Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/9.3.2
9.3.2 Tijd heelt alle wonden
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS367787:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Niet slechts nederlandstaligen denken er zo over; zie het Frans, Duits, Engels en Latijn: 'Le temps guémt tous les maux'; 'Die Zeit heilt alle Wunden'; 'Time cures all things'; 'Tempus facit aerumnas leves'.
Nog daargelaten uiteraard zijn mogelijke contractuele verweren.
Het gaat mij hier om de woorden 'onverwachte meevaller'; de conclusie dat de rechtszekerheid moet prevaleren laat ik even daar.
Staudinger-Peters (2004) § 194 Rnr 8.
Van Dorst, diss., p. 56 e.v.
Van Dorst, diss., p. 83.
Uiteraard geef ik de bevindingen van Van Dorst veel te kort weer; zo ga ik geheel voorbij aan het onderscheid tussen vervolgings- en executievetjaring.
Zie nader § 13.2.3.
1-1R 3 november 1995, NJ 1998, 380.
Ik begin daarmee door een kanttekening te plaatsen bij de stelling dat iemand zijn recht moet hebben kunnen uitoefenen alvorens hij het door louter tijdsverloop verliest, nog daargelaten de mogelijke botsing van die stelling met de gedachte dat het "ooit afgelopen moet zijn". Is het wel zo dat de schuldeiser er altijd een gerechtvaardigd belang bij heeft zijn vordering tot in de eeuwigheid te kunnen blijven uitoefenen? Ik meen van niet.
De rechtvaardiging van verjaring in het geval de crediteur in staat is geweest zijn vordering in te stellen, vloeide voort uit de diskwalificatie van zijn belang. Zijn belang is een eeuwig voortdurende bevoegdheid zijn vordering uit te oefenen. Als hij tot dat uitoefenen nu al in staat is, is dat belang niet serieus te nemen in verhouding tot het belang van de debiteur bij het tijdige geldend maken van die vordering — ik noemde zijn stilzitten een vorm van rechtsverwerking.
Verdedigbaar is dat zijn belang bij de eeuwige geldigheid van zijn recht ook op een geheel andere grond valt te diskwalificeren. Die grond doet zich niet na betrekkelijk kort tijdsverloop voor, zoals de rechtsverwerkingsgedachte wel verjaring op korte termijn kan dragen, en berust ook niet op een verwijt aan de crediteur, maar doet zich in het algemeen pas na langere tijd voor, geheel buiten de invloed van de crediteur. Ik doel op iets wat men denk ik maar het beste aanduidt met de volkswijsheid "tijd heelt alle wonden".1
Laten wij als voorbeeld het schadevergoedingsrecht nemen. Het schadevergoedingsrecht beoogt de verslechtering van de vermogenspositie van de benadeelde teniet te doen. Maar de noodzaak tot en zelfs de wenselijkheid van verwezenlijking van dat doel nemen af naarmate de tijd voortschrijdt.
Immers• stel dat A aan B de opdracht geeft voor hem een huis te bouwen. Een jaar na oplevering van het huis door B ontstaat lekkage aan het dak als gevolg waarvan de inboedel van A beschadigd raakt. Schade: 10 000 euro. A veronderstelt dat de lekkage is ontstaan doordat hij de goten niet tijdig heeft ontstopt. Als echter 35 jaar A een tweede verdieping op zijn huis wil laten bouwen en hij in dat kader het dak ontmantelt, blijkt destijds B het dak verkeerd afgedicht te hebben; de lekkage blijkt door die fout van B te zijn ontstaan, niet door het vermeende te late ontstoppen door A. Kan A zijn waterschade van 35 jaar geleden nog met succes van B vorderen? Weinigen zullen, zo verwacht ik althans, menen van wel. Waarom? Aanvankelijk is de schade geleden en gedragen door A. Toen, 35 jaar geleden, heeft het op zijn positie een nadelige invloed gehad. De hevigheid waarmee A dat nadeel ondervond zal echter in de loop der tijd zijn afgenomen, tot het op enig moment in het geheel geen rol van betekenis meer speelde. De schade na 35 jaar alsnog voor rekening van B te brengen zou een serieus belang van B schaden door bij hem een verse wond te slaan,
zonder dat daarmee een serieus te nemen belang van A wordt gediend; zijn wond is immers reeds door de tijd geheeld.
