Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/6.3.2.d
6.3.2.d Facultatieve toepassing en Europese regulering
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS465275:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De materiële-reciprociteitsuitzondering van art. 7 lid 8 werkt 'automatisch', dat wil zeggen: zolang de nationale wetgever niet anders bepaalt, moet zij worden toegepast.
Tijdens die conferentie werd een Zwitsers voorstel om het facultatieve karakter te expliciteren overbodig geacht, Actes BC 1896, p. 161 (Rapport de la Commission). Men vond het zo vanzelfsprekend dat men meende te kunnen volstaan met een opmerking in het rapport. Zie ook Wauwermans 1910, p. 89; Hoffmann 1935, p. 24; Desbois, Frangon & Kerever 1976, p. 184; vgl. ook art. 19. Over de conventie van 1886, zie Soldan 1887, p. 409. Desondanks menen enkelen (zoals Baum 1963, p. 354 en Troller 1952, p. 154, die hier later op terugkwam: Troller 1965, p. 126, noot 96) dat het om een verplichting gaat — hiertegen keert zich terecht Drexl 1990, p. 128.
Art. 12 EG, zie ook HvJ EG 6 juni 2002, nr. C-360/00, Jur. 2002, p. 1-5089 (Ricordi). Zie par. 6.3.1 onder (b).
Richtlijn 93/98/EEG van de Raad van 29 oktober 1993 betreffende de harmonisatie van de beschermingstermijn van het auteursrecht en de naburige rechten (PbEG 1993, L 290/9).
Lid 3 tempert deze eis door (een zekere mate van) eerbiediging van bestaande, genereuze regelingen.
Zie alinea 842 hiervoor.
Zie de parlementaire geschiedenis van wetsvoorstellen 23 812 en 24 477. Het is ook de vraag of de Europese wetgever zich dit heeft gerealiseerd.
853. Facultatief karakter. De conventie stelt de inkorting van de beschermingsduur ex artikel 7 lid 8 niet verplicht. De bepaling laat uitdrukkelijk de mogelijkheid om anders te beschikken.1 De lex loci protectionis heeft derhalve de vrijheid om haar volle beschermingsduur aan het vreemde werk te verlenen. Hoewel dit uit de eerdere conventies minder duidelijk bleek, heeft de bepaling altijd een facultatief karakter gehad. Sinds de Parijse conferentie van 1896 staat dit buiten twijfel.2
854. Richtlijn 93/98/EEG. In Europees verband is de toepassingsvrijheid echter aan banden gelegd. Enerzijds wordt toepassing van artikel 7 lid 8 grotendeels verboden door het Europese non-discriminatiebeginsel,3 anderzijds wordt toepassing in één geval geboden door Richtlijn 93/98/EEG.4Artikel 7 lid 1 van deze Richtlijn eist een duurvergelijking (inkorting) voor werken waarvan het land van oorsprong geen EG-land is én de auteur van het werk geen EG-onderdaan is.5
855. Implementatie in art 42 Auteurswet. Deze eis is in de Nederlandse wet geïmplementeerd in artikel 42, tweede volzin, van de Auteurswet, waarin wordt bepaald dat de inkorting niet geldt voor werken waarvan de auteur onderdaan is van een EU- of EER-land. Nederlandse auteurs zijn ook onderdanen van een EUland: vallen hun vreemde werken dan ook onder deze vrijstelling? Dit is zeker het geval voor zover het gaat om werken die in de EG ontsprongen zijn. Het Europese non-discriminatiebeginsel dwingt dan immers tot vrijstelling.6 Geldt de vrijstelling echter ook voor buiten de EG ontsprongen werken van Nederlandse auteurs? Zou dat het geval zijn, dan wordt een categorie vreemde auteurs (namelijk niet-Europese auteurs) achtergesteld ten opzichte van nationale (Nederlandse) auteurs, en dat is in strijd met het Berner non-discriminatiebeginsel. Die strijdigheid kan op twee manieren worden opgeheven. Ofwel de vreemde werken van alle vreemde auteurs worden ook vrijgesteld (waarmee de materiële-reciprociteitstoets zinledig is geworden), ofwel de buiten de EG ontsprongen werken van Nederlandse auteurs worden niet vrijgesteld. Artikel 7 lid 1 van de Richtlijn sluit de eerste oplossing uit: de duurvergelijking moet verplicht worden toegepast bij niet-EG werken van niet-EG auteurs. Daarmee staan niet-EG werken van Nederlandse auteurs schaakmat: de vrijstelling van artikel 42 Auteurswet, tweede volzin, geldt noodgedwongen niet voor hen. De Nederlandse auteur die zijn werk voor het eerst in Australië of Canada publiceert, geniet in Nederland dus de kortere — namelijk vijftigjarige — beschermingsduur omdat het Australische respectievelijk Canadese recht slechts vijftig jaar bescherming verlenen. De Nederlandse wetgever lijkt zich van deze complicatie geen rekenschap te hebben gegeven.7