De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/9.3.4:9.3.4 Verjaring van een actuele en vaststelbare vordering is niet te rechtvaardigen
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/9.3.4
9.3.4 Verjaring van een actuele en vaststelbare vordering is niet te rechtvaardigen
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS367795:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie nader § 12.2.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wij begonnen met het volgende probleem: enerzijds lijkt aannemelijk dat een recht niet moet kunnen verjaren voordat de crediteur de mogelijkheid heeft gehad het geldend te maken, maar anderzijds lijkt even aannemelijk dat het met de afdwingbaarheid van een recht "toch ooit afgelopen moet zijn". Ik schreef dat het noodzakelijk is die twee intuïties nader te concretiseren en te rationaliseren.
Kort gezegd bleek de gedachte dat een recht niet moet kunnen verjaren voordat de crediteur de mogelijkheid heeft gehad het geldend te maken, vatbaar voor een belangrijke relativering: de helende werking van de tijd kan het belang van de crediteur bij voortdurende geldigheid van zijn recht teniet doen. Een andere constatering was dat de stelling dat "een recht niet moet kunnen verjaren voordat de crediteur het geldend kon maken" eigenlijk nogal beperkt is, in die zin dat zij tot uitgangspunt neemt dat er een vordering is, zodat zij logischerwijze ook alleen in die gevallen geldig kan zijn.
Moet een recht geldend blijven zolang de crediteur het niet heeft kunnen uitoefenen? Dat is dus alleen zo als (i) het belang van de crediteur bij nakoming niet door tijdsverloop is tenietgegaan en (ii) nog met aanvaardbare mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat er een recht is. Het is belangrijk te constateren dat daarmee het probleem van de rechtvaardiging van verjaring voor grote getallen vorderingen is opgelost: de overgrote meerderheid van de vorderingen zal na, laten wij opnieuw zeggen, twee decennia niet meer aan (een van) deze voorwaarden voldoen.
Maar helemaal klaar zijn wij nog niet: er zullen vorderingen zijn die ook na verloop van decennia nog actueel en verifieerbaar zijn, die dus nog aan beide voorwaarden voldoen. Geldt voor die vorderingen wel dat zij niet moeten kunnen verjaren voordat zij konden worden geldend gemaakt, of is het ook dan zo dat er "ooit een einde aan moet komen"?
Ik kan niet inzien hoe de verjaring van deze vorderingen nog te rechtvaardigen is. Paradigmatisch voor deze categorie zijn de asbestzaken: de ziekte treedt pas na decennia aan de dag, de benadeelde kon zijn vordering niet eerder instellen en tijdsverloop heeft aan zijn belang bij die vordering nog niets afgedaan. Wegens, met name, de monocausaliteit tussen asbestblootstelling en mesothelioom is het bestaan van die vordering ook nog vast te stellen. Wat zou hier het argument moeten zijn om die vordering tóch verjaard te achten? Waarom zou louter tijdsverloop de afdwingbaarheid van de vordering teniet doen?
Het tijdsverloop heeft aan het belang van de debiteur bij nakoming niets afgedaan: zijn belang bij nakoming is even volwaardig als dat van de crediteur wiens vordering voorvloeit uit feiten die gisteren plaatsvonden. Dan zou het argument in het belang van de debiteur kunnen liggen: voor hem is door het tijdsverloop de nakoming bezwaarlijker, omdat hij bij het inrichten van zijn vermogenspositie geen rekening meer heeft gehouden met de verplichting tot nakoming. Op zichzelf is die constatering volkomen juist, maar is dat belang van de debiteur voldoende zwaarwegend om te kunnen prevaleren boven het belang van de benadeelde bij nakoming?
De positieve beantwoording van die vraag impliceert dat men de gevolgen van tijdsverloop voor rekening brengt van de benadeelde. Daar bestaat eigenlijk geen grond voor. Het tijdsverloop zelf is niet verwijtbaar aan een van de partijen. Verwijt kan dus geen loerekeningsgrond' zijn. Maar wel is het zo dat het hele probleem van tijdsverloop zich zonder de aansprakelijkheid vestigende gedraging niet zou hebben voorgedaan; het gedrag van de debiteur is conditio sine qua non voor het tijdsverloop, niet het gedrag van de schuldeiser. Gegeven dat feit is het onlogisch de gevolgen van dat tijdsverloop voor rekening van de crediteur te brengen.
In gevallen als de asbestzaken lijkt dus voor verjaring geen rechtvaardiging gevonden te kunnen worden. Zou de conclusie in zaken waar geen letselschade maar louter vermogensschade aan de orde is anders kunnen zijn? Ik zie dat niet in; ook waar het puur om geld gaat, ontbreekt een reden om de bezwarende werking van tijdsverloop op de schuldeiser af te wentelen.1