt voor het beoordelingskader Scheltema’s vier rechtsstatelijke beginselen (paragraaf 2.2.3, 2.6.2). Daaraan voeg ik toe dat deze beginselen steeds moeten worden beoordeeld met inachtneming van het burgerperspectief. Ik noem het beoordelingskader daarom – hoewel niet erg bondig, wel concreet1 – het beoordelingskader van de rechtsstaat die het burgerperspectief in acht neemt. Ik licht de elementen hieronder nader toe.
Figuur 9: Het beoordelingskader van de rechtsstaat die het burgerperspectief in acht neemt
De aanvulling van het burgerperspectief acht ik om een aantal redenen gewenst. Het gaat in de eerste plaats niet enkel om het herijken van het juridisch perspectief, maar ook om het verrijken van het juridisch perspectief met het burgerperspectief. Die verrijking houdt in dat bij de toetsing aan de rechtsstatelijke beginselen steeds de invalshoek van het burgerperspectief zal moeten worden betrokken. Daarmee bedoel ik dat bij de invulling van en toetsing aan de rechtsstatelijke beginselen oog moet zijn voor de belangen van de burger, bezien vanuit de burger. Het gaat dus niet alleen om kijken naar de burger, maar ook kijken vanuit de burger. De toegevoegde waarde van het burgerperspectief voor het beoordelingskader is dat het de afweging van beginselen kan sturen.2 Waar beginselen (argumenten bevatten die) in verschillende richtingen kunnen wijzen, geeft een perspectief een kijkrichting aan. Het beoordelen van de rechtsstatelijke beginselen met inachtneming van het burgerperspectief levert dus een nieuwe invalshoek op ten aanzien van bestaande rechtsstatelijke toetsingskaders.3
Ik merk op dat in het beoordelingskader het burgerperspectief niet als apart criterium is opgenomen. Dat is logisch, want een perspectief en beginselen zijn geen gelijksoortige criteria. Een perspectief heeft een ander karakter dan een beginsel. Daarbij komt dat het idee dat het recht herkenbaar moet zijn voor burgers, altijd al belangrijk was. De rechtsstaat is er niet voor zichzelf maar voor de burger, zoals Scheltema’s beginsel van de dienende overheid al in 1989 tot uitdrukking bracht. In zoverre zou het apart benoemen van het burgerperspectief als nieuw criterium conceptueel vreemd zijn. Rekening houden met de burger ligt als het ware in de rechtsstatelijke beginselen besloten (zie het idee van de ‘responsieve rechtsstaat’; paragraaf 2.2.3). Wel is het juridisch perspectief in toenemende mate aandacht voor het perspectief van de burger gaan omvatten (paragraaf 2.2.3, 5.2). Het burgerperspectief geeft daarom een kijkrichting aan bij de invulling en toetsing van de rechtsstatelijke beginselen. Zo bezien, ‘kleurt’ het burgerperspectief de hedendaagse interpretatie van de rechtsstatelijke beginselen. Het beoordelingskader geeft daarvoor het raamwerk.