Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/4.5.4.4
4.5.4.4 Bewijs van 'gewoonlijk gestald op het grondgebied van een staat'
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS393600:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ktr. Den Haag, 3 augustus 1984 (niet gepubliceerd). Zie voor het vervolg op deze procedure, waarbij de staat het Waarborgfonds Motorverkeer (met succes) in rechte aansprak, Ktr. 's-Gravenhage 30 september 1985, VR 1986, 156.
De vraag is overigens of het niet op de weg van de benadeelde zou liggen om de identiteit van de laedens te achterhalen.
Daarbij rijst dan wel de vraag of het voertuig als onbekend dan wel onverzekerd moet worden beschouwd. Deze vraag is relevant voor de toepasselijkheid van het eigen risico dat het Waarborgfonds Motorverkeer hanteert voor materiële schade veroorzaakt door onbekende voertuigen ten bedrage van € 250. Zie voorts par. 5.5.6.
Hof van Cassatie België 13 september 1991 (N.V. W./Belgisch Bureau voor Autoverzekeraars), RW 1991-1992, nr. 18, p. 612.
Beide uitspraken zijn niet gepubliceerd).
Zie document MARKT/2531/06 d.d. 27 oktober 2006.
Deze termijn van drie maanden verhoudt zich slecht met de termijn van drie maanden die aan de verzekeraar en ook aan het Bureau ter beschikking staat om de benadeelde een gemotiveerd antwoord te geven op zijn verzoek om schadevergoeding. Zie nader par. 5.42.4. De Council of Bureaux overweegt verkorting van de termijn die de Bureaus ter beschikking staat om te bevestigen dat een voertuig gewoonlijk op hun grondgebied is gestald. Hetzelfde geldt voor de termijn ter bevestiging van de geldigheid van de groene kaart.
Het Bureau van het ongevalsland kan en mag er niet zonder meer vanuit gaan dat een voertuig dat de kentekenplaat van een bepaalde andere lidstaat draagt, daar 'gewoonlijk gestald' is in de zin van de Internal Regulations. Art. 13 van de Internal Regulations gaat ervan uit dat het Bureau van het ongevalsland om bevestiging vraagt dat het aansprakelijk gehouden voertuig gewoonlijk gestald is in het land van het veronderstelde garanderend Bureau. Een uitdrukkelijke verplichting daartoe bevatten de Internal Regulations niet, maar het ligt wel voor de hand dat om deze bevestiging wordt gevraagd. Dat een voertuig een plaat draagt die lijkt te zijn afgegeven in een bepaald land betekent niet dat deze plaat overeenstemt met het voertuig in de zin van art. 11.2. Zij kan vals zijn, verlopen, ingetrokken of geschorst. Zou het Bureau in het ongevalsland de schade regelen met de benadeelde zonder zich tevoren van de juiste status van de plaat te hebben vergewist, dan kan het de betaalde schade onder omstandigheden niet verhalen op het Bureau van het land waarnaar de plaat lijkt te verwijzen. Het waarborgfonds in het ongevalsland dient dan immers voor de schade op te komen.
Er is nog een tweede reden waarom bevestiging van de status van het voertuig moet worden gevraagd. Deze vloeit voort uit de wijze waarop het groene-kaartstelsel georganiseerd is: met de bevestiging dat een voertuig gewoonlijk is gestald in een bepaald land wordt ook bekend of en zo ja bij welke verzekeraar het is verzekerd. Niet alleen vindt daarna rechtstreeks contact plaats tussen de regelende instantie en de betrokken verzekeraar (behoudens een beroep op de garantie van het garanderend Bureau als de verzekeraar niet aan zijn restitutieverplichtingen voldoet), bovendien zal in veel gevallen de schade niet door het Bureau van het ongevalsland, maar door een op verzoek van de verzekeraar benoemde correspondent moeten worden geregeld. Zie daarvoor paragraaf 4.5.7.
De vraag is op welke wijze kan worden vastgesteld of een voertuig gewoonlijk in een bepaald land is gestald. Met name verdient bespreking de vraag of zulks voor wat betreft gekentekende voertuigen ook aan de hand van andere criteria dan het kenteken mogelijk is.
Deze vraag kwam aan de orde in een kantongerechtprocedure tussen een benadeelde (Rijkswaterstaat) en het NBM.
