Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/4.8.9
4.8.9 Het Schadevergoedingsorgaan en het toepasselijk recht
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS393605:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2002/03, 28 636, nr. 3, pag. 22. Ook op p. 11 gaan de bewindslieden op de omvang van de verplichtingen van het schadevergoedingsorgaan in, maar ook hier wordt alleen over de maximaal uit te keren bedragen gesproken.
Voor wat betreft de lidstaten volgt dit uit art. 4 lid 1 van Verordening Rome II. De uitzondering van het tweede lid speelt in het kader van het schadevergoedingsorgaan geen rol van betekenis. Hebben benadeelde en aansprakelijke hun gewone verblijfplaats in dezelfde lidstaat, dan zal het voertuig van de aansprakelijke gewoonlijk zijn gestald en/of verzekerd in de lidstaat van de gewone verblijfplaats van de benadeelde en is, krachtens art. 20 lid 1 van de Richtlijn, art. 24 niet van toepassing.
Het Nederlandse Schadevergoedingsorgaan kan door een in Nederland woonachtige benadeelde van een ongeval in een andere lidstaat (en onder omstandigheden ook van een ongeval in een derde land dat bij het groenekaartstelsel is aangesloten) worden aangesproken. Dat roept de vraag op naar welk recht het schadevergoedingsorgaan de schade dient te beoordelen. De wet zwijgt erover. De memorie van toelichting gaat er kort en niet zeer volledig op in:
"Aangezien de schade zich zal hebben voorgedaan in een andere lidstaat, zal tevens andere wetgeving dan de Nederlandse van toepassing zijn. In verband met de verschillen die nog steeds bestaan in de aansprakelijkheidslimieten van de diverse lidstaten is in artikel 27s, in navolging van artikel 26, eerste lid, van de Wam, voor wat betreft de verplichtingen van het Waarborgfonds een inhoudelijk overeenstemmende bepaling opgenomen dat het Schadevergoedingsorgaan geen hogere schade vergoedt dan de nationale aansprakelijkheidslimiet van de lidstaat waar het ongeval heeft plaatsgevonden. Daaraan is toegevoegd dat, indien in de lidstaat waar het motorrijtuig gewoonlijk is gestald, de in de wet vastgelegde bedragen hoger zijn vastgesteld, die hogere bedragen gelden. Deze toevoeging vloeit voort uit artikel 2, tweede gedachtestreepje, van de derde Wam-richtlijn, dat op zijn beurt is verwerkt in artikel 3, derde lid, tweede volzin, van de Wam."1
In het algemeen zal het recht van het land van het ongeval op de aansprakelijkheids- en schadevergoedingsvraag van toepassing zijn, omdat de meeste rechtsstelsels als hoofdregel de lex looi delicti kennen.2 Het gaat echter niet slechts om de hoogte van de geboden 'dekking', maar ook om de omvang van de dekking en de uitkeringsvoorwaarden. Dit vraagstuk speelt met name als er geen verzekeraar in het spel is, omdat deze niet kan worden geïdentificeerd of omdat het aansprakelijke voertuig onbekend is.
De omvang van de aanspraken van de benadeelde jegens het Nederlandse Schadevergoedingsorgaan moet derhalve in beginsel worden beoordeeld naar het recht van het land van het ongeval. Dat geldt voor het aansprakelijkheidsvraagstuk zowel als voor de vraag welke schade-elementen in aanmerking komen voor vergoeding en tot welke bedragen. Zie verder paragrafen 5.6.2.2 en 5.6.3.2.