Einde inhoudsopgave
De goede procesorde (BPP nr. IV) 2006/2.2.2
2.2.2 Art. 130 Rv. Verandering of vermeerdering van eis of verzoek
Mr. V.C.A. Lindijer, datum 08-11-2006
- Datum
08-11-2006
- Auteur
Mr. V.C.A. Lindijer
- JCDI
JCDI:ADS373852:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1995/96, 24 651. Dit in 1996 ingediende wetsvoorstel omvatte naast nieuwe algemene bepalingen van burgerlijke rechtsvordering ook een ingrijpende reorganisatie van de rechterlijke macht, waarbij onder meer werd beoogd de zelfstandige kantongerechten op te heffen en te laten opgaan in de arrondissementsrechtbanken. Toen deze reorganisatie politiek niet haalbaar bleek, trok de minister in 1998 het wetsvoorstel in. De algemene bepalingen voor een nieuw wetboek van rechtsvordering, waarop de kamerleden hun visie al hadden kunnen geven, werden echter, zij het soms gewijzigd, opgenomen in een nieuw wetsvoorstel (Kamerstukken ( 1999/00, 26 855, nr. 2) dat een jaar later werd ingediend.
Kamerstukken II 1995/96, 24 651, nr. 3 (MvT), p. 124-126. De minister verwijst daarbij naar HR 12 oktober 1990, NJ 1991, 186.
Zie Wesseling-van Gent (Burgerlijke Rechtsvordering (oud)), art. 134, aant. 6 en 10.
Zie o.m. HR 5 februari 1965, NJ 1965, 173 en HR 26 juni 1970, NJ 1970, 390.
Vranken 1998.
Kamerstukken II 1999/00, 26 855, nr. 4 (Verslag Vaste kamercommissie voor Justitie), p. 37.
Nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstukken II 1999/00, 26 855, nr. 5, p. 57.
Art. 112 lid 2 (oud) Rv: Indien binnen de wettelijke termijn is geantwoord, kan de kantonrechter, zolang hij nog niet de dag heeft bepaald waarop hij eindvonnis zal wijzen, de eiser op diens vordering toestaan zijn eis te veranderen of vermeerderen, tenzij de gedaagde hierdoor in diens mogelijkheid verweer te voeren onredelijk zou worden bemoeilijkt. Art. 115 (oud) Rv: De vorderingen bedoeld in de art. 112, tweede lid, 113 en 114, eerste lid, geschieden schriftelijk. Na de wederpartij in de gelegenheid te hebben gesteld, zich over het verzoek uit te laten, beslist de kantonrechter zo spoedig mogelijk. Tegen het verzoek staan geen rechtsmiddelen open. Art. 429i lid 1(oud) Rv: De rechter kan de verzoeker toestaan het verzoek of de gronden daarvan tijdens de loop der behandeling te veranderen of te vermeerderen, tenzij hierdoor een belanghebbende in diens mogelijkheid verweer te voeren onredelijk zou worden bemoeilijkt. Zie voorts Ynzonides & Meijer 1992, p. 98-100 en Boekman 1996, p. 27.
Zie voor 429i (oud) Rv: Kamerstukken II 1963/64, 7753, nr. 5 (MvA), p. 4. Voor art. 112 (oud) Rv: Kamerstukken II 1986/87,19 976, nr. 3, p. 28.
Kamerstukken II 1995/96, 24 651, nr. 3 (MvT), p. 125.
Boekman 1996, p. 27.
Zie bijv. HR 30 januari 1998, NJ 1998, 349 en HR 12 oktober 1990, NJ 1991, 186.
23. De enige verwijzing naar de goede procesorde in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is, zoals gezegd, vervat in art. 130 Rv. Acht de rechter een verandering of vermeerdering van eis of de gronden daarvan in strijd met de goede procesorde, dan kan hij deze ambtshalve of na verzet van de gedaagde buiten beschouwing laten.
Art. 130 lid 1 Rv
Zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen, is de eiser bevoegd zijn eis of de gronden daarvan schriftelijk, bij conclusie of akte ter rolle, te veranderen of te vermeerderen. De gedaagde is bevoegd hiertegen bezwaar te maken, op grond dat de verandering of de vermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde. De rechter beslist, de partijen gehoord, zo spoedig mogelijk. De rechter kan op dezelfde grond ook ambtshalve een verandering of vermeerdering van eis buiten beschouwing laten [curs. vcal].
Deze bepaling voorziet in de regeling waarin voor de herziening van de wettelijke regeling van het procesrecht in 2002 het eerste en tweede lid van art. 134 (oud) Rv voorzagen:
Art. 134 (oud) Rv
[1] De eiser is bevoegd tot afloop van het geding zijn eis bij conclusie of bij acte ter rolle te verminderen, te veranderen of te vermeerderen.
[2] De gedaagde is bevoegd zich bij acte ter rolle tegen een verandering of vermeerdering te verzetten, indien hij daardoor in zijn verdediging onredelijk wordt bemoeilijkt of het geding daardoor onredelijk wordt vertraagd.
