De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer
Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/4.8.5:4.8.5 De juridische positie van het schadevergoedingsorgaan
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/4.8.5
4.8.5 De juridische positie van het schadevergoedingsorgaan
Documentgegevens:
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS394807:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Richtlijn is niet bijzonder duidelijk over de juridische positie van het schadevergoedingsorgaan. Het 'treedt op', de benadeelde 'kan een verzoek tot schadevergoeding indienen', het kan - als het de benadeelde zijn schade heeft vergoed - de uitbetaalde schadevergoeding verhalen op het schadevergoedingsorgaan of het waarborgfonds in de lidstaat van vestiging van de verzekeraar, van de lidstaat waar het voertuig gewoonlijk is gestald of waar het ongeval heeft plaatsgevonden. Maar in welke verhouding het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van de woonplaats van de benadeelde staat tot deze laatste, en tot de schadevergoedingsorganen en waarborgfondsen van de lidstaten van ongeval, gewoonlijke standplaats van het voertuig of vestiging van de verzekeraar wordt niet duidelijk gemaakt. Anders dan bij het waarborgfonds van art. 10 staat in art. 24 en 25 niet expliciet dat de benadeelde 'zich rechtstreeks tot dit orgaan kan wenden'.
Ik zou evenwel menen dat dit wel de bedoeling van de Richtlijn is. Zonder een dergelijk 'eigen recht' zou de benadeelde immers, als regeling van de schade in der minne niet mogelijk blijkt, gedwongen zijn tegen de verzekeraar of tegen het waarborgfonds in de lidstaat van het ongeval te procederen. Daarmee zou de toegevoegde waarde van het schadevergoedingsorgaan wel erg beperkt zijn.
Het schadevergoedingsorgaan vertoont in een aantal opzichten overeenkomsten met het waarborgfonds en de vraag kan dan ook worden gesteld of het daarmee ook in juridische zin volledig kan worden vergeleken. In paragraaf 4.6.6 is het waarborgfonds als wettelijke borg gekwalificeerd. Voor zover de benadeelde zijn aanspraken op schadevergoeding tegen het schadevergoedingsorgaan geldend kan maken, zou ook het schadevergoedingsorgaan als borg kunnen worden gezien. Het staat dan borg voor de verplichtingen van hetzij de verzekeraar, hetzij het schadevergoedingsorgaan of het waarborgfonds van de lidstaat waar het aansprakelijke voertuig gewoonlijk is gestald of (in geval van een onbekende aansprakelijke) van de lidstaat waar het ongeval plaatsvond.
Maar ook als het schadevergoedingsorgaan in eerste instantie alleen maar tot taak heeft de aandacht van de verzekeraar erop te vestigen dat hij een gemotiveerd antwoord heeft te geven, kan het schadevergoedingsorgaan als borg worden gezien. Reageert de verzekeraar immers binnen twee maanden niet alsnog en gemotiveerd, dan heeft het schadevergoedingsorgaan de schade alsnog met de benadeelde te regelen.
Art. 24 lid 2 geeft het schadevergoedingsorgaan dat de schade met de benadeelde heeft geregeld een recht van verhaal op zijn zusterorganisatie in de lidstaat van vestiging van de verzekeringsonderneming. Een soortgelijk recht van verhaal is in art. 25 neergelegd, maar dan op het waarborgfonds (bedoeld in art. 10) van de lidstaat waar het onverzekerde aansprakelijke voertuig is gestald, respectievelijk van de lidstaat waar het door de onbekende aansprakelijke veroorzaakte ongeval heeft plaatsgevonden.
Op grond hiervan zou ik menen dat het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van woonplaats van benadeelde moet worden gezien als borg. Dat brengt mee dat het zelf debiteur is van de benadeelde en dat deze jurisdictie heeft in eigen land.
Daarnaast is nog een alternatieve benadering denkbaar, die erop is gebaseerd dat de overeenkomsten (waarin het regres tussen de schadevergoedingsorganen onderling en de schadevergoedingsorganen en de waarborgfondsen wordt geregeld) een vertegenwoordigingsverhouding in het leven zouden roepen. De positie van het schadevergoedingsorgaan in de lidstaat van woonplaats van de benadeelde lijkt enigszins op die van het groenekaartbureau dat ook als vertegenwoordiger optreedt van zijn zusterorganisatie in het land waar het aansprakelijke voertuig gewoonlijk is gestald. Zie paragraaf 4.5.5, meer in het bijzonder paragraaf 4.5.5.4. Dat beeld wordt versterkt door de bepaling van art. 24 lid 3, dat de inwerkingtreding van het artikel afhankelijk stelt van een overeenkomst tussen de schadevergoedingsorganen betreffende hun taken en verplichtingen en de wijze van terugbetaling.
Het antwoord op de vraag of het schadevergoedingsorgaan in de lidstaat van woonplaats van de benadeelde ook, en naast de borgtochtverhouding, in een vertegenwoordigingsverhouding staat tot zijn zusterorganisaties in de lidstaat van het ongeval, van de vestiging van de verzekeraar of van de lidstaat waar het aansprakelijke voertuig gewoonlijk is gestald, moet echter ontkennend luiden. Het regelende schadevergoedingsorgaan kan in het regime van de Richtlijn zelf worden aangesproken door de benadeelde en de Richtlijn geeft geen aanleiding om te veronderstellen dat het daarbij de positie van vertegenwoordiger van het betalende schadevergoedingsorgaan of waarborgfonds inneemt. Zou dat wel het geval zijn, dan zou toch de bepaling dat het een verhaalsrecht heeft op dat betalende orgaan overbodig zijn.