Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/3.2.2
3.2.2 De strafbaarstelling van ‘witte’ slavenhandel in de 20e eeuw (gericht op seksuele uitbuiting)
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS387422:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie uitgebreid over de Nederlandse wetsgeschiedenis inzake seksuele uitbuiting: Haveman 1995, p. 97-241, zie ook Haveman 1998, p. 97-107, zie voorts Alink & Wiarda 2010, p. 178-206. Naar de onderzoeken van deze auteurs wordt in deze paragraaf veelvuldig verwezen.
Alink & Wiarda 2010, p. 197, BNRM 2002, p. 15.
Zie ook Alink & Wiarda 2010, p. 182.
Wet van 20 mei 1911, Stb. 1911, 130.
Zie ook BNRM 2002, p. 16 en Alink & Wiarda 2010, p. 179. Zie uitgebreid over het debat rondom prostitutie: De Vries 1997, p. 244 e.v. en Haveman 1998, p. 97 e.v.
Het artikel stelt strafbaar: ‘Hij die van het opzettelijke teweegbrengen of bevorderen van ontucht door anderen met derden een beroep of eene gewoonte maakt.’
Het artikellid stelt strafbaar: ‘hij die als souteneur uit de ontucht van eene vrouw voordeel trekt’.
Zie ook De Vries 1997, p. 262, Haveman 1998, p. 130-131 en Alink & Wiarda 2010, p. 180-181.
Alink & Wiarda 2010, p. 182-183.
Kamerstukken II 1910/11, bijlage 28, nr. 5 (ingezonden bij brief van 20 februari 1911).
Noyon 1912, p. 34.
Zie ook Haveman 1998, p. 132-133.
Zie verder in deze paragraaf.
Zie ook Haveman 1998, p. 146, BNRM 2002, p. 17 en Alink & Wiarda 2010, p. 183.
Wet van 13 mei 1927, Stb. 1927, 156.
Zie ook Haveman 1998, p. 148 en Alink & Wiarda 2010, p. 183.
Zie verder in dit hoofdstuk.
‘Convention for the Suppression of the Traffic in Persons and of the Exploitation of the Prostitution of Others’, Resolutie 317, United Nations Treaty Series, vol. 96, p. 271; in werking getreden op 25 juli 1951.
Zie ook Haveman 1998, p. 149-150 en Alink & Wiarda 2010, p. 184.
Slechts 82 landen zijn partij bij het VN Verdrag, zie: https://treaties.un.org/.
De wetgever verklaart dat later als volgt in de memorie van toelichting bij het hierna te bespreken wetsvoorstel 21 027: ‘Niet de strafrechtelijke bevordering van de zedelijkheid, die het VN verdrag van 2 december 1949 klaarblijkelijk beoogt, is doelstelling van de Nederlandse strafrechtspolitiek, maar de bescherming van hen die onvrijwillig tot prostitutie komen, waarbij de term “onvrijwillig” ruim wordt opgevat’ (Kamerstukken II 1988/89, 21 027, nr. 3, p. 6). Zie ook Haveman 1998, p. 151-152 en Alink & Wiarda 2010, p. 184.
De bepaling zou alleen van vrouwenhandel in mensenhandel moeten worden veranderd, zodat ook de handel in meerderjarige mannen eronder zou vallen.
Zoals later blijkt, is dit onderscheid meer expliciet terug te vinden in het wetsvoorstel 18 202 van 1983 (Kamerstukken II 1983/84, 18 202, nrs. 1-3) en het wetsvoorstel 21 027 van 1989 (Kamerstukken II 1988/89, 21 027, nrs. 1-3). De artikelen 432 Sr en 250ter Sr waren wat dat betreft onderling afgestemd. Het eerste zag op ongeoorloofd souteneurschap of ongeoorloofde exploitatie van prostitutie en het tweede op vrouwenhandel.
Zie ook Alink & Wiarda 2010, p. 184.
Nederland heeft zich echter door de ratificatie van het Vrouwenhandelverdrag van 1933 in ieder geval ten aanzien van de handel in vrouwen afkomstig uit het buitenland verplicht tot strafbaarstelling, ook als het niet gedwongen is. Dit verdrag geeft later dan ook aanleiding tot discussie, zoals hierna aan de orde zal komen.
Haveman heeft het in zijn proefschrift ook wel over ‘de periode van windstilte’ omdat nadat in 1911 de strafbaarstelling van vrouwenhandel is opgenomen, de aandacht voor het onderwerp tot de jaren ’80 van de vorige eeuw is verslapt, zowel in het parlement als daarbuiten, zie Haveman 1998, p. 139 e.v..