Omdat het schadevergoedingsrecht gaat over toegebracht nadeel, is daar wellicht de helende werking van de tijd het meest sprekend. Ik meen evenwel dat het ook buiten het schadevergoedingsrecht na decennia niet meer opportuun is de status quo te verstoren. Zo zou ik om vergelijkbare redenen als hierboven gegeven evenzeer geneigd zijn de vordering tot herstel tegen de bouwende aannemer af te wijzen.2 Overigens verdient in dit verband opmerking dat de vraag naar verjaring na werkelijk substantieel tijdsverloop, en daarover hebben wij het hier, bijna nooit andere dan schadevergoedingsvorderingen tot onderwerp heeft.
Waar het verwijt aan de crediteur dat hij niet tijdig tot actie is gekomen in de doctrine een breed gedragen rechtvaardigingsgrond voor verjaring is, treft men de hiervoor bedoelde notie eigenlijk nauwelijks aan. Iets van de gedachte meen ik terug te zien in de conclusie van A-G Minkenhof voor HR 27 november 1964:3
"Wanneer een schuldeiser na meer dan dertig jaar te hebben stilgezeten — ook al lag dat niet aan hem — nog betaling ontvangt, dan is dat maatschappelijk gezien en naar het algemeen rechtsgevoel, niet anders dan een onverwachte meevaller en om die enkele schuldeisers die dit eens te beurt mocht vallen, in het bezit daarvan te stellen, mag de rechtszekerheid niet worden opgeofferd" 4
Misschien is met het volgende bedoeld iets vergelijkbaars te zeggen:
" Die Aufgabe einer Abwägung der Interessen beider Seiten stellt sich allerdings nur teilweise. Die Verjährung von Ansprüchen als solche ist notwendig, unentbehrlich, ein natürliches Postulat (...). Ansprüche sind ihrem wesen nach zeitgebunden, verändern ihren Charakter mit deren Ablauf. Es kann schon zur Unmöglichkeit der Erfüllung kommen oder zur Funktionslosigkeit der Erfüllung. Der Anspruch aus dem Jahre 1971 ist 2001 nicht mehr derselbe. Irgendwann muß einmal Schluß sein.5
De verjaring, niet als resultaat van een afweging van belangen, maar als natuurlijk noodzakelijk; eens moet het "SchluB sein". Het argument voor die stelling is dat vorderingen naar hun aard tijdgebonden zijn. Of dat in zijn algemeenheid juist is, durf ik te betwijfelen. Dat bijvoorbeeld een schadevergoedingsvordering in 2001 niet meer is wat hij in 1971 was, lijkt mij gewoon niet waar. Men kan wellicht twijfelen over de mate waarin inflatiecorrectie moet worden toegepast, of over de verschuldigde rente, maar geld blijft geld. Dat het op enig moment onmogelijk of zinloos wordt een verbintenis na te komen kan, maar hoeft zeker niet zo te zijn. Denk in dit verband bovendien aan de mogelijkheid tot vervangende schadevergoeding. In het citaat lijkt het woord "Funktionslosigkeit" een met name praktische betekenis te hebben: op enig moment gaat de feitelijke functie van het nakomen van de verbintenis verloren. Ik zou geneigd zijn Funktionslosigkeit meer in normatieve zin te gebruiken: toewijzing van een geldvordering uit 1971 in 2001 heeft voor de crediteur nog wel degelijk een praktische functie, maar die toewijzing vervult niet meer de functie die wij aan het recht toekennen. Bij nader inzien stemt dus ook het Duitse citaat niet helemaal overeen met wat ik hiervoor bedoelde.