Een getuige had gezien dat een voertuig dat op de zijkant de naam van een Duits bedrijf voerde, olie op de snelweg verloor. Rijkswaterstaat vorderde de schoonmaakkosten van het wegdek bij het NBM, zich daarbij op het standpunt stellende dat met de naam van de vermoedelijke eigenaar voldoende vast stond dat het voertuig gewoonlijk in Duitsland is gestald.
De kantonrechter wees de vordering af, omdat in het stelsel van de 1 e Richtlijn het criterium om vast te stellen in welke lidstaat een motorrijtuig gewoonlijk is gestald, het kenteken is:
"Wij (zijn) in deze met gedaagde van oordeel, dat zij alleen dan aansprakelijk is voor de gevorderde schade, als komt vast te staan, dat de betreffende trekker (met oplegger) gewoonlijk in Duitsland wordt gestald, derhalve als deze een Duits kenteken heeft, zelfs indien deze niet verzekerd is, t)f als deze een speciaal kenteken heeft, mits deze verzekerd is;
al hetgeen volgt uit de bepalingen van de W.A.M. en de daarop gegronde uitvoeringsbesluiten en de Eerste Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 april 1972 (Publicatieblad 1972, no. L 103)."1
Hoewel betoogd kan worden dat de identiteit van de verzekeraar van het voertuig (wellicht) had kunnen worden achterhaald aan de hand van de (bekende) identiteit van de eigenaar - en er strikt genomen dus geen sprake was van een niet-geïdentificeerd, althans niet van een niet-identificeerbaar, motorrijtuig - houd ik de uitspraak in de kern voor juist.2 De Richtlijn definieert het begrip 'lidstaat waar het voertuig gewoonlijk is gestald' aan de hand van het kenteken dat op het voertuig is aangebracht. Als dat kenteken niet achterhaald kan worden, kan ook niet in overeenstemming met de Richtlijn worden vastgesteld dat het voertuig gewoonlijk is gestald in een lidstaat, waarvoor het Bureau 'kentekenverantwoordelijkheid' draagt.
Steun voor deze opvatting valt voorts te ontlenen aan de omstandigheid dat het Bureau niet voor alle kentekens die in zijn land zijn uitgegeven garant staat. Elke lidstaat kent zijn 'derogaties', doorgaans gebaseerd op de uitzonderingsmogelijkheden van art 5 lid 1 of 2 van de Richtlijn. Aan de hand van het individuele kenteken van het schadeveroorzakende voertuig zal derhalve moeten worden vastgesteld of het Bureau garant staat ten opzichte van de benadeelde. Bovendien dragen de Bureaus ook geen verantwoordelijkheid (meer) voor voertuigen die een niet of niet meer met het voertuig overeenstemmend kenteken dragen en om vast te stellen of daarvan sprake is, moet dat kenteken ook (nauwkeurig) vaststaan.
In een geval waarin niet aan de hand van het concrete kenteken kan worden vastgesteld dat het voertuig gewoonlijk in een andere lidstaat is gestald en dat het Bureau aansprakelijk is, kan de benadeelde zich tot het waarborgfonds wenden.3
Tot hetzelfde resultaat als de Haagse kantonrechter, maar met een afwijkende motivering, kwam het Belgische Hof van Cassatie in een geval waarbij wel kwam vast te staan dat de aansprakelijk gehouden vrachtwagen een Duits kenteken droeg, maar waarbij de identiteit van de auto niet kwam vast te staan.
"Wanneer in België schade is veroorzaakt door een aanrijdend voertuig dat gewoonlijk op het grondgebied van een andere Lidstaat is gestald, maar niet is geïdentificeerd, is het nationaal bureau van afwikkeling niet verplicht de schade van de benadeelde personen te vergoeden. De benadeelde dient zich tot het Belgische waarborgfonds te wenden."4
Het Hof van Cassatie oordeelt dat wel vaststaat dat het voertuig gewoonlijk in Duitsland is gestald, maar stelt het Belgische Bureau op één lijn met een motorrijtuigverzekeraar, die ook niet hoeft te vergoeden als de veroorzaker onbekend is.