Kamerstukken II 1983/84, 18 202, nrs. 1-3.
Zie voor de uitgebreide parlementaire behandeling Haveman 1998, p. 169-182 en Alink & Wiarda 2010, p. 185-188.
Kamerstukken II 1985/86, 18 202, nr. 6 (nota van wijziging).
Kamerstukken II 1985/86, 18 202, nr. 5, p. 5. Zie ook Haveman 1998, p. 179.
Zie voor de uitgebreide wetsgeschiedenis Haveman 1998, p. 181-183, 200-221 en Alink & Wiarda 2010, p. 189-191.
Zie ook Haveman 1998, p. 186-187 en Alink & Wiarda 2010, p. 191.
Zie daarover ook Haveman 1998, o.a. p. 166-167 en p. 239-240.
Kamerstukken II 1988/89, 21 027, nr. 3, p. 4 en 8.
Kamerstukken II 1988/89, 21 027, nr. 3, p. 3 en p. 9.
Kamerstukken II 1990/91, 21 027, nr. 6, p. 1 (art. 250ter lid 1 sub 2 Sr).
Zie ook Haveman 1998, p. 236-238 en Alink & Wiarda 2010, p. 194.
Haveman 1993, p. 630-633 en Alink & Wiarda 2010, p. 195.
Kamerstukken II 1993/94, 18202, nr. 127. Zie voor de meer uitgebreide wetsgeschiedenis Haveman 1998, p. 210-221 en Alink & Wiarda 2010, p. 194-195.
Zie ook Alink & Wiarda 2010, p. 196.
Wet van 9 december 1993, Stb. 1993, 679, in werking getreden op 1 februari 1994.
Wetsvoorstel 25 437, zie Kamerstukken II 1996/97, 25 437, nrs. 1-2.
Kamerstukken II 1996/97, 25 437, nr. 3. Zie over de wetsgeschiedenis ook Haveman 1998, p. 234-236, Otten 2006, p. 9 en Alink & Wiarda 2010, p. 196-197.
Zie ook Alink & Wiarda 2010, p. 197.
Kamerstukken II 1996/97, 25 437, nrs. 1-2 en Kamerstukken II 1997/98, 25 437, nr. 6 (nota van wijziging).
Kamerstukken II 1996/97, 25 437, nr. 3, p. 9. Zie ook Alink en Wiarda 2010, p. 198.
Kamerstukken II 1997/98, 25 437, nr. 6 (nota van wijziging).
Kamerstukken II 1997/98, 25 437, nr. 5 (nota naar aanleiding van het verslag), p. 22-23. In de toelichting op de bepaling wordt opgemerkt dat bij dit feitencomplex ook kan worden opgetreden op grond van artikel 317 Sr (afpersing), maar in die bepaling ontbreken de elementen misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en misleiding. Ook is optreden mogelijk op basis van artikel 284 Sr (dwang), maar in die bepaling is de strafbedreiging aanzienlijk lager dan in het voorgestelde artikel 250a Sr. Zie ook Alink & Wiarda 2010, p. 198-199.
In Kamerstukken II 1985/86, 18 202, nr. 6 (nota van wijziging) werd strafbaar gesteld: ‘Degene die een ander door geweld of andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid dwingt, dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding beweegt hem of haar uit de opbrengst van zijn of haar seksuele handelingen te bevoordelen. In het huidige wetsvoorstel wordt daar alleen aan toegevoegd: “met een derde”.’
Vergelijk Alink & Wiarda 2010, p. 194. De auteurs menen dat ook in de term ‘medenemen’ (naast ‘ontvoeren’) onvrijwilligheid besloten ligt.
Alink & Wiarda 2010, p. 199. In het amendement-Halsema wordt voorgesteld het woord ‘aanwerft’ te schrappen (Kamerstukken II 1998/99, 25 437, nr 11). Vervolgens wordt in het gewijzigd amendement-Halsema voorgesteld voor het woord ‘aanwerft’ het woord ‘bedrieglijk’ in te voegen (Kamerstukken II 1998/99, 25 437, nr. 15).
Kamerstukken II 1998/99, 25 437, nr. 17, p. 4-5, Alink & Wiarda 2010, p. 199.
Zie ook Alink & Wiarda 2010, p. 199.
Kamerstukken II 2000/01, 27 745, nrs.1-2; Wet van 13 juli 2002, Stb. 2002, 388 (in werking getreden op 1 oktober 2002).
Zie ook Alink & Wiarda 2010, p. 199-200 en BNRM 2012, p. 20.
Kamerstukken II 2000/01, 27 745, nr. 3, p. 7. Alink & Wiarda 2010, p. 200.