Misschien kan ik mijn opvatting nader aannemelijk maken door verwijzing naar verjaring in het strafrecht. Van Dost beschrijft in zijn proefschrift6 nauwkeurig hoe door verloop van tijd de strafbehoefte van de samenleving vermindert. Van Dost geeft een schema7 waarin onder andere de gevoeligheid voor tijdsverloop van de verschillende strafmotieven is weergegeven. Vele strafmotieven, denk bijvoorbeeld aan de relatieve vergelding, aan generale preventie en speciale preventie, blijken zeer gevoelig voor tijdsverloop. Deze constatering spreekt voor de verjaring, omdat die gevoeligheid voor tijdsverloop impliceert dat met de straf het beoogde doel niet meer kan worden bereikt.8 Een vergelijkbare redenering kan men naar mijn mening voeren ten aanzien van het doel dat met civielrechtelijke vorderingsrechten wordt beoogd.
Dat in de civielrechtelijke doctrine de afnemende noodzaak tot herstel als ver-j aringsmotief eigenlijk nauwelijks wordt erkend, heeft mij verbaasd omdat hij mij op zichzelf — maar wellicht blijkt hij uitgesproken tegenstanders te hebben — toch tamelijk vanzelfsprekend lijkt. Ik denk dat de verklaring ligt in de twee volgende oorzaken.
In de eerste plaats: die afnemende noodzaak tot herstel is als gezegd de diskwalificatie van het belang van de crediteur bij de eindeloos voortdurende geldigheid van zijn vordering. Maar in verreweg de meeste gevallen is die diskwalificatie overbodig, omdat zijn belang al is gediskwalificeerd doordat hij verwijtbaar heeft stilgezeten. Zo is bijvoorbeeld, zoals wij zagen, de gehele rechtvaardiging van verjaring door Spiro op dat veronderstelde verwijtbare stilzitten gebaseerd; daarmee is de verminderde noodzaak tot herstel in Spiro' s betoog overbodig (met dus wel als implicatie dat hij geen rechtvaardiging geeft voor verjaring buiten verwijtbaar stilzitten). Ten tweede: in de praktijk is het bij zeer lang tijdsverloop zo dat in veel van de gevallen waarin de crediteur niet het verwijt van stilzitten treft, de tijd helemaal geen helende werking heeft kunnen hebben doordat de schade zich pas manifesteert na een groot aantal jaren. De asbestzaken zijn daarvan het voorbeeld bij uitstek: de stelling dat de asbestslachtoffers geen wezenlijk belang hebben bij voortdurende geldigheid van hun vordering wegens de helende macht van de tijd, is daar, zo is wel duidelijk, niet geldig.
Zo wordt dus in twee opzichten het belang van de afnemende noodzaak tot herstel als rechtvaardiging van verjaring in praktische zin beperkt: als de crediteur het verwijt treft dat hij verwijtbaar heeft stilgezeten is er al een rechtvaardigingsgrond voor verjaring, en als dat stilzitten niet verwijtbaar is vanwege de late manifestatie van de schade, dan biedt hij die rechtvaardiging niet.
Desondanks is, meen ik, de afnemende noodzaak tot herstel van principiële betekenis voor het verjaringsrecht. Zij logenstraft namelijk de algemene stelling (van onder andere Brunner en Hartkamp; zie hiervoor) dat een recht niet zou moeten kunnen verjaren voordat men het geldend heeft kunnen maken. Om alvast op één punt de relevantie te illustreren: ook bij personenschade kan, als die personenschade geen sluipende schade is, de afnemende noodzaak tot herstel aan het belang van de crediteur bij nakoming zodanig afbreuk doen dat hij zijn recht moet verliezen. Wie dertig jaar geleden als gevolg van een onjuiste medische ingreep een week langer in het ziekenhuis heeft moeten blijven en daardoor schade heeft geleden, moet nu die schade niet meer kunnen vorderen. Daarom had de wetgever naar mijn mening niet alle personenschade aan de werking van de absolute termijn moeten onttrekken.9
Als de helende werking van de tijd de noodzaak tot herstel geheel heeft weggenomen, is het belang van de crediteur bij een eeuwige bevoegdheid tot nakoming, gediskwalificeerd. Het lot van de vordering is dan, wat mij betreft, zonder nadere discussie beschoren: de vraag of verjaring van de vordering gerechtvaardigd is, hoewel van de benadeelde nooit verwacht mocht worden dat hij haar instelde, moet positief beantwoord worden.