Tot een ander resultaat kwam het Landgericht Aachen van 12 april 2000, bevestigend een vonnis van het Amtsgericht Aachen van 16 september 1999.5 Het Duitse groenekaartbureau wordt veroordeeld, terwijl alleen vaststaat dat het aansprakelijke voertuig de landenaanduiding NL droeg en het kenteken een Nederlandse combinatie zou kunnen zijn en een gele kleur heeft. Ik acht deze uitspraak op de hierboven aangegeven gronden onjuist. Met name de volgende overweging van het Landgericht lijkt mij de plank mis te slaan:
"Denn für die Leistungspflicht des Beklagten (het Duitse Bureau, FJB) aufgrund des Multilateralen Garantieabkommens vom 15.03.1991 kommt es alleine darauf an, dass das Kraftfahrzeug ein(onderstreping FJB) amtliches Kennzeichens eines Vertragsstaates, hier der Niederlande, getragen hat ..."
Zoals betoogd: in het systeem van de Richtlijn gaat het niet om een kenteken, het gaat om het specifieke kenteken. Het hierboven aan de orde gestelde argument dat de Bureaus niet voor alle kentekens aansprakelijk zijn, is overigens kennelijk door het Duitse Bureau niet naar voren gebracht (en als dat wel het geval zou zijn, niet gehonoreerd).
Uit het verslag van het overleg van de Europese Commissie met de lidstaten over implementatieproblemen rond de 5e Wam-richtlijn van 28 september 2006 zou kunnen worden afgeleid dat bij de Commissie de opvatting heerst dat ook een onvolledig genoteerd kenteken kan meebrengen dat het voertuig geacht moet worden gewoonlijk in die lidstaat te zijn gestald.6 Daar staat immers op pagina 2 te lezen, dat art. 1, punt 4, vierde streepje (nu art. 1 onderdeel 4 onder d) van de Richtlijn van 2009) "not necessarily (applies) unless the plate has been identified as being false or illegal". Die opmerking mist betekenis als een onvolledig genoteerd kenteken zou moeten worden beschouwd als een niet-geïdentificeerd kenteken (en dus voertuig). Dan komt de schade immers per definitie ten laste van het waarborgfonds van het land van ongeval.
Daarmee heeft de Commissie evenwel over het hoofd gezien dat niet voldoende is dat een motorrijtuig in een lidstaat is geregistreerd, maar dat het bovendien moet gaan om een niet (op grond van art. 5 lid 1 of 2 van de Richtlijn) van de verzekeringsplicht uitgezonderd motorrijtuig.
Tot slot zij opgemerkt dat ook de Council of Bureaux heeft vastgesteld dat voor de onderlinge verhoudingen tussen de Bureaus Sectie III van de Internal Regulations niet van toepassing is in een geval waarin de "precise particulars of the registration number" niet beschikbaar zijn. Weliswaar kan deze interpretatieve afspraak tussen de Bureaus derden vanzelfsprekend niet binden, zij is wel in lijn met het hiervoor verdedigde standpunt dat alleen het complete kenteken kan dienen als bewijs dat een voertuig gewoonlijk is gestald in een andere lidstaat of daarmee gelijk gesteld derde land.
Voortvarendheid bij de afwikkeling van schadegevallen in het verkeer wordt steeds belangrijker gevonden, niet alleen in Nederland, maar ook elders. Een positiefrechtelijke verplichting in dit kader is die van art. 19 jo. 22 van de Richtlijn die de verzekeraar, maar ook het Bureau verplicht binnen drie maanden een gemotiveerd antwoord op een verzoek om schadevergoeding te geven.
Evenals het geval is bij de bevestiging van de geldigheid van de groene kaart, moet het verzoek om bevestiging dat het voertuig gewoonlijk gestald is op het grondgebied van een bepaalde andere staat aan het Bureau worden gericht per fax of e-mail. Eveneens geldt hier een termijn van drie maanden waarbinnen een definitief antwoord moet worden gegeven. De sanctie op het overschrijden van de termijn van drie maanden is, dat de bevestiging geacht wordt te zijn gegeven. Zie voor een en ander art. 13 van de Internal Regulations.7
Door de bevestiging te geven dat een voertuig gewoonlijk in een bepaald land is gestald, garandeert het Bureau dat het voor de schade zal opkomen en verleent het volmacht aan het Bureau in het land van het ongeval om de schade te regelen, dan wel het dossier door te zenden naar de eventueel benoemde correspondent.