In de 20e eeuw komt de aandacht voor de Trans-Atlantische slavenhandel stil te liggen. Wel wakkert de belangstelling voor uitbuiting in de seksindustrie aan. Ik herhaal nogmaals dat dit onderzoek gericht is op arbeidsuitbuiting, maar daarvoor is de geschiedenis van de strafbaarstelling van seksuele uitbuiting wel relevant. Deze geschiedenis is namelijk van grote invloed geweest op de vormgeving van de huidige mensenhandelbepaling en daarmee ook op de hedendaagse strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting. Deze paragraaf gaat dan ook nader in op de strijd tegen seksuele mensenhandel in de 20e eeuw.
Waar het bij het verdrag van 1818 tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk en de invoering van de artikelen 274 tot en met 277 Sr in 1886 ging om een verbod op de handel in zwarte slaven, komt eind 19e eeuw de focus op de handel in blanke seksslavinnen te liggen.1 In Europa laait een debat op onder aanvoering van abolitionisten die streven naar een verbod op prostitutie. In de optiek van de abolitionisten was iedere vorm van prostitutie gedwongen, omdat de keuze voor dergelijke arbeid per definitie niet werd ingegeven door vrije wil.2 De belangstelling gaat enkel uit naar seksuele uitbuiting, niet naar de overige uitbuiting. Op internationaal niveau komt op 4 mei 1910 de Internationale conventie inzake de bestrijding van de handel in blanke vrouwen en meisjes tot stand (zie hoofdstuk 4). Dit verdrag maakt onderscheid tussen handel in minderjarige en in meerderjarige vrouwen. In de strafbaarstelling van handel in minderjarigen ontbreekt het bestanddeel dwang, terwijl bij de meerderjarigen dit bestanddeel als beperkende voorwaarde geldt.3 Het verdrag vormt voor Nederland aanleiding vrouwenhandel strafbaar te stellen. De strafbaarstelling wordt opgenomen in de Wet Bestrijding van Zedeloosheid van 1911.4 Deze wet leidt tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht door opname van tal van bepalingen ter regulering van de zedelijkheid.5 Onder meer bevat de wet een verbod op het houden van bordelen (artikel 250bis Sr)6, de strafbaarstelling van het souteneurschap (artikel 432 onder 3° Sr)7 en de strafbaarstelling van vrouwenhandel (artikel 250ter Sr). In de kamer was discussie over de redactie van het artikel vrouwenhandel: wat was nu vrouwenhandel en was er geen overlap met het bordeelverbod in art. 250bis? Uiteindelijk werd volstaan met een simpele formulering dat vrouwenhandel strafbaar was.8 Het artikel komt als volgt te luiden:
‘Vrouwenhandel wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren.’
De vrouwenhandel is dan alleen gerelateerd aan prostitutie. Voorts is dwang geen vereiste. Nederland heeft geen onderscheid gemaakt tussen de handel in minderjarige en meerderjarige vrouwen; ten aanzien van beiden was voor strafbaarheid de vrije wil van de vrouw niet relevant. De Nederlandse strafbaarstelling heeft daarmee een ruimere reikwijdte gekregen dan waar het verdrag van 1910 toe verplichtte.9 In de memorie van toelichting staat vermeld dat (anders dan volgens het Duitse en Zwitserse voorontwerp) vrouwenhandel niet moet worden opgevat en geformuleerd als een misdrijf tegen de persoonlijke vrijheid, maar als een misdrijf tegen de zeden. De motivering daarbij is dat ‘de handelingen der “placeurs” (arbeidsbemiddelaars, SL) zeer dikwijls niet het karakter dragen [van een misdrijf tegen de persoonlijke vrijheid, SL], doch als een misdrijf tegen de zeden, ten nauwste verwant aan koppelarij’.10 Waar de abolitionisten prostitutie wilden tegengaan om de vrouw te beschermen tegen deze vorm van dwang, is het de Nederlandse wetgever toch vooral om de bestrijding van openbare zedeloosheid te doen. Noyon legt het in zijn commentaar bij de wet aldus uit dat het kenmerk van het misdrijf vrouwenhandel het bevorderen van ontucht is, en dat daaronder niet begrepen kan worden de handel in slavinnen, vallende onder artikel 274 Sr.11 De uitleg zal gebaseerd zijn op de plaatsing van het delict in het wetboek. De wetgever zelf heeft het verschil dan wel de overeenkomst met artikel 274 Sr niet nader geëxpliciteerd. Het is niet duidelijk wat precies onder ‘handel’ wordt verstaan. Is de handelaar degene die een vrouw vervoert en verkoopt ten behoeve van de prostitutie of is het ook degene die de vrouw koopt en haar voor zich laat werken ongeacht of zij gedwongen is?12 Of anders geformuleerd: valt onder de handel ook de uitbuiting? Bij de weigering van Nederland om het aangescherpte mensenhandelverdrag in 1949 te ratificeren zal blijken dat onder de handel niet tevens de exploitatie wordt verstaan.13
Op 30 september 1921 komt het Verdrag inzake de bestrijding van handel in vrouwen en in kinderen tot stand (zie hoofdstuk 4). De belangrijkste aanvulling in dit verdrag is dat het eveneens bescherming biedt aan de handel in minderjarige jongens.14 Nederland breidt naar aanleiding van dit verdrag in 1927 de strafbaarstelling van art. 250ter Sr uit tot handel in minderjarigen van het mannelijke geslacht.15 Het artikel 250ter Sr luidt dan:
‘Vrouwenhandel en handel in minderjarigen van het mannelijke geslacht wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of een geldboete van de vierde categorie.’