Nu werd hiervoor al opgemerkt dat bij bijvoorbeeld sluipende schade de tijd helemaal geen helende werking gehad heeft kunnen hebben. Daar snijdt het argument dus geen hout. Maar, zo werd zachtjes gesuggereerd, buiten sluipende schade is het steeds doorslaggevend. Die voorstelling van zaken verdient nuancering, in die zin dat zich tussen de uitersten van maximaal effect enerzijds en gehele afwezigheid van de helende werking van de tijd anderzijds een categorie bevindt van gevallen waarin de tijd gedurende een lange periode weliswaar enige, maar toch geen totaal helende werking heeft gehad.
Een voorbeeld daarvan biedt het — onder oud recht gewezen — Bloedtransfusie-arrest:10 een vrouw ondergaat in 1956 een bloedtransfusie waarbij zij bloed met een verkeerde rhesusfactor krijgt toegediend. Dit ontneemt haar het vermogen kinderen te krijgen. Dat blijkt als zij voor de eerste keer in 1959 en voor de tweede keer in 1960 een doodgeboren kind krijgt. Pas in 1988, zo luidt althans de stelling van de vrouw, raakt zij in staat een vordering in te stellen tegen het ziekenhuis, omdat zij pas dan te weten komt dat sprake was van een fout van het ziekenhuis. Kan men de vrouw haar vordering ontnemen onder aanvoering van de helende werking van de tijd?
De vrouw weet dus al vanaf 1960 dat zij geen kinderen kan krijgen; de pijn die dat besef met zich meebrengt zal in de loop der tijd tot op zekere hoogte zijn gesleten, maar zij ondervindt de gevolgen van haar kinderloosheid nog dagelijks. Te zeggen is dat pas bij haar overlijden, dus bijvoorbeeld vijftig jaar nadat zij ervan op de hoogte raakte dat zij geen kinderen zou kunnen krijgen, helemaal geen schade meer wordt ervaren. Dit voorbeeld leert dat de snelheid waarmee de tijd een vordering haar noodzaak ontneemt, van geval tot geval kan variëren.
Al met al zijn dus drie categorieën te onderscheiden: situaties waarin de helende macht van de tijd zich ten volle voordoet (het dak dat 35 jaar geleden verkeerd werd afgedicht), situaties waarin de tijd in het geheel geen helende werking heeft gehad (de asbestzaken) en situaties waarin de tijd gradueel helende werking heeft gehad (het Bloedtransfusiearrest).
Is deze constatering te vatten in een regel? Wij zouden, enigszins op de zaken vooruit lopend, een periode kunnen kiezen na ommekomst waarvan de noodzaak tot herstel in de meeste gevallen verdwenen is. Laten wij zeggen twintig jaar. De regel is dat na verloop van die periode de vordering is verjaard. Op die regel kan een uitzondering worden gemaakt in die gevallen waarin de tijd (i) geen of (ii) onvolledige helende werking heeft gehad; in die gevallen zullen nadere feiten en omstandigheden moeten bijdragen tot het oordeel dat de vordering verjaard is.
Met het voorgaande is een belangrijk deel van het dilemma 'de crediteur moet de mogelijkheid hebben gehad zijn vordering in te stellen' versus 'ooit moet er een eind aan komen' opgelost: in die gevallen waarin de tijd helende werking heeft gehad, is de verjaring van de vordering gerechtvaardigd, ook al heeft de crediteur nooit de mogelijkheid gehad die vordering in te stellen. Wat rest, is de vraag naar de rechtvaardiging van verjaring in die gevallen waarin de tijd geen of onvolledig helende werking heeft gehad. In de praktijk zal die categorie bestaan uit gevallen van voortdurende of toekomstige schade.
Blijft het daarbij? Kan men dan ten minste volhouden dat verjaring niet gerechtvaardigd is als (i) van de crediteur redelijkerwijze niet verwacht mocht worden dat hij zijn vordering instelde en die vordering bovendien (ii) onverkort 'actueel' is? Toch niet. Althans, niet zonder de volgende belangrijke kanttekening.