24. Een vergelijking van beide artikelen leert dat de gronden voor bezwaar tegen een verandering of vermeerdering van eis die in art. 134 (oud) Rv werden genoemd, in art. 130 Rv zijn vervangen door een verwijzing naar de eisen van een goede procesorde. In de Memorie van Toelichting bij het oorspronkelijke wetsvoorstel1 tot herziening van het wetboek, merkte de minister op dat dit nieuwe criterium is ontleend aan de rechtspraak van de Hoge Raad ter zake en dat strijd met de goede procesorde strijd met de gespecificeerde gronden genoemd in art. 134 (oud) Rv impliceert.2 Dat wil evenwel niet zeggen dat de inhoud van het criterium ook tot die gronden is beperkt.3
De rechtspraak waaraan de wetgever het nieuwe criterium heeft ontleend, is rechtspraak in verzoekschriftprocedures. Een verandering of vermeerdering van verzoek werd door de verzoekschriftrechter toegestaan, mits de eisen van een goede procesorde zich daartegen niet verzetten.4 In 1973 voorzag de wetgever met art. 429i (oud) Rv, onderdeel van een algemene regeling van de rechtspleging in verzoek-schriftzaken, in een specifieke regeling van de verandering of vermeerdering van het verzoek. In dat artikel werd de afwezigheid van strijd met de eisen van een goede procesorde echter niet als voorwaarde genoemd voor de toelaatbaarheid van een dergelijke verandering of vermeerdering. In plaats daarvan luidde het criterium dat een belanghebbende door de verandering of vermeerdering niet onredelijk bemoeilijkt zou mogen worden in diens mogelijkheid om verweer te voeren. Dit voorschrift bracht echter geen waarneembare verandering in de jurisprudentie teweeg: de rechter bleef veranderingen en vermeerderingen van een verzoek toetsen aan de eisen van een goede procesorde, zoals hij dat ook al voor de inwerkingtreding van art. 429i (oud) Rv deed. Met de invoering van het huidige art. 130 Rv heeft de wetgever dat criterium nu bevorderd tot het algemene criterium waaraan zowel veranderingen of vermeerderingen van eis als, ingevolge de door art. 283 Rv voorgeschreven overeenkomstige toepassing, veranderingen of vermeerderingen van verzoek getoetst dienen te worden.
25. Bij de parlementaire behandeling van het nieuwe wetsvoorstel kwam naar aanleiding van een artikel van Vranken5 de vraag op of het criterium 'strijd met de eisen van een goede procesorde' niet te vaag en te vrijblijvend is.6 In het artikel voert Vranken aan dat de mogelijkheid van vermeerdering van eis zich in het buitenland heeft ontpopt als een populair instrument om de procedure te vertragen. Hij stelt daarom voor een strenger criterium dan 'strijd met de goede procesorde' aan te leggen. De minister meende evenwel dat het voorgestelde criterium de rechter 'voldoende houvast biedt om onwenselijke effecten van de bevoegdheid om van eis te veranderen of te vermeerderen tegen te gaan' en hield, zonder verdere argumenten, voet bij stuk.7
26. Nieuw in art. 130 Rv is ook de uitdrukkelijk aan de rechter toegekende bevoegdheid om de eisverandering of -vermeerdering ambtshalve buiten beschouwing te laten, wanneer deze hem in strijd met de goede procesorde voorkomt. De achtergrond daarvan is gelegen in de grotere reikwijdte van het nieuwe artikel. Anders dan art. 134 (oud) Rv, geldt art. 130 Rv ook in kantonzaken en via art. 283 Rv in zaken die met een verzoekschrift worden ingeleid. Het oude recht kende voor een verandering of vermeerdering van eis of verzoek in die zaken een aparte regeling. De eiser of verzoeker diende ingevolge de art. 112 jo. 115 (oud) Rv, respectievelijk art. 429i lid 1 (oud) Rv, daarvoor toestemming te krijgen van de rechter. We zagen al dat de verzoekschriftrechter die toestemming niet mocht verlenen als een belanghebbende door de verandering of vermeerdering van het verzoek onredelijk zou worden benadeeld in diens mogelijkheid om verweer te voeren. Eenzelfde criterium gold voor de toelaatbaarheid van een eisverandering of -vermeerdering in een kantonzaak.8 Op die wijze werd de rechter geacht ambtshalve de belangen te beschermen van de gedaagde of belanghebbende die zonder procureur kon procederen.9
Bij de herziening van het procesrecht meende de minister echter dat er 'onvoldoende reden' is om ter zake van een ambtshalve toetsing aan de eisen van een goede procesorde onderscheid te maken tussen de verzoekschriftprocedures en de inpersoon-zaken enerzijds en de procureurszaken anderzijds.
'De grond waarop de rechtbank de eiswijziging buiten beschouwing zal laten is immers geen inhoudelijke, maar houdt veeleer verband met een efficiƫnte procesvoering. De hier bedoelde ambtshalve bevoegdheid van de rechtbank in alle zaken is dan ook te beschouwen als een uitwerking van de verplichting van de rechter te waken tegen onredelijke vertraging van het
geding, neergelegd in art. 13.2, eerste lid [thans art. 20 Rv, vcal].10.
Opvallend is dat noch art. 112, noch art. 429i (oud) Rv het gevaar van een 'onredelijke vertraging van het geding' noemde als grond waarop de rechter zijn toestemming aan de verandering of vermeerdering van eis of verzoek kon onthouden. Boekman oppert dat de wetgever vermoedelijk aannam dat de verzoekschriftrechter ook zonder een dergelijke bepaling op het voorkomen van onredelijke vertraging zou toezien.11 Of de verzoekschriftrechter ook daadwerkelijk om die reden zijn toestemming aan een verzoek tot verandering of vermeerdering van eis onthield, wordt uit de onderzochte rechtspraak niet duidelijk. Zoals hierboven al opgemerkt, bleek de verzoekschriftrechter het verzoek doorgaans aan de hand van de eisen van een goede procesorde te beoordelen. Dat criterium lijkt meeromvattend dan het in art. 429i (oud) Rv gegeven criterium van onredelijke benadeling, maar uit de betreffende uitspraken kan niet worden opgemaakt of de rechter via de toets aan de goede procesorde ook het gevaar van een 'onredelijke vertraging van het geding' in zijn beoordeling betrok.12