Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/6.2.1
6.2.1 Normadressaat en onrechtmatigheid
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS713121:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ik hanteer een ruime definitie van ‘onrechtmatigheid’. Zie ook: par. 2.5.4.
Vgl. Bleeker 2021, die tevens het strafrechtelijke en bestuursrechtelijke beoordelingskader behandelt.
Delen uit deze paragraaf zijn eerder gepubliceerd in: Van der Linden, NTBR 2020/38, p. 271-281.
Vgl. Asser/Sieburgh 6-IV 2019/235 en 238, waar een onderscheid wordt gemaakt tussen de gebrekkigheid en de aansprakelijke persoon.
Sieburgh 2000, p. 93 e.v; Sieburgh, WPNR 2001/6450, p. 581; Asser/Sieburgh 6-IV 2019/74; Van Boom, WPNR 2001/6441, p. 340; Tjong Tjin Tai, WPNR 2022/7358.
Scholten 1914 (1954), p. 107-172, op p. 141; Schut 1963, p. 59; Schut, RM Themis 1996, p. 284; Van Dam 2000, p. 912; Van Boom, WPNR 2001/6441, p. 340; Tjong Tjin Tai 2006, p. 148; Vgl. ook Jansen die spreekt over een ‘contextgebonden oordeel, dat op de maat van de betrokken partijen en hun onderlinge rechtsverhouding is gesneden’: Jansen 2012, p. 365; Tjong Tjin Tai, WPNR 2022/7358.
Van Boom, WPNR 2001/6441, p. 340.
Franken, AV&S 2010/25.
Asser/Sieburgh 6-IV 2019/74.
Van der Linden, NTBR 2020/38.
Van der Linden, NTBR 2020/38.
Vgl. Oldenhuis, NJB 2011/567.
Dogmatisch en praktisch is een onderscheid te maken tussen enerzijds het daderschaps- en normadressaatschapscriterium en anderzijds het onrechtmatigheidscriterium. Het daderschaps- en normadressaatschapscriterium bepalen wie kan worden aangesproken, terwijl aan de hand van het onrechtmatigheidscriterium kan worden vastgesteld of sprake is van strijd met een rechtsnorm.1 Een voorbeeld kan dit verduidelijken. Stel dat A ziek wordt als gevolg van de inademing van een giftige stof die in de nabijheid van zijn woning is geloosd. De onrechtmatigheid van de lozing wordt beoordeeld aan de hand van milieuwetgeving of de maatschappelijke betamelijkheid.2 Dit onrechtmatigheidsoordeel geeft echter geen antwoord op de vraag wie A kan aanspreken. Daarvoor moet hij achterhalen wie de schadeveroorzakende handeling (de lozing) heeft verricht. Hiertoe dient het daderschapscriterium. Gelet op dit verschil, zou de idee kunnen ontstaan dat het vaststellen van de normschending en het vaststellen van het daderschap geheel gescheiden plaatsvinden.
Met betrekking tot art. 6:162 BW lijkt deze opvatting – naar analogie – steun te vinden in de wet, de parlementaire geschiedenis, het systeem en het doel van de regeling. Zo zegt de tekst van art. 6:162 BW niets over de eventuele invloed van de hoedanigheid van de laedens op het onrechtmatigheidscriterium. Art. 6:162 lid 1 BW bepaalt immers dat ‘hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, verplicht [is] de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.’ De normadressaat is aldus ‘hij’, oftewel ‘eenieder’. Het artikel geeft geen aanleiding tot het aannemen van een bepaalde mate van differentiatie. Ook de parlementaire geschiedenis noemt niet expliciet de hoedanigheid van de laedens als mee te nemen omstandigheid in de onrechtmatigheidsbeoordeling. Verder is uit het systeem van de wet of de doelstelling van art. 6:162 BW niet veel op te maken.
