Voor risico van de ondernemer
Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/6.2.2:6.2.2 Normadressaat en toerekenbaarheid
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/6.2.2
6.2.2 Normadressaat en toerekenbaarheid
Documentgegevens:
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS713161:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Schut 1997, p. 96.
Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 8.7.1 (online, laatst bijgewerkt: 1 december 2020).
Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 627 (MvA II).
Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 628 (Eindverslag).
Hoekzema 2000, p. 152 e.v.
Anders: Schut 1963, p. 105.
Franke 2021, p. 361.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dogmatisch en praktisch is onderscheid te maken tussen enerzijds normadressaatschap of daderschap en anderzijds toerekenbaarheid. Zoals gezegd, kan aan de hand van het normadressaatschapscriterium of het daderschapscriterium worden vastgesteld wie aangesproken kan worden, terwijl aan de hand van het toerekenbaarheidscriterium kan worden vastgesteld of er een reden bestaat om de normadressaat of de dader op te laten draaien voor de normschending. Ik illustreer dit aan de hand van het in de vorige paragraaf aangehaalde voorbeeld.
Stel dat A ziek wordt als gevolg van de inademing van een giftige stof die in de nabijheid van zijn woning is geloosd. Vaststaat dat het dumpen van deze giftige stof in strijd is met milieuwetgeving. Hiermee is de onrechtmatigheid gegeven. Stel dat B deze stof heeft geloosd en dat het handelen van B in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden als handelen van rechtspersoon C. Op grond van het daderschapscriterium staat dan vast dat rechtspersoon C aangesproken moet worden. De toetsing aan het daderschapscriterium geeft echter geen antwoord op de vraag of de normschending aan rechtspersoon C kan worden toegerekend. Het (juridisch) verrichten van de schadeveroorzakende handeling is geen reden op zich om de normschending toe te rekenen. Dit zou een grote uitdijing van de aansprakelijkheid betekenen.
Sommige auteurs schrijven dat daderschap een onderdeel is van toerekenbaarheid. Zo schrijft Schut dat het daderschapscriterium opgaat in de zwaardere schuldeis.1 Jansen2 gaat niet zo ver als Schut, maar meent wel dat daderschap onderdeel is van de toerekenbaarheid. Hij verwijst hierbij naar de parlementaire geschiedenis, waar staat dat art. 6:162 lid 3 BW uitsluitend betreft “de toerekening van een onrechtmatige daad aan degene die van die daad ook de dader is, zij het dat hem bijv. in verband met zijn onervarenheid geen verwijt behoeft te treffen”3 en de passage waarin staat dat toerekening geschiedt aan “degene die deze daad heeft gepleegd.”4
In mijn ogen gaat het daderschapscriterium niet op in het toerekenbaarheidscriterium en al helemaal niet in de zwaardere schuldeis. Om met Schuts stelling te beginnen: daderschap is ook van belang indien de normschending niet op grond van schuld kan worden toegerekend, maar wel krachtens risico. Steun vind ik in het hierboven weergegeven citaat uit de parlementaire geschiedenis. Hieruit maak ik op dat het daderschap eveneens van belang is ingeval de aangesproken partij geen verwijt kan worden gemaakt, maar de normschending wel op grond van de verkeersopvattingen voor zijn risico komt. Men moet de risico’s van zijn eigen onervarenheid dragen. Ook in het systeem van de wet zie ik steun voor mijn opvatting. Voor de vestiging van de kwalitatieve aansprakelijkheden is schuld niet vereist, maar is wel van belang om te achterhalen wie normadressaat is. Dit is niet alleen van belang omdat de gelaedeerde moet weten op wie hij zijn pijlen richt, maar ook omdat de hoedanigheid van de normadressaat doorwerkt in de onrechtmatigheid. Ook Jansens opvatting deel ik niet. Ik lees niet in de door hem geciteerde passages dat daderschap een onderdeel vormt van toerekenbaarheid. Wel zou uit de betreffende passages kunnen worden afgeleid dat daderschap voorafgaat aan de toerekenbaarheid, zoals Hoekzema bepleit.5 Verder meen ik dat het onderscheid tussen daderschap en toerekenbaarheid praktisch nut heeft.6 Ik sluit me aan bij Franke, die ter illustratie de volgende casus vermeldt:
“A duwt B, voor B volkomen onverwacht, door een ruit. Of: door een plotselinge windstoot wordt fietser C tegen een auto geworpen. B en C kunnen in deze gevallen aanvoeren dat zij geen schuld hebben aan de schade aan de ruit, respectievelijk auto. Met dat verweer hebben zij bij de rechter zeer waarschijnlijk succes. Maar het debat over de schuldvraag zou kunnen worden voorkomen als de stelling juist zou zijn dat B en C in de geschetste gevallen niet eens hebben gehandeld. En mijns inziens is dat aan de orde.”7
Hoewel er onderscheid moet worden gemaakt tussen daderschap en toerekenbaarheid, is de grens tussen beide criteria diffuus. De hoedanigheid van de dader is namelijk tevens van invloed op het toerekenbaarheidsvereiste. Bij de beantwoording van de vraag of de aangesproken partij anders had kunnen en moeten handelen op basis van zijn kennis en kunde (de schuldvraag) is de persoon van de dader van belang. Maar ook bij de beantwoording van de vraag of de normschending krachtens verkeersopvattingen voor rekening behoort te komen van de aangesproken partij, blijft de persoon van de dader niet altijd buiten beeld. Ik kom hier nog op terug in paragraaf 6.5.