Niet lang daarna volgt de totstandkoming van het Internationaal Verdrag inzake de bestrijding van de handel in meerderjarige vrouwen in 1933 (zie hoofdstuk 4). Het verdrag kent een strafbaarstellingsverplichting van grensoverschrijdende vrouwenhandel, destijds betrof dat ook handel in buitenlandse meerderjarige vrouwen waarbij sprake was van vrije wil. Aangezien Nederland zowel de binnenlandse als buitenlandse vrouwenhandel – ook bij het ontbreken van dwang – strafbaar had gesteld, noopt het verdrag niet tot wijziging van de wet.16 Wel zal de ratificatie van het verdrag later tot discussie leiden.17
De internationale verdragen inzake vrouwenhandel van 1910, 1921 en 1933 zijn uiteindelijk vervangen door het Verdrag inzake de bestrijding van mensenhandel en de exploitatie van prostitutie van 1949.18 Dit verdrag breidt de voorgaande verdragen uit doordat het ook de handel in meerderjarige mannen strafbaar stelt en het dwangvereiste bij de binnenlandse handel loslaat. Voorts wordt naast de handel in prostitutie ook de exploitatie van prostitutie strafbaar.19 Nederland heeft het verdrag van 1949 niet geratificeerd.20 Dat had te maken met het Nederlandse prostitutiebeleid dat ervan uitging dat onderscheid moest worden gemaakt tussen vrijwillige en gedwongen prostitutie en exploitatie of uitbuiting daarvan.21 De uitbreiding door strafbaarstelling van de exploitatie van mensenhandel ging tegen dit beleid in. De weigering het verdrag te ratificeren stuit op twee interessante punten: 1) kennelijk maakt de Nederlandse wetgever onderscheid tussen handel en uitbuiting en 2) seksuele uitbuiting zou alleen strafbaar moeten worden gesteld als sprake is van dwang.
Als de Nederlandse wetgever onder de handel ook uitbuiting had verstaan, had Nederland het verdrag gewoon kunnen bekrachtigen. Immers: gedwongen dan wel vrijwillige vrouwenhandel was al strafbaar, en daarmee eveneens de uitbuiting. Ratificatie zou op dat punt dus niet tot nieuwe wetgeving nopen.22 Nederland heeft impliciet – net als bij slavenhandel en slavernij – een onderscheid gemaakt tussen mensenhandel en de exploitatie of uitbuiting daarvan.23 Naast het onderscheid tussen handel en uitbuiting markeert de weigering van ratificatie de verandering van het Nederlandse prostitutiebeleid: het strafrecht zou alleen moeten worden ingezet wanneer sprake is van gedwongen seksuele uitbuiting. De Nederlandse wetgever had geen moeite met het strafbaar stellen van vrouwenhandel in 1911, ook niet voor zover het handel met instemming van de verhandelde vrouw betrof. Nederland had eveneens geen moeite met het Vrouwenhandelverdrag van 1933, ook al ging het om de strafbaarstelling van handel in buitenlandse vrouwen met dier goedkeuring. In de periode na 1949 wakkert echter in toenemende mate de idee aan dat vrijwillige exploitatie van de vrouw niet dient te worden gecriminaliseerd en gedwongen uitbuiting wel.24 Het had voor de hand gelegen dat de Nederlandse wetgever die lijn had doorgetrokken naar de handel in vrouwen: als de vrijwillige exploitatie niet strafbaar zou moeten zijn, dan geldt dat ook voor vrijwillige handel.25 De wet blijft op dit punt echter onveranderd. Nadat vrouwenhandel als delict in het Wetboek van Strafrecht is opgenomen, neemt de belangstelling voor het fenomeen af. Het duurt tot de jaren ’80 van de vorige eeuw voordat de aandacht voor vrouwenhandel weer aanzwelt.26
