Ambtshalve toepassing van EU-recht
Einde inhoudsopgave
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/2.14:2.14 Thema’s Nederlandse rechtsstrijd
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/2.14
2.14 Thema’s Nederlandse rechtsstrijd
Documentgegevens:
Mr. A.G.F. Ancery, datum 01-08-2012
- Datum
01-08-2012
- Auteur
Mr. A.G.F. Ancery
- JCDI
JCDI:ADS300996:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
74
Een noodzakelijke voorwaarde om tot omlijning van de rechtsstrijd te komen, is de inzet van een civielrechtelijk geding en een bepaalde rechtsvordering. De rechter dient zich niet in te laten met de vordering, omdat het voor alle partijen precies duidelijk dient te zijn waarover de procedure gevoerd zal worden.
Op het moment dat de procedure daadwerkelijk voor een rechter aanhangig is gemaakt, kan de rechtsstrijd worden afgebakend. In Nederland gebeurt dat door de feiten, standpunten en argumenten die partijen aan hun vordering of verweer ten grondslag leggen. Zo bezien zijn het in Nederland de partijen die bepalen welke feiten de rechter kent en eventueel bij zijn beslissing mag gebruiken. Deze invulling zou noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de rechter met partijen meeprocedeert, partijen gelijke kansen te bieden op het naar voren brengen van hun standpunt en voorts een diepgaand partijdebat te stimuleren. Het is de Nederlandse civiele rechter nimmer toegestaan om ambtshalve feitelijke gronden bijeen te brengen. De vraag hoeveel feitelijke informatie de civiele rechter mag gebruiken voor zijn eindbeslissing is in Nederland vooral afhankelijk van de invulling van het begrip openbare orde in de context van het stelsel van de artikelen 24 tot en met 25 Rv. Is de openbare orde betrokken, dan vormt artikel 149 Rv het feitelijk kader en niet artikel 24 Rv.
75
Het volgende hoofdstuk zal deze onderwerpen vanuit het perspectief van het Duitse, Engelse en Franse procesrecht bezien. Concreet zal worden gekeken naar de uitgangspunten van de gekozen vergelijkingsstelsels. In Nederland is dat voornamelijk het beginsel van partijautonomie. Daarna zal worden ingegaan op de inzet van de procedure in de onderzochte stelsels, de vergaring van de voor de beslissing noodzakelijke feitelijke grondslag, de toepassing van rechtsgronden op die feitelijke grondslag en de rol van de openbare orde daarbij.