Iets vergelijkbaars speelt bij de kwalitatieve aansprakelijkheden voor gebrekkige zaken.3 In die context speelt de vraag of het vaststellen van de normschending (het gebrekscriterium) en de normadressaat (de hoedanigheid van de bezitter, dan wel de bedrijfsmatige gebruiker op grond van art. 6:181 BW) twee afzonderlijke toetsen zijn. In het verlengde daarvan speelt de vraag of het zijn van bedrijfsmatig gebruiker van een gebrekkige zaak een rol speelt bij de inkleuring van het gebrekscriterium, of dat art. 6:181 BW alleen een wisseling van de normadressaat tot gevolg heeft. De tekst van de wet geeft geen aanleiding om te concluderen dat het bezitten dan wel het bedrijfsmatig gebruiken een rol speelt bij de inkleuring van het gebrekscriterium. De tekst van art. 6:173 en 6:174 BW staat een objectieve invulling van het gebrekscriterium voor. Het gaat immers om de ‘eisen die men in de gegeven omstandigheden aan de zaak mag stellen’. Deze beschrijving is te vaag om te concluderen dat ‘bezitten’ of ‘bedrijfsmatig gebruiken’ onder die ‘omstandigheden’ vallen. De tekst van art. 6:181 BW geeft geen aanleiding tot een andere conclusie. De wetsgeschiedenis geeft er ook geen blijk van dat bedrijfsmatig gebruik een omstandigheid is die een rol speelt bij de inkleuring van het gebrekscriterium. Verder is uit de doelstelling van art. 6:181 BW niet veel op te maken. Het voornaamste doel van de bepaling is het concentreren van de aansprakelijkheid. Het artikel beoogt voor potentiële benadeelden duidelijkheid te scheppen omtrent de vraag op wie zij hun pijlen moeten richten. De kanalisering naar de bedrijfsmatige gebruiker wekt de indruk dat art. 6:181 BW alleen dient ter wijziging van de normadressaat. Deze wisseling lijkt los te staan van de normschending.4 Tot slot lijkt het systeem van de wet mee te brengen dat de toets van de normschending en het normadressaatschap gescheiden zijn. De plaats van art. 6:173 en 6:174 BW voorafgaand aan art. 6:181 BW in afdeling 2 van titel 6.3 lijkt aan te geven dat eerst onderzocht moet worden of de norm (het gebrekscriterium) is geschonden, voordat aan de vraag wordt toegekomen wie daarvoor aansprakelijk is.
Kortom, er lijkt geen aanleiding te bestaan voor de opvatting dat de hoedanigheid van de normadressaat van invloed is op het onrechtmatigheidscriterium. Toch is dit wat mij betreft te kort door de bocht. Het onrechtmatigheidscriterium is niet helemaal een objectief criterium. Voor bepaalde (rechts)personen geldt wel degelijk op grond van hun maatschappelijke positie een andere – veelal strengere – norm.5 Verscheidene auteurs menen dat de zorgvuldigheidsnorm differentieert al naar gelang de maatschappelijke positie van de laedens.6 Zo stelt Van Boom:
“De rechter zal […] bij voorkeur een ongeschreven rechtsregel formuleren die zich richt tot een bepaalde groep personen onder bepaalde omstandigheden. De daarmee gepaard gaande differentiatie is onontbeerlijk om de juiste mate van zorgvuldigheid op te leggen aan een bepaald segment van de bevolking.”7
De hoedanigheid waarmee een persoon deelneemt aan het rechtsverkeer is van invloed op de ‘maatmens-laedens’ en werkt zodoende door in het verwachte kennisniveau en de mate van voorzorg die een laedens in acht dient te nemen.8 Sieburgh schrijft in de Asser-serie:
“De inhoud van de zorgvuldigheidsnorm wordt toegesneden op de kennis of ervaring die, gezien zijn maatschappelijke positie, bij de dader aanwezig moet zijn. Dat brengt mee dat de gedragsnorm algemene gelding heeft voor ieder lid van de groep waartoe de dader behoort.”9
De rechter formuleert in veel gevallen een norm die gericht is tot een specifieke, maatschappelijke groep. Het feit dat deze norm niet geldt voor de gehele bevolking, impliceert dat de hoedanigheid van de aangesproken partij van betekenis is voor de formulering van de norm.
De invloed van het normadressaatschap op de norm is in mijn ogen niet beperkt tot het onrechtmatigedaadsrecht. Eerder heb ik betoogd dat de hoedanigheid van de normadressaat ook van betekenis is voor het gebrekscriterium uit art. 6:173 en 6:174 BW.10 Zo kunnen gedragsnormen, die zijn gericht tot een specifieke maatschappelijke groep, indirect doorwerken in de gebrekkigheidstoetsing. Daarnaast hangt de veiligheid die men mag verwachten van een zaak mede af van de vraag of de zaak particulier of bedrijfsmatig wordt gebruikt.11 Indirect is hier de hoedanigheid van particuliere of bedrijfsmatige gebruiker in te herkennen. Hierbij dient wel in het achterhoofd te worden gehouden dat deze invloed niet altijd aanwezig is. Er zijn tal van situaties denkbaar waarin de hoedanigheid van de normadressaat geen rol speelt bij de vaststelling van de normschending.12