In 1983 komt minister van justitie Korthals Altes met het wetsvoorstel 18 202 tot wijziging van de strafbaarstelling van souteneurschap (artikel 432 onder 3° Sr).27 Voorgesteld wordt onder meer het souteneurschap alleen te criminaliseren indien sprake is van dwang ten aanzien van de prostituee. Deze wijziging stuit echter op kritiek in de Tweede Kamer aangezien dit niet verenigbaar is met het geldende bordeelverbod waarbij dwang geen vereiste is. De discussie mondt uiteindelijk uit in een voorstel tot afschaffing van het bordeelverbod (artikel 250bis) en strafbaarstelling van de bordeelhouder en de souteneur indien zij voordeel trekken van de prostituee waarbij inbreuk wordt gemaakt op haar wilsvrijheid.28 Strafbaar zou moeten zijn:
‘Degene die een ander door geweld of andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid dwingt, dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding beweegt hem of haar uit de opbrengst van zijn of haar seksuele handelingen te bevoordelen.’29
De ‘dwang’ is in het wetsvoorstel uitgebreid met ‘misleiding’ en ‘misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht’. Misleiding is opgenomen omdat dit veel zou voorkomen bij buitenlandse prostituees.30 Waar dit voorstel in 1987 door een meerderheid van de Tweede Kamer wordt aangenomen, stuit het in de Eerste Kamer op weerstand. Tijdens de schriftelijke discussie met de Eerste Kamer kondigt de minister voorts het wetsvoorstel 21 027 tot wijziging van de strafbaarstelling van vrouwenhandel aan (artikel 250ter Sr). De Eerste kamer besluit de mondelinge behandeling van het wetsvoorstel inzake de bordeelhouder en souteneur gelijktijdig te houden met de openbare behandeling van het nieuwe wetsvoorstel betreffende vrouwen- handel.31 Dit voorstel breidt de vrouwenhandel uit tot mensenhandel zodat ook meerderjarige mannen onder de bepaling vallen. Verder wordt een delictsomschrijving opgenomen zodat duidelijker wordt wanneer sprake is van ‘handel’. Als schuldig aan mensenhandel zou moeten zijn:
‘Degene die een ander door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding tot prostitutie brengt dan wel onder de eerder aangegeven omstandigheden enige handeling onderneemt ten einde de ander tot prostitutie te brengen.’32
Zoals al kon worden afgeleid uit de weigering tot ratificatie van het mensenhandelverdrag in 1949, maakt de wetgever met de wetsvoorstellen 18 202 en 21 027 meer expliciet onderscheid tussen uitbuiting van en handel in prostitutie. Strafbare handel wordt aangemerkt als het met geweld, misbruik of misleiding een ander tot prostitutie bréngen (art. 250ter Sr in wetsvoorstel 21 027) en strafbare exploitatie als het met geweld, misbruik of misleiding zich uit de opbrengsten van prostitutie door een ander bevóórdelen (art. 250bis Sr in wetsvoorstel 18 202).33
De wetsvoorstellen maken eveneens helder dat de Nederlandse opstelling verandert van een moralistische naar een meer pragmatische houding ten opzichte van prostitutie.34 Waar voorheen vrouwenhandel in zijn algemeenheid als misdrijf tegen de openbare zeden werd gezien en tevens de bordeelhouder en souteneur strafbaar waren, wordt in de nieuwe voorstellen het strafrecht alleen ingezet in de sfeer van gedwongen prostitutie. De wetgever stelt zich op het standpunt dat exploitatie van prostitutie een maatschappelijk realiteit is die niet door een verbod tot verdwijning kan worden gebracht. ‘Niet [langer, SL] de strafrechtelijke bevordering van de zedelijkheid is doelstelling van de strafrechtspolitiek, maar de bescherming van hen die onvrijwillig tot prostitutie komen.’35 Hoewel het voorstel duidelijker uiteenzet wat het onder mensenhandel verstaat, blijven open normen in de delictsomschrijving staan. De memorie van toelichting besteedt dan ook aandacht aan de term ‘misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht’. Dit wordt verondersteld ‘indien de prostitué(e) in een situatie verkeert of komt te verkeren die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostitué(e) in Nederland pleegt te verkeren’.36 Het gaat om prostituees die zich in een uitbuitingssituatie bevinden. Dat zal zich volgens de wetgever onder meer nogal eens voordoen ten aanzien van personen die uit het buitenland of ontwikkelingsland komen, personen die verslaafd zijn aan verdovende middelen, of bij zeer jonge personen. Het woord ‘mondig’ doelt daarbij op een zekere rijpheid die de prostituee in staat stelt de gevolgen van haar handelen te overzien en zelfstandig beslissingen te nemen.37
