Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/9.3.1.2:9.3.1.2 Vergelijking met andere disciplines en rechtsgebieden
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/9.3.1.2
9.3.1.2 Vergelijking met andere disciplines en rechtsgebieden
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS611458:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Loonbelasting / Artiesten, beroepssporters en buitenlandse gezelschappen
Loonbelasting / Inhoudingsplichtige
Loonbelasting / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In hoofdstuk 6 is beschreven dat voor de beoordeling of sprake is van een ‘aanmerkelijk belang’, het aandelenbezit van partners moet worden samengeteld. Het gaat hierbij om aandelen die worden gehouden door de echtgenoot, de geregistreerde partner, en de persoon met wie men ongehuwd samenwoont en met wie men heeft geopteerd voor het partnerschap in de zin van art. 1.2 Wet IB 2001. Indien geen gebruik is gemaakt van deze optie, wordt het aandelenbezit van ongehuwde samenwoners dus niet bij elkaar opgeteld voor de beoordeling van het 5%-criterium. In dit verband ontbreken in art. 4 onderdeel d Wet LB 1964 en art. 2h Uitv.besl. LB 1965 partnerficties, die wel gelden voor de toepassing van art. 3.91 en 3.92 Wet IB 2001. Als gevolg hiervan wordt voor de toepassing van de fictiebepalingen geen rekening gehouden met alle samenlevingssituaties. Er bestaat daarom geen volledige overeenstemming met de sociaal-maatschappelijke werkelijkheid en het personen- en familierecht. Met name ten aanzien van de gebruikelijkloonregeling kan dit tot onredelijke uitkomsten leiden, omdat ongehuwde partners nu een lagere belastingdruk kunnen bereiken in vergelijking tot gehuwde of geregistreerde partners.
Deze uitkomsten zijn bovendien opmerkelijk indien wordt bedacht dat kinderen van een dga die bijvoorbeeld vakantie- of weekendwerk verrichten voor de vennootschap, ook onder de gebruikelijkloonregeling kunnen vallen. Dit is bevestigd in het besluit van 22 mei 2001, nr. CPP2001/3172M, BNB 2001/370. De kinderen moeten dan wel een ‘aanmerkelijk belang’ hebben op grond van de meetrekregeling van art. 4.10 Wet IB 2001.
In de behandeling van de dga voor de loonbelasting zie ik overigens raakvlakken met de scheiding tussen ‘ownership’ en ‘control’ zoals die geldt in het ondernemingsrecht. Deze scheiding is in de praktijk afwezig bij de eenmans-BV, maar voor de loonbelasting wordt zij in feite toch gerespecteerd. Ondanks het feit dat de dga zowel ‘ownership’ als ‘control’ bezit, wordt zijn arbeidsverhouding toch als een privaatrechtelijke of fictieve dienstbetrekking aangemerkt.
Voor een verdere vergelijking van het begrip ‘aanmerkelijk belang’ met de bedrijfseconomie, het ondernemingsrecht en het jaarrekeningenrecht verwijs ik naar hoofdstuk 6.