Einde inhoudsopgave
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/2.4.2
2.4.2 Invoering van het algemeen belastingstelsel
mr. M. Diamant, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. M. Diamant
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Van der Pot/Elzinga e.a. 2014, p. 132. De jaarlijkse begroting bleef tot 1814 echter gewoon in gebruik.
De Bosch Kemper 1865, p. 496.
Volgens Fukuyama is de Whig geschiedenis correct in haar conclusie dat het heffen van belastingen de primaire drijfkracht achter het ontstaan van politieke verantwoordelijkheid is. Fukuyama toont dit aan door onder andere in te gaan op de geschiedenis van Engeland en het ontstaan van politieke verantwoordelijkheid aldaar. Fukuyama 2011, p. 326, 332-333, 428-431. Deze theorie kan men grotendeels ook van toepassing verklaren op de situatie in Nederland.
Buys 1883, p. 645.
Deze Staatsregeling bleek echter een te grote breuk met het verleden.1 In 1801 – na een door Frankrijk gesteunde staatsgreep – werd in de nieuwe Staatsregeling grotendeels teruggekeerd naar de situatie van financiële autonomie van de gewesten.
In de Staatsregeling van 1805 kwam het beginsel van de eenheidsstaat weer terug. De Bataafse Republiek stond nu onder leiding van raadspensionaris Schimmelpenninck, benoemd onder rechtstreekse Franse bemoeienis door keizer Napoleon. Onder deze Staatsregeling stemde de volksvertegenwoordiging in met de invoering van een stelsel van algemene belastingen. Hoewel er nog geregeld buitengewone financiële maatregelen nodig waren als aanvulling op de gewone inkomsten uit het algemeen belastingstelsel, betekende de invoering van algemene belastingen een breuk met het oude stelsel van incidentele belastingheffing. In tegenstelling tot incidentele belastingheffing stond bij de algemene belastingheffing niet bij voorbaat vast met welk doel het geld geïnd werd. Alleen bij nieuwe belastingen werd de instemming van de Staten gevraagd.2 Om zeggenschap te behouden over de gelden diende de uitvoerende macht verantwoording af te leggen over de geïnde gelden en mocht deze de geïnde gelden aan geen ander doel besteden dan vooraf door de wetgever bepaald via de begroting.
De invoering van het algemeen belastingstelsel betekende dat het budgetrecht voor het eerst duidelijk werd onderscheiden van het belastingrecht en lijkt bovendien een eerste aanzet tot het ontstaan van de politieke ministeriële verantwoordelijkheid te betekenen.3 Volgens Buys diende het budgetrecht er dan ook vooral toe om het belastingrecht meer kracht bij te zetten.4