In verband met de verplichting aan het Vrouwenhandelverdrag van 1933 wordt naast bovengenoemd gronddelict voorgesteld om als mensenhandelaar strafbaar te stellen ‘degene die een persoon aanwerft, medeneemt of ontvoert met het oogmerk die persoon tot prostitutie te brengen’.38 Het gewijzigd voorstel van wet in 1990 voegt daaraan toe dat het gaat om personen die in een ander land tot prostitutie worden gebracht.39 Deze strafbaarstelling hangt, anders dan het gronddelict, niet af van het ontbreken van dwang of ongeoorloofde beïnvloeding. In de memorie van toelichting wordt opgemerkt dat het moeilijk te bewijzen gedragingen betreft en dat de wetsbepaling derhalve een beperkte betekenis zal hebben.40 Later zal blijken dat deze veronderstelling onterecht is. De bepaling zal een terugkerend onderwerp van discussie in de wetsgeschiedenis worden.41
In februari 1992 komt minister van Justitie Hirsch Ballin met een tweede nota van wijziging van artikel 250bis Sr (het bordeelverbod). Het betreft in feite een geheel nieuw artikel omtrent de uitbuiting van prostitutie. Het stelt de exploitatie van prostitutie in strijd met een bij gemeentelijke verordening gegeven verbod of zonder vergunning strafbaar. Voorts stelt het een algeheel verbod op de exploitatie van personen afkomstig van buiten de Europese Unie.42 De Tweede Kamer aanvaardt de opgenomen wijzigingen, maar het stuit in de Eerste Kamer wederom op kritiek. Dat een gemeente in de praktijk zou uitmaken of exploitatie van prostitutie strafbaar is, zou leiden tot territoriale differentiatie in het strafrecht en wordt in strijd geacht met artikel 107 Grondwet. Een absoluut verbod op exploitatie van prostitutie van personen die geen onderdaan zijn van de Europese Unie zou indruisen tegen het bestaande vreemdelingenrecht.43 De minister trekt daarop de tweede wijziging van artikel 250bis in. Omdat de minister van mening is dat de wijziging van het bordeelverbod samenhangt met het oude wetsvoorstel 18 202 inzake de wijziging van de strafbaarstelling van souteneurschap (artikel 432 onder 3° Sr), trekt de minister ook dit voorstel in.44 De artikelen 250bis en 432 Sr blijven als gevolg daarvan vooralsnog gehandhaafd. Wel wordt het resterende onomstreden gedeelte van wetsvoorstel 21 027 inzake mensenhandel aanvaard door de Eerste Kamer.45 In 1994 treedt deze wet in werking. De term vrouwenhandel wordt veranderd in mensenhandel en de ‘handel’ wordt nader gespecificeerd. Als schuldig aan mensenhandel wordt in art. 250ter Sr gestraft:
‘Degene die een ander door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding tot prostitutie brengt, dan wel onder voornoemde omstandigheden enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander daardoor in de prostitutie belandt;
Degene die een persoon aanwerft, medeneemt of ontvoert met het oogmerk die persoon in een ander land in de prostitutie te brengen; Degene die een ander tot prostitutie brengt, dan wel ten aanzien van een ander enige handeling onderneemt waarvan hij of zij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander daardoor in de prostitutie belandt, indien die ander minderjarig is.’46
De mensenhandel is in deze delictsomschrijving gericht op het een ander in de prostitutie brengen. Het gaat niet om de exploitatie zelf, het uitbuiten van prostituees.
