Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/4.8.2
4.8.2 De subsidiaire positie van het schadevergoedingsorgaan: het begrip benadeelde
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS397203:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De Nederlandse Wam heeft het probleem aldus opgelost, dat het begrip benadeelde in het kader van het schadevergoedingsorgaan in art. 27j als volgt is omschreven: 'benadeelden: personen met woonplaats in Nederland die schade als bedoeld in onderdeel a hebben geleden, alsmede hun rechtverkrijgenden, evenwel met uitzondering van verzekeraars, uitvoeringsinstellingen als bedoeld in art. 41, derde lid Organisatiewet sociale verzekeringen 1997, en andere instanties die door vergoeding van de schade in de rechten van deze personen zijn getreden.'
De toegang tot het schadevergoedingsorgaan is beperkter dan die tot de schaderegelaar en de regeling van de subsidiariteit is ook afwijkend van die in het kader van het waarborgfonds.
De taak van het schadevergoedingsorgaan is een andere dan die van het in paragraaf 4.6 besproken waarborgfonds. Meer nog dan het waarborgfonds wordt het schadevergoedingsorgaan door de Richtlijn neergezet als een subsidiaire voorziening, als een uiterste vangnet. Zo dient volgens overweging 47 "de tussenkomst van het schadevergoedingsorgaan (... ) te worden beperkt tot uitzonderlijke individuele gevallen waarin de verzekeringsonderneming, ondanks de preventieve werking van de dreiging met sancties, niet aan haar verplichtingen heeft voldaan." In overweging 48 luidt het dat het schadevergoedingsorgaan de taak heeft verzoeken om schadevergoeding af te wikkelen, "doch enkel in objectief vaststelbare gevallen." Het moet zich ertoe beperken na te gaan of een met redenen omkleed voorstel aan de benadeelde is gedaan en wel binnen de termijnen en met inachtneming van de voorgeschreven procedures "zonder op de inhoudelijke aspecten van de zaak in te gaan". Wat onder een 'met redenen omkleed antwoord' moet worden verstaan, wordt onderzocht in paragraaf 5.2.9.1, 5.6.23 en 5.6.2.4.
Daarnaast blijkt deze rol van beperkt vangnet ook en met name in beperkingen van de aanspraken van regresnemers.
In dit verband moet eerst worden stilgestaan bij het begrip 'benadeelde' in het kader van art. 24 en 25 van de Richtlijn. Art. 24 verwijst naar art. 20. In paragraaf 4.7.2.2 is in het kader van de schaderegelaar - reeds vastgesteld dat de Richtlijn dit begrip in het kader van art. 20 e.v. dezelfde inhoud geeft als in art. 1. Het gaat dus om personen die recht hebben op vergoeding van door voertuigen veroorzaakte schade. Zie voor de inhoud van het begrip 'benadeelde' in het algemeen paragraaf 4.2.1.
Anders echter dan bij art. 21 en de schaderegelaar lijkt de Richtlijn, zoals hiervoor reeds opgemerkt, gesubrogeerde regresnemers anders te behandelen dan andere slachtoffers. Dat blijkt vooral uit de Preambule bij de Richtlijn.
In overweging 49 heet het dat het schadevergoedingsorgaan niet aangesproken moet kunnen worden door "rechtspersonen die bij wet gesubrogeerd zijn in de rechten van de benadeelde ten aanzien van de aansprakelijke voor het ongeval, of van diens verzekeringsonderneming (zoals andere verzekeringsondernemingen of socialezekerheidsorganen)."
De tekst van de richtlijnbepalingen is echter aanmerkelijk minder expliciet en een bepaling dat bij wet gesubrogeerde rechtspersonen geen aanspraken tegen het schadevergoedingsorgaan hebben, is in art. 24 en 25 niet terug te vinden. De Richtlijn zegt over de subsidiariteit in art. 24 lid 1 niet meer dan het volgende:
"Deze bepaling doet geen afbreuk aan het recht van de lidstaten om aan de tussenkomst van dit orgaan een al dan niet subsidiair karakter te geven, noch aan het recht van de lidstaten om te voorzien in de afhandeling van de verzoeken tussen dit orgaan en de personen die het ongeval hebben veroorzaakt en andere verzekeringsondernemingen of socialezekerheidsorganen die gehouden zijn de benadeelde ter zake van dit ongeval te vergoeden. De lidstaten mogen het orgaan echter niet toestaan de uitkering van de vergoeding afhankelijk te stellen van andere dan de in deze richtlijn vastgestelde voorwaarden, met name van de voorwaarde dat de benadeelde op enigerlei wijze aantoont dat degene die aansprakelijk is niet kan of niet wil betalen."
Deze bepaling in het kader van het schadevergoedingsorgaan is woordelijk gelijk aan art. 10 lid 1, tweede alinea van de Richtlijn, dat het waarborgfonds betreft.
Terwijl dus de Preambule een duidelijke aanwijzing aan de lidstaten geeft, dat de toegang tot het schadevergoedingsorgaan niet moet worden opengesteld voor regresnemers, kan uit de Richtlijn zelf worden afgeleid dat de lidstaten vrij zijn om gesubrogeerde rechtspersonen volledig toegang tot het schadevergoedingsorgaan te geven.
Terzijde zij overigens opgemerkt, dat de considerans alleen spreekt over bij wet gesubrogeerde rechtspersonen. Aangenomen moet worden dat daaronder ook moeten worden verstaan particuliere verzekeraars, wier verhaalsrecht (mede) op de verzekeringsovereenkomst is gebaseerd. Het verschil tussen beider verhaalspositie is immers slechts de juridische constructie. Economisch nemen zij een identieke positie in, terwijl hun behoefte aan bescherming door het schadevergoedingsorgaan ook vergelijkbaar is.
Geconstateerd kan worden dat de lidstaten de laatste volzin van het eerste lid van art. 6 met betrekking tot de positie van regresnemers, op onderling verschillende wijze in hun wetgeving hebben omgezet.1 Uit informatie van de Council of Bureaux blijkt dat het schadevergoedingsorgaan in (ten minste) dertien lidstaten geen subsidiaire rol in deze betekenis heeft gekregen.
In verband met het verhaalsrecht (op een ander schadevergoedingsorgaan of waarborgfonds ex art. 25 lid 2 van de Richtlijn) van het schadevergoedingsorgaan dat - in overeenstemming met de in het land van zijn vestiging geldende wetgeving de regresvordering van een gesubrogeerde verzekeraar heeft voldaan, is van belang de vraag of deze lidstaat de Richtlijn juist heeft omgezet. De passage in de Preambule roept daaromtrent twijfel op. Deze regresvragen komen uitgebreid aan de orde in hoofdstuk 6. Voorlopig merk ik echter op dat een passage in de Preambule een zwakke basis vormt om aan te nemen, dat de lidstaten deze regresnemers geen toegang tot het schadevergoedingsorgaan zouden mogen verlenen.