In 1997 wordt opnieuw een wetsvoorstel gedaan tot opheffing van het bordeelverbod en het verbod op souteneurschap.47 De wettelijke situatie zou daarmee in overeenstemming worden gebracht met de gedoogsituatie die reeds bestond. Tegelijkertijd wordt voorgesteld om vormen van uitbuiting waarbij sprake is van geweld, misbruik of misleiding strafbaar te stellen.48 De minister benadrukt de noodzaak van een realistische aanpak zonder moralisme. Onderscheid dient te worden gemaakt tussen aanvaardbare vormen van vrijwillige (exploitatie van) prostitutie en strafbare vormen van onvrijwillige (exploitatie van) prostitutie.49 Voorgesteld wordt een nieuw artikel 250a Sr dat in de plaats komt van het bordeelverbod, het verbod op souteneurschap en het verbod op mensenhandel (artikelen 250bis Sr, 432 onder 3° Sr en 250ter Sr). Dit artikel stelt zowel de handel in mensen als de ongeoorloofde exploitatie van mensen strafbaar.50 In tegenstelling tot 1993 is er nu wel voldoende draagvlak voor het wetsvoorstel en kan het op 1 oktober 2000 in werking treden. De wetswijziging heft het algemene bordeelverbod en het verbod op souteneurschap op. Het artikel 250ter Sr vervalt en wordt vervangen door 250a (oud) Sr dat zowel het onvrijwillig tot prostitutie brengen (de handel), als het houden en profiteren daarvan (de exploitatie) strafbaar stelt. Het betreffende artikel 250a (oud) Sr luidt voor zover hier relevant als volgt:
‘1. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft:
1°. degene die een ander door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid dwingt dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding beweegt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, dan wel onder voornoemde omstandigheden enige handeling onderneemt waarvan hij of zij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor tot het verrichten van die handelingen beschikbaar stelt;
2°. degene die een persoon aanwerft, medeneemt of ontvoert met het oogmerk die persoon in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling;
3°. degene die een ander ertoe brengt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, dan wel ten aanzien van een ander enige handeling onderneemt waarvan hij of zij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor tot het verrichten van die handelingen beschikbaar stelt, terwijl die ander minderjarig is;
4°. degene die opzettelijk voordeel trekt uit seksuele handelingen van een ander met een derde tegen betaling, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich onder de onder 1° genoemde omstandigheden beschikbaar stelt tot het plegen van die handelingen;
5°. degene die opzettelijk voordeel trekt uit seksuele handelingen van een ander met een derde tegen betaling, indien die ander minderjarig is;
6°. degene die een ander door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging van geweld of een andere feitelijkheid dwingt dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding beweegt hem of haar uit de opbrengst van zijn of haar seksuele handelingen met een derde te bevoordelen. (…).’51
De eerste 3 subleden van artikel 1 zijn ontleend aan het oude vervallen artikel 250ter Sr. De memorie van toelichting vermeldt dat onder art. 250ter sub 1 Sr zowel het brengen als het houden van iemand in de prostitutie viel.52 Dat is mijns inziens echter niet uit de oude bepaling af te leiden. Alleen het tot prostitutie brengen of doen belanden viel onder de oude strafbepaling, niet het ‘houden’.
De subleden 4 en 5 van lid 1 zijn nieuw. In deze onderdelen is het souteneurschap strafbaar gesteld indien sprake is van onvrijwillige prostitutie dan wel prostitutie door minderjarigen. Volgens de memorie van toelichting zijn deze onderdelen toegevoegd omdat niet zeker was of met behulp van deelnemingsconstructies in voldoende mate effectief kan worden opgetreden tegen achtergronddaders.53
Het zesde sublid van art. 250a lid 1 Sr is bij nota van wijziging toegevoegd.54 De Tweede Kamer vreesde dat met het oorspronkelijk voorgestelde art. 250a Sr niet voorzien werd in de mogelijkheid tot optreden tegen gedwongen afgifte van de opbrengst van seksuele handelingen van vrijwillige prostitutie.55 Het sublid komt overeen met de voorgestelde strafbaarstelling van de exploitatie van prostitutie in het hiervoor besproken wetsvoorstel 18 202.56
De wetgever heeft bij het vormgeven van de nieuwe mensenhandelbepaling niet vastgehouden aan de oude wetsvoorstellen 18 202 en 21 027, waarin verschil werd gemaakt tussen strafbare handel en exploitatie van prostitutie. Handel werd daarin gedefinieerd als het met geweld, misbruik of misleiding een ander tot prostitutie brengen (artikel 250ter Sr in wetsvoorstel 21 027) en strafbare exploitatie als het met geweld, misbruik of misleiding zich uit de opbrengsten van prostitutie door een ander bevoordelen (artikel 250bis Sr in wetsvoorstel 18 202). De voorfase, de handel, werd daarmee afgezonderd van de vervolgfase, de daadwerkelijk exploitatie. In sub 1 van de nieuwe bepaling is het (door dwang) bewegen van iemand zich beschikbaar te stellen tot prostitutie strafbaar gesteld. Zoals reeds opgemerkt verstaat de wetgever hieronder zowel het brengen van iemand in de prostitutie als het houden van iemand in de prostitutie.57 Deze uitleg laat het onderscheid tussen de voorfase en de vervolgfase van mensenhandel vervallen. Bovendien heeft de wetgever overlappende bepalingen gecreëerd door – naast het houden van iemand in de prostitutie (sub 1) – ook strafbaar te stellen degene die opzettelijk voordeel trekt uit seksuele handelingen van een ander met een derde tegen betaling (sub 4, 5 en 6). Het houden van een prostituee zal immers vaak samengaan met het profiteren daarvan. De subleden 4 en 6 kunnen elkaar eveneens overlappen. Van een prostituee kan opzettelijk voordeel worden getrokken omdat deze persoon gedwongen wordt haar opbrengsten af te staan. Sub 6 laat voorts de mogelijkheid open om bij de gedwongen afgifte van geld afkomstig van vrijwillige prostitutie te vervolgen voor mensenhandel. Dit sublid is een vreemde eend in de bijt aangezien het overige deel van de bepaling er juist op gericht is alleen de onvrijwillige prostitutie in het strafrecht te betrekken. In paragraaf 3.4.8 wordt hier nader op ingegaan.
In artikel 250a lid 1 sub 2° Sr is het aanwerven, medenemen of ontvoeren van een persoon voor de prostitutie uit het buitenland strafbaar gesteld. In het begrip ‘ontvoeren’ ligt onvrijwilligheid besloten.58 Dat is bij de termen ‘aanwerven’ en ‘medenemen’ niet het geval. Hiervan kan eveneens sprake zijn als de prostituee heeft ingestemd. Nederland heeft met de invoering van dit sublid voldaan aan de verplichting voortvloeiend uit het Vrouwenhandelverdrag van 1933. Tijdens de parlementaire behandeling wordt de bepaling ter discussie gesteld. Gewezen wordt op de inconsistentie tussen de strafbaarstelling van aanwerving van buitenlandse prostituees en het opheffen van het bordeelverbod, waardoor exploitatie van vrijwillige prostitutie niet langer strafbaar zal zijn. Bij amendement wordt getracht deze inconsistentie weg te nemen.59 De minister van Justitie laat weten dat de tekst van de bepaling na voorgestelde amendering strijdig zal zijn met het Vrouwenhandelverdrag van 1933 en dat aanvaarding van het amendement dus zal moeten leiden tot opzegging van het verdrag. Opzegging wordt niet wenselijk geacht, omdat Nederland daarmee in het kader van de bestrijding van mensen- handel internationaal een verkeerd signaal zou afgeven. De minister geeft bovendien aan dat VN-onderhandelingen over onder meer de mensenhande-laanpak staan gepland en dat het verstandig is de uitkomst hiervan af te wachten teneinde te bezien of de Nederlandse wetgeving wijziging behoeft.60 De bepaling blijft derhalve behouden en wordt ook niet later naar aanleiding van de VN-onderhandelingen aangepast.61
Al met al heeft de wetgever met artikel 250a (oud) Sr een complex artikel samengesteld waarin het onderscheid tussen handel en exploitatie is vervaagd en overlappende bepalingen zijn opgenomen. Het had veel meer voor de hand gelegen om bij het vormgeven van de nieuwe mensenhandelbepaling vast te houden aan de oude wetsvoorstellen 18 202 en 21 027, waarin verschil werd gemaakt tussen strafbare handel en exploitatie van prostitutie. De instemming met het wetsvoorstel toont aan dat nu wel een Kamermeerderheid aanwezig was voor strafbaarstelling van onvrijwillige handel en exploitatie in samenhang met de legalisatie van praktijken in de sfeer van vrijwillige prostitutie. De oude wetsvoorstellen hadden derhalve weer kunnen worden ingediend. Zoals in hoofdstuk 5 nog aan de orde komt, zou het beter zijn geweest als de wetgever de overlappende bepalingen had proberen te voorkomen en had volstaan met kernachtige en specifieke strafbepalingen van de handel in mensen en de exploitatie van mensen.
In oktober 2002 wordt artikel 250a Sr (oud) vervangen door een nieuw artikel 250a Sr dat het bereik van de wetsbepaling uitbreidt.62 In de wet wordt ‘seksuele handelingen met een derde’ veranderd in: ‘seksuele handelingen met en voor een derde’. Hierdoor wordt uitbuiting in de seksindustrie in brede zin strafbaar: ook onvrijwillige seksuele gedragingen buiten de prostitutie worden gecriminaliseerd zoals seksuele handelingen in nachtclubs of in de porno-industrie.63 De wijziging is ingevoerd naar aanleiding van het ILO Verdrag van 1999 inzake de ergste vormen van kinderarbeid (zie § 5.2). De wetgever heeft ervoor gekozen de uitwerking van dit verdrag niet te beperken tot kinderen, maar ook de commerciële seksuele uitbuiting van volwassenen uit te breiden tot vormen van seksuele dienstverlening waarbij de klant niet rechtstreeks betrokken is bij de seksuele handelingen.64